Alle berichten van Gerrit Saey

Lid NVJ - Nederlandse Vereniging van Journalisten

Minder chauffeurs: vrijwilligers zeer belangrijk voor ritje ouderen

[{“id”:”1782a9a8″,”elType”:”section”,”settings”:[],”elements”:[{“id”:”1c7bc076″,”elType”:”column”,”settings”:{“_column_size”:100},”elements”:[{“id”:”bf98ba1″,”elType”:”widget”,”settings”:{“wp”:{“title”:””,”message”:”87″}},”elements”:[],”widgetType”:”wp-widget-xyz_insert_code_widget”},{“id”:”3326386″,”elType”:”widget”,”settings”:{“blockquote_content”:”Mobiliteit maakt het mogelijk om boodschappen te doen, familie of vrienden te bezoeken, naar een vereniging te gaan, deel te nemen aan dagbesteding of een zorgafspraak te bereiken.”,”author_name”:””,”tweet_button”:””,”tweet_button_label”:”Tweet”},”elements”:[],”widgetType”:”blockquote”},{“id”:”2c2be7a6″,”elType”:”widget”,”settings”:{“editor”:”

De rol van vrijwillig ouderenvervoer in Nederland is de afgelopen jaren uitgegroeid tot veel meer dan een praktische oplossing om mensen van A naar B te brengen. Uit een uitgebreide deskstudie blijkt dat deze vorm van vervoer een cruciale schakel vormt binnen de sociale infrastructuur van gemeenten. Wanneer deze voorzieningen onder druk komen te staan door geldgebrek of een tekort aan vrijwilligers, blijven de gevolgen niet beperkt tot mobiliteit alleen, maar raken ze een breed maatschappelijk netwerk.

Vrijwillig ouderenvervoer kent in Nederland verschillende vormen, variu00ebrend van individuele ritten door vrijwillige chauffeurs tot gezamenlijke uitstapjes met speciale bussen. Organisaties als ANWB AutoMaatje en de PlusBus van het Nationaal Ouderenfonds illustreren de omvang van deze sector. In 2024 werden via AutoMaatje honderdduizenden ritten uitgevoerd, met tienduizenden deelnemers en duizenden vrijwilligers verspreid over het land. Tegelijkertijd maken tienduizenden ouderen gebruik van groepsvervoer via de PlusBus. Deze cijfers tonen aan dat het om een substantieel systeem gaat, al vormen zij geen volledig landelijk overzicht.

behoefte neemt toe

De vraag naar dit vervoer groeit gestaag. Nederland telt inmiddels miljoenen ouderen en vooral het aantal 80-plussers neemt snel toe. Tegelijkertijd verandert de sociale structuur. Steeds meer ouderen wonen alleen en het aantal potentiu00eble mantelzorgers per oudere daalt. Waar vroeger een groter netwerk beschikbaar was om ondersteuning te bieden, wordt die kring kleiner. Hoewel vrijwilligerswerk nog altijd breed gedragen wordt, is het niet vanzelfsprekend dat er voldoende chauffeurs beschikbaar blijven om aan de vraag te voldoen.

Het belang van vrijwillig vervoer reikt verder dan bereikbaarheid. Mobiliteit maakt deelname aan het dagelijks leven mogelijk, van boodschappen doen tot sociale activiteiten en medische afspraken. Juist de persoonlijke ondersteuning u2013 aanbellen, helpen met instappen en begeleiden naar de juiste plek u2013 maakt het verschil voor veel gebruikers. Daarbij speelt ook het sociale aspect een belangrijke rol. Een rit betekent vaak een gesprek en persoonlijk contact, wat voor veel ouderen essentieel is om eenzaamheid te voorkomen en betrokken te blijven bij de samenleving.

“},”elements”:[],”widgetType”:”text-editor”},{“id”:”0dc7432″,”elType”:”widget”,”settings”:{“wp”:{“title”:””,”message”:”99″}},”elements”:[],”widgetType”:”wp-widget-xyz_insert_code_widget”},{“id”:”a468e74″,”elType”:”widget”,”settings”:{“editor”:”

Onderzoek laat zien dat vervoersproblemen direct invloed kunnen hebben op het welzijn en de gezondheid van ouderen. Wanneer mensen niet meer in staat zijn om afspraken na te komen of sociale contacten te onderhouden, kan dat leiden tot uitgestelde zorg en een afname van sociale participatie. Vrijwilligers vervullen hierin vaak een signalerende rol. Zij merken veranderingen op en kunnen deze, indien nodig, doorgeven aan de juiste instanties.

De juridische positie van vrijwillig vervoer maakt het tegelijkertijd kwetsbaar. Het betreft doorgaans aanvullende hulp en geen gegarandeerde voorziening. Gemeenten hebben weliswaar een verantwoordelijkheid via de Wet maatschappelijke ondersteuning, maar dit betekent niet dat iedere weggefallen rit automatisch wordt vervangen door formeel vervoer. Hierdoor ontstaat een grijs gebied waarin niet iedere behoefte wordt opgevangen.

“},”elements”:[],”widgetType”:”text-editor”},{“id”:”cf304d8″,”elType”:”widget”,”settings”:{“wp”:{“title”:””,”message”:”23″}},”elements”:[],”widgetType”:”wp-widget-xyz_insert_code_widget”},{“id”:”91494a4″,”elType”:”widget”,”settings”:{“image”:{“url”:”https://pitane.blue/wp-content/uploads/2024/09/pitane_Blauwe_Engelen_.jpg”,”id”:182330,”size”:””,”alt”:”Blauwe Engelen”,”source”:”library”},”caption_source”:”attachment”},”elements”:[],”widgetType”:”image”},{“id”:”82708e8″,”elType”:”widget”,”settings”:{“blockquote_content”:”De Blauwe Engelen zijn een initiatief van Stichting Gastvrij u2018s-Hertogenbosch en vormen het visitekaartje van de stad. Deze groep vrijwilligers, gekleed in hun opvallende blauwe uniformen, rijdt sinds 2016 rond in elektrische hop-on hop-off busjes door de stad. Van dinsdag tot en met zondag kunnen zowel toeristen als bewoners gratis gebruikmaken van deze busjes. De vaste route brengt hen langs de meest iconische plekken van de stad, zoals het Stationsplein, de Markt en het Noordbrabants Museum. Bezoekers kunnen op- en afstappen wanneer ze willen, terwijl de vrijwilligers hen van alle benodigde informatie voorzien om hun dag in Den Bosch nog aangenamer te maken.”,”author_name”:””,”tweet_button”:””,”tweet_button_label”:”Tweet”,”__globals__”:{“border_color”:”globals/colors?id=primary”}},”elements”:[],”widgetType”:”blockquote”},{“id”:”b902a66″,”elType”:”widget”,”settings”:{“image”:{“url”:”https://pitane.blue/wp-content/uploads/2026/06/pitane_podcast_luisteren.jpg”,”id”:195490,”size”:””,”alt”:”podcast”,”source”:”library”},”link_to”:”custom”,”link”:{“url”:”https://open.spotify.com/episode/6dtXnYQOmUryIgsY0FXW8I?si=BvVRbj3JRSuDlpjmStNImw”,”is_external”:”on”,”nofollow”:””,”custom_attributes”:””}},”elements”:[],”widgetType”:”image”},{“id”:”4fcdff8″,”elType”:”widget”,”settings”:{“editor”:”

Wanneer vrijwillig vervoer wegvalt, ontstaan verschillende reacties. Sommige ouderen blijven simpelweg thuis en laten activiteiten vervallen. In andere gevallen springen familieleden of mantelzorgers bij, wat leidt tot extra belasting. Een deel van de ritten verschuift naar formele voorzieningen zoals regiotaxiu2019s of zorgvervoer, terwijl zorginstellingen soms zelf oplossingen proberen te organiseren. Dit betekent dat een bezuiniging op vrijwillig vervoer niet automatisch leidt tot lagere kosten, maar eerder tot een verschuiving van lasten naar andere partijen.

kleinere leefwereld

De impact is zichtbaar op meerdere niveaus. Ouderen krijgen te maken met een kleinere leefwereld en toenemende afhankelijkheid. Mantelzorgers ervaren meer druk, wat kan leiden tot overbelasting. Zorginstellingen zien hun planning verstoord raken wanneer cliu00ebnten niet op afspraken verschijnen. Gemeenten krijgen te maken met een stijgende vraag naar formele ondersteuning, terwijl tegelijkertijd een deel van de problematiek onzichtbaar blijft omdat mensen geen hulp meer vragen.

Daarnaast verdwijnt een belangrijk sociaal netwerk wanneer een vervoersdienst stopt. Vrijwilligers verliezen hun rol en de gemeenschap verliest een vorm van samenhang en betrokkenheid. Dit effect is moeilijk in geld uit te drukken, maar speelt wel degelijk een rol in de leefbaarheid van wijken en dorpen.

Financieel gezien is het beeld complex. Hoewel vrijwillig vervoer per rit vaak goedkoper is dan professioneel vervoer, ontbreekt een eenduidige landelijke berekening van de totale besparing. Lokale voorbeelden laten zien dat er potentieel geld kan worden bespaard, maar deze berekeningen zijn afhankelijk van aannames en verschillen per gemeente. Daarbij moeten ook indirecte kosten worden meegenomen, zoals extra druk op zorg en mantelzorg.

geleidelijke afname

De studie maakt duidelijk dat het onderscheid tussen geldgebrek en een tekort aan vrijwilligers van groot belang is. Wanneer financiering wegvalt, kan een organisatie abrupt stoppen, zelfs als er nog voldoende vrijwilligers zijn. Andersom leidt een tekort aan chauffeurs vaak tot een geleidelijke afname van dienstverlening, met langere wachttijden en meer afwijzingen als gevolg.

De conclusie is helder: vrijwillig ouderenvervoer vormt een essentieel onderdeel van de maatschappelijke ondersteuning in Nederland. Het verdwijnen ervan leidt niet alleen tot minder mobiliteit, maar tot een kettingreactie van sociale en organisatorische gevolgen. De meest duurzame aanpak ligt in een combinatie van vrijwillige inzet en professionele ondersteuning, waarbij gemeenten zorgen voor stabiliteit en continuu00efteit en vrijwilligers de menselijke meerwaarde blijven bieden.

“},”elements”:[],”widgetType”:”text-editor”},{“id”:”5cc84aa”,”elType”:”widget”,”settings”:{“wp”:{“title”:””,”message”:”92″}},”elements”:[],”widgetType”:”wp-widget-xyz_insert_code_widget”},{“id”:”0252de6″,”elType”:”widget”,”settings”:{“wp”:{“title”:””,”message”:”29″}},”elements”:[],”widgetType”:”wp-widget-xyz_insert_code_widget”},{“id”:”3633a7e”,”elType”:”widget”,”settings”:{“wp”:{“title”:””,”message”:”86″}},”elements”:[],”widgetType”:”wp-widget-xyz_insert_code_widget”},{“id”:”62df193″,”elType”:”widget”,”settings”:{“wp”:{“title”:””,”message”:”2″}},”elements”:[],”widgetType”:”wp-widget-xyz_insert_code_widget”}],”isInner”:false}],”isInner”:false}]

Brievenbus verdwijnt langzaam: consument betaalt meer maar moet langer wachten

De Nederlandse postmarkt staat onder zware druk en dat begint steeds zichtbaarder te worden voor zowel consumenten als bedrijven.

Waar de brievenbus ooit symbool stond voor snelheid en betrouwbaarheid, groeit inmiddels de twijfel over de prestaties van de sector. Nieuwe cijfers, juridische procedures en beleidskeuzes laten zien dat de fundamenten van het poststelsel verschuiven, met PostNL als centrale speler in een steeds complexer speelveld.

De Autoriteit Consument & Markt (ACM) schetste over 2025 een duidelijk beeld van afnemende kwaliteit. In dat jaar werden ongeveer 1,486 miljard brieven verwerkt, een daling van 5 procent ten opzichte van het jaar ervoor. Tegelijk werd slechts 86 procent van de post op tijd bezorgd onder de toen geldende norm van 95 procent. Daarmee werd de wettelijke lat niet gehaald, wat uiteindelijk leidde tot ingrijpen door de toezichthouder.

bezorgnorm

Dat ingrijpen kwam in mei 2026, toen de ACM een boete van €6,923 miljoen oplegde aan PostNL wegens het niet voldoen aan de wettelijke bezorgnorm in 2023. Volgens de toezichthouder lag de gecorrigeerde kwaliteit op 89,48 procent. Argumenten van PostNL, zoals personeelstekorten en arbeidsmarktproblemen, werden slechts deels geaccepteerd. De ACM stelde daarbij dat personeelsbeleid en organisatorische keuzes in beginsel de verantwoordelijkheid van het bedrijf zelf zijn. Het bedrijf heeft bezwaar gemaakt tegen de boete, waardoor deze nog niet definitief is.

Tegelijkertijd wijst PostNL zelf op externe factoren die de prestaties beïnvloeden. In het eerste kwartaal van 2026 meldde het bedrijf dat ongeveer 85 procent van de post binnen één dag werd bezorgd en 94 procent binnen twee dagen, waarbij winterweer, ziekte en personeelstekorten als belangrijke oorzaken werden genoemd.

De veranderingen beperken zich niet tot de bezorgkwaliteit alleen. Ook de infrastructuur van de postvoorziening verandert zichtbaar. Zo verdwenen in 2025 maar liefst 788 openbare brievenbussen. Hoewel PostNL daarmee formeel binnen de wettelijke normen bleef, kan dit lokaal leiden tot grotere afstanden voor gebruikers en een verslechterde toegankelijkheid. Tegelijk is de prijs van post gestegen. Sinds 12 juli 2026 kost een standaard postzegel €1,40, waarbij deze gekoppeld is aan een langzamere bezorging. Snellere levering blijft mogelijk, maar tegen een hogere prijs, wat feitelijk een tweedeling in de dienstverlening creëert.

grote gevolgen

Op juridisch vlak zijn er eveneens zorgen. De huidige wetgeving bevat geen harde norm die garandeert dat vertraagde post alsnog binnen een maximaal aantal dagen wordt bezorgd. De ACM waarschuwde dat poststukken die een geplande route missen in uitzonderlijke gevallen vier tot negen dagen onderweg kunnen zijn. Dit kan vooral bij aangetekende of juridisch belangrijke post grote gevolgen hebben, omdat juist daar betrouwbaarheid en bewijsvoering cruciaal zijn.

Foto: © Pitane Blue – PostNL

Wat vaststaat, is dat de traditionele zekerheid van de postbezorging niet langer vanzelfsprekend is. De combinatie van dalende volumes, stijgende kosten en toenemende juridische en politieke druk maakt dat het systeem op een kantelpunt staat. Hoe dat zich verder ontwikkelt, zal bepalend zijn voor de manier waarop Nederland in de toekomst met fysieke post blijft omgaan.


Ook op de zakelijke markt speelt onzekerheid. Een opvallende kwestie ontstond in mei 2026 rond een mislukte aanbesteding voor overheidspost. Daarbij werd melding gemaakt van mogelijke marktverstoring, waarbij de dominante positie van PostNL kleinere aanbieders zou hebben belemmerd. PostNL sprak deze lezing tegen en stelde dat belangrijke aannames onjuist waren en dat onderdelen van de aanbesteding elkaar tegenspraken. Vooralsnog is er geen definitief oordeel van de ACM en blijft het bij een betwiste verdenking.

De financiële situatie van PostNL onderstreept de druk op het systeem. Over 2025 rapporteerde het bedrijf een omzet van €3,324 miljard, maar slechts €53 miljoen aan genormaliseerd bedrijfsresultaat en een nettoverlies van €17 miljoen. De universele postdienst zelf zou zelfs ongeveer €35 miljoen verlies hebben geleden, al betreft dit een bedrijfsinschatting en geen officieel vastgesteld bedrag.

groei vlakt af

Ondertussen verschuift de markt richting pakketten, al is ook daar sprake van verandering. De groei vlakt af en volumes stonden begin 2026 onder druk. Tegelijk blijft de markt sterk geconcentreerd: PostNL en DHL bedienen samen circa 90 procent van de binnenlandse B2C-pakketmarkt. Dat maakt het lastig voor nieuwe spelers om door te breken en vergroot de afhankelijkheid van een beperkt aantal partijen.

Voor consumenten en bedrijven zijn de gevolgen merkbaar. Langere bezorgtijden, hogere prijzen en minder fysieke voorzieningen zorgen voor onzekerheid. Daarnaast speelt het risico dat belangrijke poststukken te laat aankomen, met mogelijk juridische of financiële gevolgen. Voor zakelijke verzenders komt daar nog bij dat zij steeds meer afhankelijk zijn van contractuele afspraken in plaats van wettelijke bescherming.

De toekomst van de postmarkt lijkt daarmee allesbehalve stabiel. De keuze tussen het behouden van één landelijke speler of het opsplitsen van de markt in regionale concessies brengt nieuwe dilemma’s met zich mee. Beide opties kennen duidelijke voordelen, maar ook risico’s op hogere kosten, complexere systemen en verschillen in kwaliteit.

Reizigers slaan alarm: GoVolta lage prijs maskeert grote problemen

De reputatie van spoorbedrijf GoVolta ligt onder vuur en dat is niet zonder reden.

De budgettrein blijkt voor velen een dure miskoop door slechte service en vieze omstandigheden. Wie het Trustpilot-profiel van de jonge vervoerder bekijkt, ziet een beeld dat moeilijk te negeren is. Met 464 reviews en een magere score van 2,9 uit 5 sterren ontstaat een onthutsend portret van een organisatie die haar belofte van goedkoop reizen niet weet te vertalen naar een betrouwbare en comfortabele ervaring.

Wat direct opvalt, is de extreme verdeeldheid onder reizigers. Aan de ene kant is er een groep die tevreden is over de lage prijs en de directe verbindingen. Aan de andere kant staat een bijna even grote groep die de ervaring omschrijft als frustrerend, vies en slecht georganiseerd. Dat maar liefst 41 procent van de reviewers de laagst mogelijke score geeft, zegt veel over de ernst van de problemen. Dit is geen incident of een enkele misser, maar een structureel patroon.

lage prijs

De positieve geluiden zijn voorspelbaar en draaien vrijwel uitsluitend om de prijs. Reizigers die tevreden zijn, lijken hun verwachtingen bewust laag te houden. Zij accepteren het gebrek aan luxe en bereiden zich voor door zelf eten, drinken en een powerbank mee te nemen. Ook het treinpersoneel krijgt regelmatig complimenten. Conducteurs en stewards worden omschreven als vriendelijk en behulpzaam. Maar die vriendelijkheid blijkt vaak niet genoeg om de fundamentele tekortkomingen te compenseren.

Want daar wringt het. De kritiek is niet mild of sporadisch, maar hard en terugkerend. Vooral de staat van de toiletten springt eruit als een groot pijnpunt. Reizigers klagen massaal over stank, gebrek aan water en toiletten die simpelweg niet bruikbaar zijn. Het gaat hier niet om een incidentele schoonmaakfout, maar om een probleem dat in talloze reviews terugkomt. Zelfs klanten die nog vier sterren geven, voelen zich genoodzaakt dit gebrek expliciet te benoemen.

basisvoorzieningen

Daarnaast is het gebrek aan basisvoorzieningen moeilijk te verdedigen. Geen wifi, nauwelijks werkende stopcontacten, geen airconditioning en een beperkte catering maken een lange treinreis al snel onaangenaam. Zeker tijdens warme dagen of vertragingen kan dit uitmonden in een uitputtende ervaring. Dat GoVolta reizigers adviseert om zelf een powerbank mee te nemen, onderstreept vooral hoe minimaal het product eigenlijk is.

Nog zorgwekkender is de manier waarop het bedrijf omgaat met verstoringen. Vertragingen en wijzigingen horen bij het spoor, maar de communicatie daarover lijkt bij GoVolta structureel tekort te schieten. Reizigers melden onduidelijke omroepen, gebrekkige informatie en een totaal gebrek aan updates tijdens lange stilstanden. Wie afhankelijk is van een aansluiting of een strak schema, loopt hier een reëel risico.

De grootste frustratie ontstaat echter bij annuleringen en ingrijpende wijzigingen. Het schrappen van verbindingen, zoals de route naar Hamburg, heeft bij veel klanten geleid tot gedwongen alternatieven zoals busvervoer. Voor reizigers met hotels, afspraken of beperkte flexibiliteit betekent dit extra kosten en stress. De compensatie en oplossingen die worden geboden, worden vaak als onvoldoende ervaren.

De klantenservice weet deze negatieve ervaringen zelden om te buigen. Hoewel eenvoudige vragen soms snel worden afgehandeld, verandert de toon zodra er geld of verantwoordelijkheid in het spel is. Klanten beschrijven de houding als formeel en weinig meedenkend. Dat slechts 60 procent van de negatieve reviews wordt beantwoord en dat dit soms pas na weken gebeurt, draagt niet bij aan vertrouwen. Reacties van het bedrijf voelen bovendien regelmatig defensief, waarbij de verantwoordelijkheid subtiel bij de reiziger wordt gelegd.

Wat het extra opvallend maakt bij GoVolta, is dat de klachten op Trustpilot inhoudelijk sterk overeenkomen. Problemen met toiletten, hitte, vertragingen en communicatie komen telkens terug in verschillende reviews van verschillende reizigers. Dat soort patronen ontstaat niet zomaar. Het wijst erop dat de negatieve ervaringen geen incidenten zijn, maar terugkerende knelpunten.

Foto: © Pitane Blue – Berlijn

Een schrijnend voorbeeld van de gevolgen van gebrekkige communicatie en wijzigingen in de dienstregeling komt van een reiziger die haar ervaring deelt na een recente trip. Zij vertelt: “Ik vertrok vorige week vanuit Amersfoort en had daar mijn auto netjes bij het station geparkeerd. Op de terugweg reed de trein echter maar tot Utrecht, waardoor ik genoodzaakt was om een taxi te nemen van Utrecht naar Amersfoort om mijn auto op te halen.” Deze situatie onderstreept niet alleen de praktische problemen waar reizigers tegenaan lopen, maar ook de extra kosten en frustraties die ontstaan wanneer een reis onverwacht wordt ingekort. Zonder duidelijke voorafgaande communicatie of passende oplossing worden passagiers in zulke gevallen feitelijk aan hun lot overgelaten.

Het contrast met de eigen website van GoVolta is opvallend groot. Daar pronkt het bedrijf met een score van 4,7 uit 5, gebaseerd op geselecteerde beoordelingen. Hoe die score tot stand komt, blijft onduidelijk. Dit verschil met de onafhankelijke Trustpilot-score roept vragen op over transparantie en geloofwaardigheid. Op een eigen website heeft een bedrijf volledige controle over wat er wordt getoond. Dat betekent in de praktijk dat vooral tevreden klanten worden uitgelicht. 

Alles bij elkaar ontstaat het beeld van een vervoerder die weliswaar een legitiem product aanbiedt, maar de uitvoering niet onder controle heeft. De lage prijs bij diverse winkelketens fungeert als lokmiddel, maar blijkt in de praktijk vaak een compromis dat veel reizigers duur komt te staan in comfort, zekerheid en soms zelfs extra kosten. 

goedkoop reizen

Voor wie flexibel is, weinig eisen stelt en vooral goedkoop wil reizen, kan GoVolta een optie zijn. Maar voor iedereen die afhankelijk is van betrouwbaarheid, hygiëne en duidelijke communicatie, is het risico simpelweg te groot. De huidige score van 2,9 voelt dan ook niet als een momentopname, maar als een eerlijke weerspiegeling van structurele tekortkomingen.

GoVolta staat op een kruispunt. Zonder ingrijpende verbeteringen in hygiëne, communicatie en klantenservice dreigt het bedrijf vast te blijven zitten in een negatieve spiraal. Want goedkoop reizen mag dan aantrekkelijk klinken, uiteindelijk bepaalt de totale ervaring of een reiziger ooit nog instapt.

Minder chauffeurs: zonder vrijwilligers geen ritje meer voor ouderen

Mobiliteit maakt het mogelijk om boodschappen te doen, familie of vrienden te bezoeken, naar een vereniging te gaan, deel te nemen aan dagbesteding of een zorgafspraak te bereiken.

De rol van vrijwillig ouderenvervoer in Nederland is de afgelopen jaren uitgegroeid tot veel meer dan een praktische oplossing om mensen van A naar B te brengen. Uit een uitgebreide deskstudie blijkt dat deze vorm van vervoer een cruciale schakel vormt binnen de sociale infrastructuur van gemeenten. Wanneer deze voorzieningen onder druk komen te staan door geldgebrek of een tekort aan vrijwilligers, blijven de gevolgen niet beperkt tot mobiliteit alleen, maar raken ze een breed maatschappelijk netwerk.

Vrijwillig ouderenvervoer kent in Nederland verschillende vormen, variërend van individuele ritten door vrijwillige chauffeurs tot gezamenlijke uitstapjes met speciale bussen. Organisaties als ANWB AutoMaatje en de PlusBus van het Nationaal Ouderenfonds illustreren de omvang van deze sector. In 2024 werden via AutoMaatje honderdduizenden ritten uitgevoerd, met tienduizenden deelnemers en duizenden vrijwilligers verspreid over het land. Tegelijkertijd maken tienduizenden ouderen gebruik van groepsvervoer via de PlusBus. Deze cijfers tonen aan dat het om een substantieel systeem gaat, al vormen zij geen volledig landelijk overzicht.

behoefte neemt toe

De vraag naar dit vervoer groeit gestaag. Nederland telt inmiddels miljoenen ouderen en vooral het aantal 80-plussers neemt snel toe. Tegelijkertijd verandert de sociale structuur. Steeds meer ouderen wonen alleen en het aantal potentiële mantelzorgers per oudere daalt. Waar vroeger een groter netwerk beschikbaar was om ondersteuning te bieden, wordt die kring kleiner. Hoewel vrijwilligerswerk nog altijd breed gedragen wordt, is het niet vanzelfsprekend dat er voldoende chauffeurs beschikbaar blijven om aan de vraag te voldoen.

Het belang van vrijwillig vervoer reikt verder dan bereikbaarheid. Mobiliteit maakt deelname aan het dagelijks leven mogelijk, van boodschappen doen tot sociale activiteiten en medische afspraken. Juist de persoonlijke ondersteuning – aanbellen, helpen met instappen en begeleiden naar de juiste plek – maakt het verschil voor veel gebruikers. Daarbij speelt ook het sociale aspect een belangrijke rol. Een rit betekent vaak een gesprek en persoonlijk contact, wat voor veel ouderen essentieel is om eenzaamheid te voorkomen en betrokken te blijven bij de samenleving.

Onderzoek laat zien dat vervoersproblemen direct invloed kunnen hebben op het welzijn en de gezondheid van ouderen. Wanneer mensen niet meer in staat zijn om afspraken na te komen of sociale contacten te onderhouden, kan dat leiden tot uitgestelde zorg en een afname van sociale participatie. Vrijwilligers vervullen hierin vaak een signalerende rol. Zij merken veranderingen op en kunnen deze, indien nodig, doorgeven aan de juiste instanties.

De juridische positie van vrijwillig vervoer maakt het tegelijkertijd kwetsbaar. Het betreft doorgaans aanvullende hulp en geen gegarandeerde voorziening. Gemeenten hebben weliswaar een verantwoordelijkheid via de Wet maatschappelijke ondersteuning, maar dit betekent niet dat iedere weggefallen rit automatisch wordt vervangen door formeel vervoer. Hierdoor ontstaat een grijs gebied waarin niet iedere behoefte wordt opgevangen.

Foto: © Pitane Blue – Blauwe Engelen Den Bosch

De Blauwe Engelen zijn een initiatief van Stichting Gastvrij ‘s-Hertogenbosch en vormen het visitekaartje van de stad. Deze groep vrijwilligers, gekleed in hun opvallende blauwe uniformen, rijdt sinds 2016 rond in elektrische hop-on hop-off busjes door de stad. Van dinsdag tot en met zondag kunnen zowel toeristen als bewoners gratis gebruikmaken van deze busjes. De vaste route brengt hen langs de meest iconische plekken van de stad, zoals het Stationsplein, de Markt en het Noordbrabants Museum. Bezoekers kunnen op- en afstappen wanneer ze willen, terwijl de vrijwilligers hen van alle benodigde informatie voorzien om hun dag in Den Bosch nog aangenamer te maken.


Wanneer vrijwillig vervoer wegvalt, ontstaan verschillende reacties. Sommige ouderen blijven simpelweg thuis en laten activiteiten vervallen. In andere gevallen springen familieleden of mantelzorgers bij, wat leidt tot extra belasting. Een deel van de ritten verschuift naar formele voorzieningen zoals regiotaxi’s of zorgvervoer, terwijl zorginstellingen soms zelf oplossingen proberen te organiseren. Dit betekent dat een bezuiniging op vrijwillig vervoer niet automatisch leidt tot lagere kosten, maar eerder tot een verschuiving van lasten naar andere partijen.

kleinere leefwereld

De impact is zichtbaar op meerdere niveaus. Ouderen krijgen te maken met een kleinere leefwereld en toenemende afhankelijkheid. Mantelzorgers ervaren meer druk, wat kan leiden tot overbelasting. Zorginstellingen zien hun planning verstoord raken wanneer cliënten niet op afspraken verschijnen. Gemeenten krijgen te maken met een stijgende vraag naar formele ondersteuning, terwijl tegelijkertijd een deel van de problematiek onzichtbaar blijft omdat mensen geen hulp meer vragen.

Daarnaast verdwijnt een belangrijk sociaal netwerk wanneer een vervoersdienst stopt. Vrijwilligers verliezen hun rol en de gemeenschap verliest een vorm van samenhang en betrokkenheid. Dit effect is moeilijk in geld uit te drukken, maar speelt wel degelijk een rol in de leefbaarheid van wijken en dorpen.

Financieel gezien is het beeld complex. Hoewel vrijwillig vervoer per rit vaak goedkoper is dan professioneel vervoer, ontbreekt een eenduidige landelijke berekening van de totale besparing. Lokale voorbeelden laten zien dat er potentieel geld kan worden bespaard, maar deze berekeningen zijn afhankelijk van aannames en verschillen per gemeente. Daarbij moeten ook indirecte kosten worden meegenomen, zoals extra druk op zorg en mantelzorg.

geleidelijke afname

De studie maakt duidelijk dat het onderscheid tussen geldgebrek en een tekort aan vrijwilligers van groot belang is. Wanneer financiering wegvalt, kan een organisatie abrupt stoppen, zelfs als er nog voldoende vrijwilligers zijn. Andersom leidt een tekort aan chauffeurs vaak tot een geleidelijke afname van dienstverlening, met langere wachttijden en meer afwijzingen als gevolg.

De conclusie is helder: vrijwillig ouderenvervoer vormt een essentieel onderdeel van de maatschappelijke ondersteuning in Nederland. Het verdwijnen ervan leidt niet alleen tot minder mobiliteit, maar tot een kettingreactie van sociale en organisatorische gevolgen. De meest duurzame aanpak ligt in een combinatie van vrijwillige inzet en professionele ondersteuning, waarbij gemeenten zorgen voor stabiliteit en continuïteit en vrijwilligers de menselijke meerwaarde blijven bieden.

Aangetekende post: PostNL opnieuw onder vuur om verdwenen paspoorten

Kritiek groeit op rol PostNL bij diplomatieke zendingen, vertrouwen in aangetekende post krijgt opnieuw flinke deuk.

Postbezorging van cruciale documenten staat opnieuw ter discussie nu meerdere voorbeelden de ronde doen van aangetekende zendingen die simpelweg verdwijnen of nooit worden aangeboden. Wat begint als een administratieve verplichting, zoals het verlengen van een paspoort of identiteitskaart via een ambassade of consulaat, eindigt voor sommigen in frustratie en onzekerheid. De afhankelijkheid van PostNL als schakel in dit proces blijkt daarbij een zwakke plek die steeds vaker zichtbaar wordt.

uitdaging

Een bezoek aan een ambassade of consulaat is voor veel Nederlanders al een logistieke uitdaging. Wie vanuit het zuiden naar Den Haag reist, is al snel een halve dag kwijt. Die inspanning wordt doorgaans geaccepteerd, omdat het om belangrijke documenten gaat. Om het proces te vergemakkelijken, bieden ambassades de mogelijkheid om nieuwe documenten per aangetekende post te laten versturen. Daarmee zou veiligheid en traceerbaarheid gewaarborgd moeten zijn. In de praktijk blijkt dat vertrouwen niet altijd terecht.

De procedure lijkt waterdicht. Vooraf wordt een digitale postzegel aangeschaft en doorgestuurd naar de ambassade. Vanuit daar volgt een bevestiging dat de e-mail is ontvangen en dat het paspoort of identiteitsbewijs naar de postkamer gaat voor verzending. Kort daarna verschijnt in de PostNL-app een melding dat de zending onderweg is, inclusief tijdsindicatie van bezorging. Alles wijst op een gecontroleerd proces. Totdat de realiteit zich aandient.

standaardmelding

Zonder dat er daadwerkelijk is aangebeld of een poging tot bezorging zichtbaar is, volgt aan het einde van de dag een standaardmelding dat de ontvanger niet thuis zou zijn geweest. Voor velen geen verrassing meer, maar eerder een patroon. Onder druk van volle routes en hoge werkdruk kiezen bezorgers er kennelijk regelmatig voor om zendingen direct door te sturen naar afhaalpunten of automaten, zonder eerst een bezorgpoging te doen.

De situatie wordt zorgwekkender wanneer die afhaalpunten zelf vragen oproepen. In Eindhoven blijkt een zogenoemde briefautomaat in sommige gevallen niets meer dan een telefoonwinkel waar pakketten van meerdere bezorgdiensten worden verwerkt. De controle en transparantie lijken daarbij ver te zoeken.

Marcel ondervond dit aan den lijve toen hij zijn aangetekende zending ging ophalen. Met een afhaalcode op zak meldde hij zich bij het betreffende punt. Na meer dan tien minuten zoeken op verschillende locaties in de rekken wist een medewerker uiteindelijk de brief te vinden. Een ongemakkelijke ervaring, maar uiteindelijk liep het goed af.

afhaalcode

Een dag later herhaalde het scenario zich voor Sander, die eveneens wachtte op zijn identiteitskaart. Ook hij ontving een melding dat hij niet thuis zou zijn geweest, gevolgd door een afhaalcode en dezelfde locatie als afhaalpunt. Waar het bij Marcel nog goed ging, liep het hier volledig mis. In de winkel bleek de aangetekende zending nu onvindbaar, ondanks de bevestiging in de app.

Sander nam contact op met PostNL en kreeg te horen dat er een onderzoek zou worden gestart. Dat bood kortstondig hoop. Die hoop verdween echter snel toen een dag later het antwoord volgde: “Onze chauffeur heeft geen pakket gevonden in de pakket en briefautomaat. Omdat we niet kunnen vaststellen dat er daadwerkelijk een pakket in de automaat is gelegd, kunnen we geen aansprakelijkheid accepteren of overgaan tot een schadevergoeding en sluiten we het onderzoek.” Daarmee werd de verantwoordelijkheid feitelijk van tafel geveegd en werd Sander verwezen naar de afzender, in dit geval de ambassade.

Foto: © Pitane Blue – PostNL

Verdwenen paspoorten en identiteitsbewijzen verdwijnen niet zomaar in een zwart gat, maar vormen wel een serieus risico. Op het moment dat zo’n document zoekraakt in de postketen, is het officieel nog steeds een geldig identiteitsbewijs totdat het wordt geblokkeerd. Dat maakt de situatie kwetsbaar.

De kern van het probleem ligt niet alleen bij een enkele misgelopen zending, maar bij de tegenstrijdigheid in het proces. Hoe kan het dat een zending volgens het systeem onderweg is, voorzien van track en trace-informatie en zelfs een afhaalcode, terwijl achteraf wordt gesteld dat er mogelijk nooit een pakket is geweest? Die vraag raakt aan de betrouwbaarheid van het hele logistieke systeem.

onbetrouwbaar

Het vertrouwen in PostNL krijgt hiermee opnieuw een klap, zeker wanneer het gaat om gevoelige en persoonlijke documenten zoals paspoorten. Dat dergelijke stukken via een keten lopen waarin onduidelijkheid en gebrek aan verantwoordelijkheid de boventoon voeren, roept serieuze vragen op. De uitvoering van de Postwet, die juist bedoeld is om betrouwbaarheid en toegankelijkheid van postbezorging te garanderen, lijkt in deze gevallen ver te zoeken.

Opvallend is bovendien dat overheidsinstanties en ambassades nog altijd vertrouwen op deze vorm van verzending. Terwijl de signalen over problemen zich opstapelen, blijft de afhankelijkheid bestaan. De vraag dringt zich op of dat nog wel verantwoord is. Zeker wanneer burgers de dupe worden van fouten waar niemand verantwoordelijkheid voor lijkt te nemen.

De situatie rond Marcel en Sander staat niet op zichzelf, maar illustreert een breder probleem binnen de postbezorging in Nederland. Wanneer systemen meldingen genereren die niet overeenkomen met de werkelijkheid en klachten worden afgedaan zonder duidelijke oplossing, ontstaat een structureel vertrouwensprobleem. Voor een organisatie met een publieke taak is dat een ontwikkeling die moeilijk te negeren valt.

wat te doen?

In de praktijk zijn er grofweg drie scenario’s. Het eerste is relatief onschuldig: het document raakt tijdelijk kwijt in het logistieke proces en duikt later alsnog op. Dat kan dagen of zelfs weken duren, bijvoorbeeld doordat een zending verkeerd is gesorteerd of op een verkeerde locatie terechtkomt. In die gevallen wordt het document uiteindelijk alsnog bezorgd of teruggestuurd naar de afzender, zoals een ambassade of gemeente.

Het tweede scenario is problematischer. Het document raakt definitief zoek binnen de keten van bezorging en wordt nooit meer teruggevonden. In dat geval wordt het doorgaans als vermist geregistreerd. De instantie die het document heeft uitgegeven, zoals een gemeente of ambassade, zal het paspoort of de identiteitskaart ongeldig verklaren zodra duidelijk is dat het niet meer boven water komt. Daarmee wordt misbruik lastiger, omdat het document bij controles als ongeldig naar voren komt.

Het derde scenario is het meest zorgwekkend, al komt dat minder vaak voor: het document komt in verkeerde handen terecht. Paspoorten en identiteitskaarten zijn waardevol voor fraude, bijvoorbeeld bij identiteitsdiefstal of het openen van bankrekeningen. Daarom is snelheid cruciaal zodra een document vermist raakt. Hoe langer een document als ‘geldig’ in omloop blijft, hoe groter het risico op misbruik.

extra stappen

Voor de persoon die wacht op zijn document betekent een vermissing vrijwel altijd extra stappen. Er moet contact worden opgenomen met de uitgevende instantie, die een onderzoek kan starten of direct besluit het document ongeldig te maken. Daarna volgt meestal een nieuwe aanvraagprocedure, inclusief kosten en opnieuw wachten. In sommige gevallen moet ook aangifte worden gedaan van vermissing.

Wat wringt, is dat de verantwoordelijkheid vaak versnipperd raakt. De verzender wijst naar de bezorgdienst, de bezorgdienst naar de verzender, en de ontvanger blijft met de gevolgen zitten. Zeker bij aangetekende post zou er een sluitende administratie moeten zijn van waar een document zich bevindt. Wanneer die ontbreekt of tegenstrijdig is, zoals bij meldingen van bezorging zonder daadwerkelijke aflevering, wordt het lastig om te achterhalen waar het misging.

Uiteindelijk betekent een verdwenen paspoort of identiteitsbewijs dus niet alleen administratieve rompslomp, maar ook een periode van onzekerheid en potentieel risico. Juist daarom ligt er een grote verantwoordelijkheid bij alle partijen in de keten om zorgvuldig met dit soort documenten om te gaan.

Veel taxi’s en te weinig regels: Berlijnse taxichauffeur doet boekje open

[{“id”:”40399cd5″,”elType”:”section”,”settings”:[],”elements”:[{“id”:”1c07fe73″,”elType”:”column”,”settings”:{“_column_size”:100},”elements”:[{“id”:”8c28489″,”elType”:”widget”,”settings”:{“wp”:{“title”:””,”message”:”87″}},”elements”:[],”widgetType”:”wp-widget-xyz_insert_code_widget”},{“id”:”715b8f6″,”elType”:”widget”,”settings”:{“blockquote_content”:”Taxiu2019s zijn in vrijwel elke Europese stad een belangrijk vervoersmiddel, vooral voor toeristen die snel van een station of luchthaven naar hun bestemming willen.”,”author_name”:””,”tweet_button”:””,”tweet_button_label”:”Tweet”},”elements”:[],”widgetType”:”blockquote”},{“id”:”17d22ce9″,”elType”:”widget”,”settings”:{“editor”:”

Na een lange reis is het vaak een verademing om in een taxi te stappen en direct naar het hotel te worden gebracht. Maar helaas kunnen deze ritten soms uitmonden in een onverwachte nachtmerrie, met chauffeurs die misbruik maken van toeristen, exorbitante tarieven hanteren of zich schuldig maken aan roekeloos rijgedrag.

Het gemak van een taxi, gecombineerd met de mogelijkheid om files te vermijden via busbanen, maakt het een populaire keuze. Maar deze eerste kennismaking met een nieuwe stad kan soms heel anders uitpakken dan verwacht. Berlijn, waar wij onlangs waren om verslag te doen van Innotrans 2024, bleek een perfect voorbeeld van hoe wisselend de taxi-ervaring kan zijn.

Bij aankomst op Berlin Hauptbahnhof stapten we direct in een taxi richting ons hotel. De rit van ongeveer 15 minuten verliep vlekkeloos. De chauffeur was vriendelijk, de meter liep netjes mee, en we kwamen zonder problemen aan voor een prijs van 13,50 euro. Een redelijke prijs voor een snelle rit tijdens de drukte van de spits. Deze positieve ervaring leek een voorbode voor een prettige week in Berlijn, waar de taxi ons verschillende keren door de stad zou brengen.

te veel taxiu2019s

De dag erop stond er een langere rit op het programma, van ons hotel naar de Berlin Messe, waar Innotrans 2024 werd gehouden. Deze keer kregen we Alexander als chauffeur, een man die al meer dan 40 jaar in de Berlijnse taxiwereld werkt. Terwijl we door het drukke verkeer reden, begon Alexander openhartig te praten over de huidige staat van het taxivervoer in de Duitse hoofdstad. “Er rijden te veel taxiu2019s rond in Berlijn”, vertelde hij ons. Waar hij eerder vijf vergunningen had om met meerdere taxiu2019s te rijden, heeft hij er nu nog maar u00e9u00e9n over. “Als een taxi geen 15 tot 20 euro per uur binnenbrengt, is het verlieslatend”, zei hij. “Ik heb daarom de vergunningen ingeleverd en werk nu alleen, dat brengt genoeg op om te kunnen leven.”

Berlijn telt officieel meer dan 7000 taxi’s, maar dat aantal varieert afhankelijk van de dag en de situatie. Tijdens grote evenementen, zoals Innotrans, zijn er meer taxi’s op de weg om de extra vraag op te vangen. Toch ervaart Alexander dat het aanbod te groot is voor de vraag. “Mensen besparen tegenwoordig niet op eten of drinken, maar wel op een luxe zoals een taxi,” voegde hij eraan toe.

“},”elements”:[],”widgetType”:”text-editor”},{“id”:”6a1677a”,”elType”:”widget”,”settings”:{“wp”:{“title”:””,”message”:”23″}},”elements”:[],”widgetType”:”wp-widget-xyz_insert_code_widget”},{“id”:”b16ba59″,”elType”:”widget”,”settings”:{“image”:{“url”:”https://pitane.blue/wp-content/uploads/2024/09/pitane_Berlijn_Alexander.jpg”,”id”:182584,”size”:””,”alt”:”Alexander”,”source”:”library”},”caption_source”:”attachment”},”elements”:[],”widgetType”:”image”},{“id”:”f81acef”,”elType”:”widget”,”settings”:{“blockquote_content”:”De taxibranche in Berlijn staat ook onder druk door de opkomst van ridesharing-diensten zoals Uber en Bolt, wat volgens Alexander bijdraagt aan de afname van klanten voor traditionele taxiu2019s. Ondanks deze concurrentie benadrukte Alexander dat hij trouw blijft aan de regelgeving. “Ik laat de meter altijd lopen volgens de regels,” zei hij trots.”,”author_name”:””,”tweet_button”:””,”tweet_button_label”:”Tweet”},”elements”:[],”widgetType”:”blockquote”},{“id”:”9ccdef4″,”elType”:”widget”,”settings”:{“editor”:”

Onze derde taxirit verliep echter allesbehalve soepel en gaf ons een totaal ander beeld van de Berlijnse taxichauffeurs. Vanaf Berlin Hauptbahnhof, dezelfde plek waar we eerder een goede ervaring hadden, stapten we opnieuw in een taxi, dit keer bestuurd door een jonge chauffeur. Al snel ontstond er een discussie. De chauffeur weigerde de taxameter in te schakelen en stelde dat de rit een “fixed price” van 20 tot 25 euro had, ruim 10 euro meer dan wat we de dag ervoor hadden betaald. Zijn toon veranderde snel van onvriendelijk naar agressief, en hij stelde zelfs voor dat we de taxi mochten verlaten als we het er niet mee eens waren.

n

angstaanjagende situaties

n

We gingen akkoord om door te gaan met de rit, meer uit interesse om het vervolg van de rit mee te maken. Maar wat volgde was een rit vol angstaanjagende situaties die je niet zou verwachten van een professionele taxichauffeur. Om de drukte te ontwijken, reed de chauffeur tegen het verkeer in, toeterend en gevaarlijke inhaalmanoeuvres makend. Op een gegeven moment moest hij abrupt remmen om een bijna-ongeval met een fietser te voorkomen, die door het stilstaande verkeer probeerde over te steken. Deze waanzinnige actie in de binnenstad liet ons versteld staan. De taxirit was veranderd in een ware nachtmerrie.

“},”elements”:[],”widgetType”:”text-editor”},{“id”:”d25dfc4″,”elType”:”widget”,”settings”:{“wp”:{“title”:””,”message”:”23″}},”elements”:[],”widgetType”:”wp-widget-xyz_insert_code_widget”},{“id”:”6cd0589″,”elType”:”widget”,”settings”:{“image”:{“url”:”https://pitane.blue/wp-content/uploads/2024/09/pitane_Berlijn_Mercedes.jpg”,”id”:182594,”size”:””,”alt”:”taxichauffeur”,”source”:”library”}},”elements”:[],”widgetType”:”image”},{“id”:”2c5869a”,”elType”:”widget”,”settings”:{“blockquote_content”:”Terwijl we uitstapten na deze chaotische rit, beseften we hoe snel de ervaring met taxi’s kan omslaan. Waar we de dag ervoor nog met een glimlach uit de taxi van Alexander stapten, voelden we ons nu opgelicht. Het beeld van de oprechte, hardwerkende taxichauffeur werd volledig overschaduwd door de roekeloze ‘cowboy’ in zijn Mercedes.”,”author_name”:””,”tweet_button”:””,”tweet_button_label”:”Tweet”,”__globals__”:{“border_color”:”globals/colors?id=primary”}},”elements”:[],”widgetType”:”blockquote”},{“id”:”f8671a8″,”elType”:”widget”,”settings”:{“editor”:”

In veel Europese steden, en zeker in Berlijn, blijven taxiu2019s een gemengde reputatie houden. Hoewel er betrouwbare chauffeurs zijn, zoals Alexander, die de regels volgen en hun werk serieus nemen, blijft het risico bestaan dat reizigers, en vooral toeristen, worden geconfronteerd met chauffeurs die de regels aan hun laars lappen. De balans tussen gemak en risico hangt af van het toeval, en helaas wordt het negatieve beeld van taxichauffeurs in sommige steden alleen maar versterkt door ervaringen zoals de onze.

positief beeld

Als journalist, maar vooral als leverancier in de taxisector begrijp je als geen ander hoe belangrijk het is om een positief beeld van de branche neer te zetten. De taxisector staat wereldwijd onder druk, met concurrentie van ridesharing-diensten zoals Uber en Lyft, en met een groeiende groep klanten die een negatieve perceptie heeft van taxi’s door persoonlijke ervaringen. Toch blijft het jouw doel om de waarde van deze sector te belichten en de positieve kanten te benadrukken. Helaas loop je telkens tegen dezelfde frustratie aan: jouw eigen ervaringen stroken vaak niet met het beeld dat je graag wilt schetsen.

Wanneer je als insider in de branche zelf te maken krijgt met slechte ervaringen, kan dat ontmoedigend werken. Het zorgt ervoor dat je geloofwaardigheid wordt ondermijnd, zeker wanneer je probeert de taxisector in een goed daglicht te stellen. Telkens weer lijkt de praktijk haaks te staan op de verhalen die je wil delen met de buitenwereld. Juist wanneer je de sector probeert te promoten, bijvoorbeeld door te wijzen op de flexibiliteit van taxiu2019s of het feit dat ze een essentieel onderdeel zijn van het stadsvervoer, word je geconfronteerd met situaties die het tegenovergestelde laten zien

“},”elements”:[],”widgetType”:”text-editor”},{“id”:”229ff56″,”elType”:”widget”,”settings”:{“wp”:{“title”:””,”message”:”23″}},”elements”:[],”widgetType”:”wp-widget-xyz_insert_code_widget”},{“id”:”d79f66f”,”elType”:”widget”,”settings”:{“image”:{“url”:”https://pitane.blue/wp-content/uploads/2024/09/pitane_SG_ICE.jpg”,”id”:182598,”size”:””,”alt”:”ICE”,”source”:”library”},”caption_source”:”attachment”},”elements”:[],”widgetType”:”image”},{“id”:”c3c9142″,”elType”:”widget”,”settings”:{“blockquote_content”:”Tijdens mijn terugreis, comfortabel zittend in de Intercity-Express (ICE) van Deutsche Bahn, had ik tijd om te reflecteren op mijn recente ervaringen in de taxisector. De ICE, die bekendstaat om zijn snelheid en punctualiteit, gaf me een moment van rust om na te denken over het contrast tussen de stipte treindienst en de vaak wisselende kwaliteit van taxidiensten in Europa. Het probleem lijkt niet zozeer te liggen in het systeem zelf, maar in de grote inconsistentie van de geleverde taxidiensten.”,”author_name”:””,”tweet_button”:””,”tweet_button_label”:”Tweet”,”__globals__”:{“border_color”:”globals/colors?id=primary”}},”elements”:[],”widgetType”:”blockquote”},{“id”:”09c6f2c”,”elType”:”widget”,”settings”:{“editor”:”

De ene keer ontmoet je een taxichauffeur zoals Alexander in Berlijn, die zijn vak al tientallen jaren uitoefent en het klantenbelang hoog in het vaandel heeft staan. Zijn verhalen over de uitdagingen in de sector, zoals te veel concurrentie en druk op de inkomsten, maken duidelijk dat het geen gemakkelijke markt is. Toch blijft hij zich aan de regels houden en probeert hij zijn klanten een veilige, comfortabele rit te bieden.

meterprijs

Maar dan zijn er de tegenvallende ervaringen. Je stapt in een taxi en voordat je het weet, ben je verwikkeld in een discussie over de meterprijs, zoals mij in Berlijn overkwam. Een chauffeur die zich niet aan de regels houdt, niet eens de moeite neemt om de meter in te schakelen, en die vervolgens gevaarlijke manoeuvres uithaalt om tijd te besparen, zorgt ervoor dat die ene slechte rit alle positieve ervaringen overschaduwt. Op dat moment maakt het niet uit hoe goed de sector in theorie kan zijn u2013 de praktijk drukt je met de neus op de feiten.

Je kunt als leverancier zoveel mogelijk positieve punten aanhalen, zoals de strikte regelgeving die in veel steden geldt voor taxi’s, de training die chauffeurs moeten doorlopen en de betrouwbaarheid van gecertificeerde taxibedrijven. Maar u00e9u00e9n slechte ervaring kan de inspanningen van tientallen goede chauffeurs tenietdoen. De taxisector blijft afhankelijk van de individuele chauffeur achter het stuur, en zolang niet elke chauffeur hetzelfde serviceniveau biedt, blijft de reputatie van de branche kwetsbaar.

Een oplossing kan zijn om je te richten op de positieve ontwikkelingen in de sector. In sommige steden worden steeds strengere regels ingevoerd, worden taxi’s uitgerust met elektrische voertuigen om de milieu-impact te verminderen, en zijn er nieuwe technologische oplossingen die zorgen voor transparante tarieven en betere klantbeoordelingen. Als leverancier zou je kunnen helpen om de branche te moderniseren en meer focus te leggen op klanttevredenheid en servicekwaliteit.

uitdaging

Toch blijft het een uitdaging om de negatieve ervaringen volledig uit te wissen. Misschien is het wel juist die eerlijkheid die jouw verhalen meer kracht geeft. Door ook de negatieve aspecten te benoemen en niet alleen maar rooskleurige verhalen te delen, toon je aan dat je de realiteit onder ogen ziet. Dat kan ervoor zorgen dat jouw pogingen om de sector in een positief daglicht te stellen, uiteindelijk meer geloofwaardig overkomen.

Je kunt proberen om in gesprek te gaan met de taxibedrijven waarmee je samenwerkt, om te begrijpen hoe zij omgaan met klantfeedback en slechte ervaringen. Door die input te gebruiken in je eigen verhalen, kun je niet alleen bijdragen aan een betere beeldvorming van de sector, maar ook helpen om de kwaliteit van de dienstverlening te verbeteren. Wie weet lukt het dan wu00e9l om die positieve toon aan te slaan die je zo graag zou willen zien, zowel in mijn eigen ervaring als in de verhalen die ik schrijf.

“},”elements”:[],”widgetType”:”text-editor”},{“id”:”117bc53″,”elType”:”widget”,”settings”:{“wp”:{“title”:””,”message”:”86″}},”elements”:[],”widgetType”:”wp-widget-xyz_insert_code_widget”},{“id”:”77f904c”,”elType”:”widget”,”settings”:{“wp”:{“title”:””,”message”:”29″}},”elements”:[],”widgetType”:”wp-widget-xyz_insert_code_widget”},{“id”:”74b2276″,”elType”:”widget”,”settings”:{“wp”:{“title”:””,”message”:”92″}},”elements”:[],”widgetType”:”wp-widget-xyz_insert_code_widget”},{“id”:”f50602f”,”elType”:”widget”,”settings”:{“wp”:{“title”:””,”message”:”2″}},”elements”:[],”widgetType”:”wp-widget-xyz_insert_code_widget”}],”isInner”:false}],”isInner”:false}]

Symbool van falend beleid rond energie: roltrappen uit en vertrouwen weg in Utrecht

Het uitschakelen van roltrappen in een publieke voorziening is geen structurele oplossing voor de problemen op het elektriciteitsnet.

Het besluit van Bibliotheek Utrecht om bij temperaturen vanaf 27 graden de roltrappen in de vestigingen Neude en Hoograven stil te zetten, wordt naar buiten gebracht als een verstandige poging om het elektriciteitsverbruik terug te dringen. Bezoekers worden geacht vaker de trap te nemen, terwijl de liften beschikbaar blijven voor mensen die daar afhankelijk van zijn. Op het eerste gezicht lijkt het een kleine ingreep, een praktische aanpassing die nauwelijks impact zou moeten hebben. Juist die ogenschijnlijke eenvoud maakt de maatregel echter zo veelzeggend.

Het uitschakelen van roltrappen in een publieke voorziening is geen structurele oplossing voor de problemen op het elektriciteitsnet. Het is een zichtbaar symptoom van een dieperliggend probleem dat al jaren bekend is. Achter deze keuze schuilt een ongemakkelijke realiteit waarin beleidsmakers, toezichthouders en netbeheerders er niet in zijn geslaagd om de noodzakelijke infrastructuur tijdig op orde te brengen.

geen tekort aan stroom

Nederland kampt immers niet met een tekort aan opgewekte elektriciteit. Het knelpunt zit in de capaciteit van het netwerk om die energie te transporteren naar de plekken waar en wanneer die nodig is. Terwijl burgers werden gestimuleerd om over te stappen op elektrisch rijden, te koken op inductie en hun woningen te verduurzamen met warmtepompen en zonnepanelen, bleef de uitbreiding van kabels en stations achter. De gevolgen daarvan worden nu steeds tastbaarder.

De situatie in Utrecht onderstreept die ontwikkeling op pijnlijke wijze. Vanaf 1 juli bereikt de netcongestie daar een niveau waarop zelfs kleinere verbruikers te maken kunnen krijgen met wachttijden voor een aansluiting. Dat betekent in de praktijk dat een complete regio tegen haar grenzen aanloopt. Nieuwe woningen kunnen niet zonder meer worden aangesloten, bedrijven worden afgeremd in hun groei en verduurzaming, en huishoudens lopen vast wanneer zij hun energievoorziening willen moderniseren.

geloofwaardigheid

De ambities van de gemeente Utrecht om duizenden woningen per jaar te realiseren, komen daarmee onder druk te staan. Plannen voor grootschalige woningbouw verliezen aan geloofwaardigheid wanneer de basisvoorzieningen ontbreken. Zonder aansluiting op het elektriciteitsnet blijft een woning, hoe duurzaam ook ontworpen, in feite onbruikbaar. Het contrast tussen de gepresenteerde miljardenplannen en de praktische uitvoerbaarheid daarvan wordt hiermee steeds scherper zichtbaar.

In dat licht krijgt de maatregel van Bibliotheek Utrecht een andere lading. De instelling probeert binnen haar mogelijkheden een bijdrage te leveren, maar wordt tegelijkertijd onderdeel van een bredere verschuiving waarbij de verantwoordelijkheid voor een systeemprobleem steeds vaker bij individuele organisaties en burgers wordt neergelegd. De vraag dringt zich op hoeveel effect het daadwerkelijk heeft om enkele roltrappen uit te schakelen. Het is moeilijk voor te stellen dat deze ingreep substantieel bijdraagt aan het oplossen van capaciteitsproblemen op regionaal niveau.

Het is te simpel om dit direct als een gevolg van alleen D66-beleid te bestempelen. Daar zit wel politieke lading in, maar het doet geen recht aan hoe dit probleem is ontstaan. De problemen rond het stroomnet zijn het resultaat van jarenlang beleid en keuzes van meerdere kabinetten, provincies, gemeenten, toezichthouders en netbeheerders. D66 heeft in recente jaren een duidelijke rol gespeeld in het versnellen van de energietransitie — denk aan stimulering van elektrificatie, duurzaamheid en klimaatdoelen — en daar kun je kritisch op zijn. Een terechte kritiek is dat de nadruk op snelle elektrificatie niet altijd gepaard is gegaan met even snelle uitbreiding van de infrastructuur. Maar die achterstand op het elektriciteitsnet gaat verder terug dan één partij of één kabinetsperiode. Wat je wél kunt zeggen, als je het scherp formuleert, is dat meerdere politieke partijen — waaronder D66 — de vraag naar elektriciteit actief hebben aangejaagd, terwijl de uitbreiding van het net daar structureel bij achterbleef. Dat spanningsveld zie je nu terug in dit soort maatregelen.

Daarbij komt dat roltrappen in een openbare bibliotheek geen overbodige luxe zijn. Ze vervullen een praktische functie voor uiteenlopende bezoekers, van ouderen en ouders met kinderen tot mensen die slecht ter been zijn of zware spullen bij zich dragen. Hoewel de liften beschikbaar blijven, betekent het stilleggen van roltrappen wel degelijk een verslechtering van de toegankelijkheid en het comfort.

De symboliek is daardoor moeilijk te negeren. Bezoekers krijgen feitelijk de boodschap dat zij hun gedrag moeten aanpassen omdat de infrastructuur tekortschiet. Dat roept vragen op over de rol van de overheid en de mate waarin deze haar eigen ambities heeft afgestemd op de uitvoeringscapaciteit.

De stilgelegde roltrappen zijn dus minder een “D66-probleem” en meer een symptoom van breed bestuurlijk falen over meerdere jaren en bestuurslagen. Als je het toch politiek wilt duiden, dan gaat het eerder om een collectieve onderschatting van de uitvoeringskant van de energietransitie dan om één partij die dit heeft veroorzaakt.

Het vooruitzicht op verbetering biedt weinig houvast. Uitbreidingen van belangrijke hoogspanningsstations in de regio laten mogelijk tot 2031 op zich wachten. Dat betekent dat de huidige beperkingen geen tijdelijk ongemak zijn, maar een situatie waarmee nog jaren rekening moet worden gehouden. Tijdelijke oplossingen zoals batterijen, flexibele tarieven en het gebruik van gasgeneratoren kunnen enige verlichting bieden, maar lossen het fundamentele probleem niet op.

energietransitie

Het gebruik van gasgestookte noodvoorzieningen om een overbelast elektriciteitsnet te ondersteunen, legt bovendien een pijnlijke tegenstrijdigheid bloot. Terwijl burgers worden aangespoord om afscheid te nemen van aardgas, blijkt datzelfde gas in sommige gevallen nodig om de gevolgen van de energietransitie op te vangen.

Netcongestie wordt vaak gepresenteerd als een complex technisch vraagstuk. Dat is het zonder twijfel. Tegelijkertijd was de groei van de vraag naar elektriciteit geen verrassing. De signalen dat het netwerk onder druk zou komen te staan, waren al geruime tijd aanwezig. Het uitblijven van tijdige maatregelen maakt het moeilijk om de huidige situatie uitsluitend toe te schrijven aan onvoorziene omstandigheden.

De stilstaande roltrappen in Utrecht vormen daarmee meer dan een lokale ingreep. Ze staan symbool voor een land dat grote ambities heeft geformuleerd, maar er niet in slaagt de noodzakelijke randvoorwaarden gelijktijdig te realiseren. Economische groei, woningbouw en verduurzaming komen daardoor in elkaars vaarwater terecht.

verantwoordelijkheid

Wat resteert is een beeld dat moeilijk te negeren valt. In een land dat zich profileert als modern en vooruitstrevend, worden publieke voorzieningen aangepast om een tekort aan infrastructuur op te vangen. Het is een ontwikkeling die niet alleen vragen oproept over de huidige aanpak, maar ook over de manier waarop toekomstige uitdagingen worden voorbereid.

Zolang er geen duidelijke antwoorden komen op wie verantwoordelijk is voor de vertragingen en hoe deze in de toekomst worden voorkomen, blijft het ongemakkelijke gevoel bestaan dat de rekening van jarenlang uitstelgedrag uiteindelijk bij de samenleving wordt neergelegd. De roltrappen mogen dan stilstaan, de discussie over bestuurlijk falen komt daarmee juist in beweging.

Inzet raakt buurt: Eindhovense hulpdiensten oogsten lof na bijzondere reddingsactie

Hulpdiensten maken het verschil na indrukwekkende samenwerking bij het redden van zwaargewonde Canadese gans.

Hulpdiensten in Eindhoven hebben opnieuw laten zien dat hun inzet verder reikt dan alleen het helpen van mensen. Een zwaargewonde Canadese gans werd het middelpunt van een opvallende reddingsactie waarbij politie, brandweer, een duikteam en de dierenambulance de handen ineensloegen om het dier uit zijn benarde situatie te bevrijden.

Buurtbewoners troffen de Canadese gans enkele dagen geleden aan in zorgwekkende toestand. Het dier bleek ernstig gewond door achtergelaten vistuig. Een dobber met een vislijn was dwars door de hals van de gans geraakt, wat voor een schrijnend tafereel zorgde. Alsof dat nog niet genoeg was, had de vogel ook een vishaak ingeslikt, waardoor zijn situatie verder verslechterde.

dierenambulance

De eerste reactie van de dierenambulance was terughoudend. Er werd aangegeven dat men niet direct ter plaatse kon komen, maar dat de gans wel opgehaald zou worden als het de buurtbewoners zou lukken het dier zelf te vangen. Dat bleek echter geen eenvoudige opgave. Ondanks zijn verwondingen wist de gans zich nog voort te bewegen en liet hij zich niet zomaar benaderen, wat de reddingspogingen bemoeilijkte.

De ontlading bij de buurtbewoners was groot toen de nijlgans uiteindelijk door de brandweer werd bevrijd. Omstanders, die eerder al meerdere pogingen hadden gedaan om het dier te vangen, konden hun emoties niet bedwingen en stonden zichtbaar in tranen langs de waterkant. De aanblik van het gewonde dier had diepe indruk gemaakt en de mislukte reddingspogingen zorgden voor machteloosheid en spanning.

Vastberaden om het dier te helpen, ondernamen de buurtbewoners vandaag opnieuw een poging. Ditmaal kregen zij hulp uit onverwachte hoek. De politie besloot twee agenten naar de locatie te sturen om de situatie te ondersteunen. Kort daarna volgde een grotere inzet van hulpdiensten. Binnen een kwartier verschenen er twee brandweerwagens en meerdere leden van het duikteam op de plek van het incident.

reddingsactie

De reddingsactie werd met uiterste zorg uitgevoerd. Het was van groot belang dat de Canadese gans niet nog meer letsel zou oplopen tijdens de bevrijding. De hulpverleners en buurtbewoners werkten nauw samen en namen de tijd om het dier rustig te benaderen en de situatie goed in te schatten. Na ongeveer twintig minuten lukte het de brandweer om de dobber en de vislijn, die door de hals van de gans zaten, zorgvuldig te verwijderen.

Foto: © Pitane Blue
– duikteam brandweer Eindhoven

Dit voorval onderstreept dat hulpdiensten zich niet beperken tot menselijke noodsituaties. Wanneer een dier in problemen verkeert, staan zij net zo goed klaar om hulp te bieden. De redding van de Canadese gans in Eindhoven laat zien dat betrokkenheid en samenwerking levens kunnen redden, ongeacht of het om mens of dier gaat.

Hoewel dit een belangrijke stap was, was de reddingsoperatie daarmee nog niet afgerond. De ingeslikte vishaak vormde nog altijd een ernstig risico voor de gezondheid van het dier. Niet veel later arriveerde alsnog de dierenambulance om de Canadese gans op te halen. Het dier werd meegenomen voor verdere medische behandeling, waarbij de vishaak op een veilige manier verwijderd zal worden.

signaleren

De gezamenlijke inspanning van alle betrokkenen maakte een groot verschil. Oplettende buurtbewoners speelden een cruciale rol door de situatie te signaleren en niet op te geven, terwijl de hulpdiensten hun expertise en middelen inzetten om het dier daadwerkelijk te redden. De samenwerking tussen politie, brandweer, duikteam en dierenambulance verliep soepel en doelgericht.

Foto: © Pitane Blue
– gewonde Canadese gans

Het is geen vrijblijvende oproep, maar een dringende verantwoordelijkheid voor iedere visser om zijn plek schoon achter te laten. Alleen door bewust en zorgvuldig om te gaan met vismateriaal kan worden voorkomen dat dieren het slachtoffer worden van menselijk nalatig gedrag.

Het incident met de zwaargewonde gans onderstreept een probleem dat vaker voorkomt in natuurgebieden: achtergelaten visgerei vormt een ernstig gevaar voor dieren. In rietkragen en langs oevers blijven regelmatig dobbers, lijnen en haken achter, die voor vogels en andere dieren letterlijk levensgevaarlijk zijn. Zij raken verstrikt, slikken scherpe haken in of lopen diepe verwondingen op, met soms fatale gevolgen. Het is daarom van groot belang dat vissers hun materiaal altijd volledig meenemen en geen resten achterlaten in de natuur. Een kleine nalatigheid kan grote gevolgen hebben voor dieren die nietsvermoedend hun leefgebied gebruiken.

Ondernemer trekt grens: installateur zet streep door Eindhoven en wijst naar emissieregels

Installatiebedrijf waarschuwt voor gevolgen voor klanten en tarieven, de ondernemer kiest voor duidelijkheid en laat nieuwe klussen in stad schieten.

De discussie over zero-emissiezones in Eindhoven bereikt een nieuw kantelpunt nu installatiebedrijf Verspeek een opvallend besluit heeft genomen. Ondernemer Martijn Verspeek heeft aangekondigd dat zijn bedrijf vrijwel de hele stad uit het werkgebied schrapt voor nieuwe opdrachten. Die keuze volgt op de verwachte uitbreiding van de zero-emissiezone, die volgens eerdere plannen vanaf 1 januari 2027 binnen de ring van kracht wordt en op termijn mogelijk verder wordt uitgebreid.

Verspeek stelt dat zijn bedrijf al eerder een vergelijkbare afweging maakte toen duidelijk werd dat strengere eisen voor bedrijfswagens binnen de ring zouden gaan gelden. Sindsdien worden er geen nieuwe werkzaamheden meer aangenomen in dat gebied. De recente signalen over een mogelijke uitbreiding richting de rest van Eindhoven, met een horizon die tot 2038 zou kunnen reiken, hebben hem ertoe gebracht om een volgende stap te zetten.

Volgens de ondernemer draait het besluit vooral om eerlijkheid richting klanten. Hij wil voorkomen dat zijn bedrijf installaties plaatst die later niet meer goed onderhouden kunnen worden doordat servicewagens de stad niet meer in mogen. Verspeek benadrukt dat bestaande klanten en lopende contracten gewoon worden bediend. Nieuwe aanvragen uit Eindhoven worden echter doorverwezen naar andere bedrijven.

ondernemersklimaat

Het besluit raakt een gevoelige snaar binnen het ondernemersklimaat. Voor veel vakmensen is de vraag steeds urgenter of het nog verantwoord is om nieuwe opdrachten aan te nemen in gebieden waar toekomstige regelgeving hun bereikbaarheid kan beperken. Installatiebedrijven, maar ook schilders, hoveniers en andere ambachtslieden zijn voor hun werk afhankelijk van goed uitgeruste bedrijfswagens die zwaar beladen de stad in moeten.

Verspeek wijst op de praktische beperkingen van elektrische bedrijfswagens in de huidige markt. Zijn bestaande wagenpark functioneert naar behoren en is economisch nog niet aan vervanging toe. Daarnaast noemt hij uitdagingen zoals actieradius bij zware belading, prestaties in koude omstandigheden, lange werkdagen en de logistiek rondom laden, met name in de nachtelijke uren. Ook kunnen grotere elektrische voertuigen andere rijbewijseisen met zich meebrengen, wat de inzetbaarheid van personeel beïnvloedt.

De reacties op sociale media op zijn besluit laten een verdeeld beeld zien. Een deel van de ondernemers en betrokkenen spreekt steun uit en noemt de stap logisch. Volgens hen wordt het beleid te snel ingevoerd en ontbreekt het aan voldoende oog voor de dagelijkse praktijk van vakmensen. Zij vrezen dat de gevolgen uiteindelijk zichtbaar worden in hogere tarieven of een afname van beschikbare diensten in stedelijke gebieden.

Tegelijkertijd klinkt er ook stevige kritiek. Sommige reacties stellen dat het besluit voorbarig is. In hun ogen is een periode van twaalf jaar lang genoeg om technologische ontwikkelingen af te wachten en het wagenpark geleidelijk te verduurzamen. Elektrische bedrijfswagens maken volgens deze groep een snelle ontwikkeling door, waardoor de huidige beperkingen in de toekomst mogelijk grotendeels verdwijnen.

Daarnaast wordt de schijnbare tegenstelling benoemd tussen het aanbieden van duurzame installaties en het terughoudend zijn in de elektrificatie van het eigen vervoer. Voor sommige critici wringt het dat een bedrijf inzet op energietransitie bij klanten, maar zelf aarzelt bij de overstap naar elektrisch rijden. Anderen verwerpen dat argument en stellen dat duurzaamheid niet betekent dat goed functionerende voertuigen voortijdig vervangen moeten worden als daar nog geen volwaardig alternatief voor is.

Foto: © Pitane Blue
– Eindhoven centrum

Een belangrijk thema dat steeds terugkeert in de discussie is de voorspelbaarheid van beleid. Ondernemers investeren voor de lange termijn en hebben behoefte aan stabiele regels. Veranderende voorwaarden en onduidelijkheid over uitzonderingen maken het lastig om strategische keuzes te maken. Niet alleen de aanschaf van voertuigen speelt een rol, maar ook randvoorwaarden zoals laadmogelijkheden, parkeerdruk en de praktische bereikbaarheid van werkplekken.

Er zijn ook stemmen die benadrukken dat zero-emissiezones onvermijdelijk zijn in de ontwikkeling naar schonere steden. Vanuit dat perspectief wordt het besluit van Verspeek gezien als een krachtig signaal, maar ook als een risico. De extra aandacht kan helpen om het debat aan te jagen, maar kan tegelijkertijd klanten afschrikken die juist bewust kiezen voor duurzame oplossingen.

technologische vooruitgang

De kern van de kwestie ligt uiteindelijk bij vertrouwen. Vertrouwen in technologische vooruitgang, in uitvoerbaar overheidsbeleid en in de mogelijkheid voor ondernemers om hun investeringen terug te verdienen zonder voortdurend geconfronteerd te worden met nieuwe regels. Het besluit van Verspeek maakt duidelijk hoe concreet en ingrijpend deze discussie is voor bedrijven die dagelijks afhankelijk zijn van mobiliteit.

Met zijn keuze schept de ondernemer duidelijkheid: geen nieuwe opdrachten meer in Eindhoven, terwijl bestaande klanten blijven rekenen op service. Of dat getuigt van vooruitziend ondernemerschap of een te vroege terugtrekking, blijft onderwerp van debat. Duidelijk is wel dat zero-emissiezones voor veel ondernemers allang geen abstract beleidsinstrument meer zijn, maar een factor die direct ingrijpt in hun bedrijfsvoering.

Voor steden die afhankelijk zijn van vakmensen ligt hier een belangrijke uitdaging. De overstap naar schonere mobiliteit vraagt niet alleen om ambitieuze doelen, maar ook om praktische uitvoerbaarheid. Zonder voldoende laadpunten, duidelijke overgangsregelingen en betaalbare oplossingen dreigt de balans zoek te raken, met gevolgen die uiteindelijk voelbaar zijn voor bewoners en bedrijven in de stad.

Onbeperkt reizen klinkt mooi: Valys onder druk door plannen rond kilometerbudget

Kabinet volgt advies en houdt vast aan huidige regels, onderzoek waarschuwt voor gevolgen afschaffen PKB.

De discussie over het al dan niet afschaffen van het Persoonlijk Kilometerbudget (PKB) binnen de Valys-regeling heeft de afgelopen maanden flink aan kracht gewonnen. Wat op het eerste gezicht een aantrekkelijke maatregel lijkt voor reizigers met een mobiliteitsbeperking, blijkt in de praktijk een complex dossier met verstrekkende gevolgen. Uit een uitgebreid onderzoek van adviesbureau Berenschot, uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), komt naar voren dat het schrappen van het PKB weliswaar voordelen oplevert voor individuele gebruikers, maar tegelijkertijd grote druk zet op het bredere systeem van doelgroepenvervoer.

motie-Agema

De aanleiding voor het onderzoek ligt bij de motie-Agema, die in april 2024 door de Tweede Kamer werd aangenomen. In deze motie werd de regering verzocht om zowel de kilometerregistratie als het PKB binnen Valys af te schaffen. Het idee daarachter is dat pashouders onbeperkt gebruik zouden moeten kunnen maken van bovenregionaal taxivervoer, zonder gebonden te zijn aan een jaarlijks maximum aantal kilometers.

Valys is specifiek bedoeld voor mensen met een mobiliteitsbeperking die sociaal-recreatieve reizen willen maken buiten hun eigen regio. Momenteel krijgen gebruikers een persoonlijk kilometerbudget toegewezen. Voor 2026 ligt dat op 700 kilometer per jaar, terwijl mensen met een ernstige mobiliteitsbeperking recht hebben op 2.350 kilometer. Hoewel Valys-taxiritten officieel bedoeld zijn als aanvulling op treinreizen, bijvoorbeeld voor vervoer van huis naar station, blijkt uit de praktijk dat veel reizigers het systeem gebruiken voor volledige ritten van deur tot deur.

diepgaand onderzoek

Om de mogelijke gevolgen van het afschaffen van het PKB goed in kaart te brengen, voerde Berenschot een diepgaand onderzoek uit. Daarbij werd niet alleen gekeken naar documenten en juridische aspecten, maar ook naar ervaringen van betrokken partijen. Opvallend is dat er bovendien een uitgebreide simulatie werd uitgevoerd op basis van geanonimiseerde historische rittendata. Daarmee konden de onderzoekers concreet berekenen wat er zou gebeuren bij het loslaten van de huidige beperkingen.

Volgens Valentin Schedereit, senior consultant mobiliteit bij Berenschot, leverde die aanpak waardevolle inzichten op. Hij stelt: “Bij dit onderzoek wilden we niet alleen afgaan op kwalitatieve data. Met een simulatie op basis van historische rittendata hebben we kunnen kwantificeren wat er gebeurt als het PKB wordt afgeschaft. Daaruit blijkt dat de vraag naar Valys naar verwachting fors stijgt, met ten minste 10 tot 14 procent.”

Die verwachte stijging van de vraag heeft directe gevolgen voor het totale vervoerssysteem. Valys staat namelijk niet op zichzelf, maar maakt gebruik van dezelfde vervoerders en chauffeurs als andere vormen van doelgroepenvervoer, zoals het Wmo-vervoer, leerlingenvervoer en zittend ziekenvervoer. Een toename van het aantal Valys-ritten kan daardoor leiden tot verdringing en capaciteitsproblemen in deze andere sectoren.

De uitkomst van het onderzoek onderstreept dat ogenschijnlijk eenvoudige beleidskeuzes grote gevolgen kunnen hebben. Wat begint als een maatregel om individuele vrijheid te vergroten, kan uitmonden in een complexe herverdeling van schaarse capaciteit binnen een kwetsbaar vervoerssysteem.

Uit de scenarioanalyse van Berenschot komt dan ook een duidelijk beeld naar voren. Op korte termijn profiteren individuele reizigers van meer vrijheid en flexibiliteit als het PKB wordt afgeschaft. Op langere termijn ontstaan echter serieuze risico’s voor de stabiliteit en beheersbaarheid van het gehele systeem. Het rapport spreekt zelfs van “zeer negatieve effecten” voor het doelgroepenvervoer als geheel wanneer de maatregel volledig wordt doorgevoerd.

Na het afwegen van verschillende scenario’s concludeert Berenschot dat het huidige systeem het meest robuust is. Het biedt volgens de onderzoekers de beste balans tussen toegankelijkheid, beheersbaarheid en risico’s. Mocht de politiek toch gedeeltelijk tegemoet willen komen aan de wens uit de motie-Agema, dan adviseert het bureau om het hogere PKB te verdubbelen van 2.350 naar 4.700 kilometer per jaar. Daarmee zou een deel van de vraag worden opgevangen zonder het systeem volledig uit balans te brengen.

kilometerregistratie

Ook de kilometerregistratie zelf blijkt volgens het onderzoek onmisbaar. Deze registratie is essentieel voor de planning van ritten, de financiële afhandeling en de verantwoording van het gebruik van de regeling. Het schrappen ervan zou volgens Berenschot tot grote praktische problemen leiden.

Het ministerie van VWS heeft inmiddels laten weten het advies van Berenschot over te nemen. In een brief aan de Tweede Kamer licht de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport toe dat het afschaffen van het PKB niet wenselijk wordt geacht. Tegelijkertijd wordt vooruitgekeken naar de toekomst van Valys. Daarbij wordt benadrukt dat de regeling moet worden bezien in samenhang met de ontwikkeling van toegankelijk openbaar vervoer en een bredere langetermijnvisie op publieke mobiliteit.

CROW aanpak moet vervoer redden: busjes weg en ritten omlaag

Publieke mobiliteit moet zich ontwikkelen van een verzameling losse regelingen naar één samenhangend systeem voor de reiziger. Dat is de centrale boodschap van Nico van Paridon van Co Mobiliteit.

Overheden, vervoerders en kennisinstellingen zoeken nadrukkelijk naar manieren om het versnipperde mobiliteitslandschap in Nederland te stroomlijnen. De reiziger moet daarbij centraal komen te staan, in plaats van het systeem zelf. Die boodschap klonk luid en duidelijk tijdens het Kenniscafé Publieke mobiliteit in Utrecht, waar tientallen professionals bijeenkwamen om te praten over de toekomst van vervoer in Nederland.

De bijeenkomst bracht vertegenwoordigers samen van gemeenten, provincies, vervoerbedrijven en het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Onder leiding van CROW-kenniswerker Mathijs den Otter werd gekeken naar de vraag hoe openbaar vervoer, doelgroepenvervoer en deelmobiliteit beter op elkaar kunnen aansluiten. De rode draad door alle gesprekken was dat samenwerking essentieel is om tot een toekomstbestendig systeem te komen.

reiziger centraal

Matthijs Barendse van de Provincie Overijssel liet er geen twijfel over bestaan waar de grootste uitdaging ligt. “Niet het vervoersysteem, maar de reiziger staat centraal,” stelde hij. Ondanks die ogenschijnlijk logische insteek is de praktijk volgens hem anders. Het huidige mobiliteitsaanbod bestaat uit losse onderdelen die vaak langs elkaar heen werken. Openbaar vervoer, leerlingenvervoer en Wmo-vervoer functioneren veelal afzonderlijk, terwijl ze in feite dezelfde maatschappelijke taak dienen.

Volgens Barendse is een fundamentele omslag nodig. Overijssel kampt met vergrijzing, personeelstekorten en teruglopende bezettingsgraden. Tegelijkertijd verschillen de behoeften per regio sterk. “Publieke mobiliteit vraagt daarom niet om één blauwdruk, maar om maatwerk binnen een gezamenlijke visie.” In Zwolle wordt daar al mee geëxperimenteerd. Door het leerlingenvervoer anders te organiseren, verdwenen dertig busjes en nam het aantal ritten met ongeveer veertig procent af. Zulke ingrepen tonen volgens hem aan dat slim organiseren vaak effectiever is dan simpelweg meer vervoer inzetten.

Data spelen daarbij een sleutelrol. Analyses laten zien dat een kleine groep reizigers verantwoordelijk is voor een groot deel van de ritten, terwijl veel pashouders hun vervoerspas nauwelijks gebruiken. Dat roept fundamentele vragen op over hoe voorzieningen worden ingericht en benut. Data helpen niet alleen bij het maken van beleid, maar ook bij het voeren van het gesprek tussen betrokken partijen.

samenwerking centraal

Namens het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat benadrukte Bart Snel dat de ontwikkeling van publieke mobiliteit tijd vraagt. Hij sprak over een geleidelijke aanpak, waarin samenwerking en kennisdeling centraal staan. “Publieke mobiliteit heeft veel potentie, maar vraagt ook om een lange adem.” Het ministerie kiest er bewust voor om geen landelijk systeem op te leggen. In plaats daarvan wordt ingezet op regionale initiatieven, een gezamenlijke inhoudelijke agenda en een interbestuurlijk programma.

Snel wees erop dat verplichte samenwerking vaak weerstand oproept. “Duurzame verandering ontstaat alleen wanneer regio’s en gemeenten zelf gemotiveerd zijn.” Daarbij spelen thema’s als digitalisering, deelmobiliteit en data-uitwisseling een steeds grotere rol. Ook kunstmatige intelligentie werd genoemd als kansrijke ontwikkeling, bijvoorbeeld bij het efficiënter plannen van ritten.

Foto: © Pitane Blue – ouder koppel bij de bushalte

De provincie Overijssel probeert haar mobiliteitsvisie steeds nadrukkelijker te vertalen naar de praktijk, met een reeks concrete experimenten die laten zien hoe het anders kan. Niet door simpelweg meer voertuigen in te zetten, maar juist door bestaande systemen slimmer te organiseren. In Zwolle werpt die aanpak inmiddels zichtbaar zijn vruchten af.
Daar is het leerlingenvervoer ingrijpend aangepast. Waar voorheen sprake was van een versnipperd systeem met veel losse ritten, is gekozen voor een efficiëntere inrichting met vaste routes. Die verandering heeft geleid tot een forse reductie van het aantal voertuigen op de weg. Maar liefst dertig busjes konden worden geschrapt, terwijl tegelijkertijd het aantal vervoerbewegingen met ongeveer veertig procent is afgenomen. Het resultaat is niet alleen een besparing in kosten, maar ook een vermindering van de druk op het verkeer en het personeelstekort dat in de sector speelt.

De ingreep in Zwolle staat niet op zichzelf, maar maakt deel uit van een bredere strategie waarin Overijssel zoekt naar manieren om verschillende vormen van vervoer beter op elkaar af te stemmen. Ook binnen het Wmo-vervoer worden nieuwe modellen onderzocht. Daarbij kijkt de provincie nadrukkelijk naar de mogelijkheden van een zogenoemde Open House-constructie. In zo’n systeem krijgen meerdere lokale vervoerders de kans om diensten aan te bieden, wat volgens de provincie kan leiden tot meer keuzevrijheid voor gebruikers en een hogere kwaliteit van dienstverlening.

Nico van Paridon van Co Mobiliteit sloot daarop aan met de resultaten van een landelijk onderzoek. Hij ziet vooral versnippering als grootste obstakel. Verschillende regels, financieringsstromen en verantwoordelijkheden maken het lastig om systemen te integreren. Tijdens bezoeken aan gemeenten viel hem op dat afdelingen vaak langs elkaar heen werken. “Medewerkers uit het mobiliteitsdomein en het sociale domein kennen elkaar vaak nauwelijks.”

Van Paridon pleit voor meer standaardisatie en een gezamenlijke aanpak, vergelijkbaar met de ontwikkeling van landelijke reisinformatie in het openbaar vervoer. Hij introduceerde het idee van een landelijke Code Publieke Mobiliteit, met afspraken over standaarden en werkwijzen. “Organisaties kunnen daarvan afwijken, mits zij uitleggen waarom.” Ook vrijwilligersvervoer krijgt veel aandacht. Verschillende aanwezigen zien daarin een onmisbare schakel, vooral in kleinere kernen. Van Paridon noemt het een logische aanvulling op de huidige definitie van Publieke Mobiliteit 1.0.

één systeem

De ambitie is helder: één systeem waarin reizigers eenvoudig hun reis kunnen plannen, boeken en betalen. Toch is de weg daarnaartoe lang en complex. Privacyvraagstukken, financiering en regionale verschillen maken snelle vooruitgang lastig. Tegelijkertijd groeit het besef dat samenwerking onvermijdelijk is.

De bijeenkomst in Utrecht maakte duidelijk dat de eerste stappen zijn gezet, maar dat er nog veel werk te doen is. Ideeën voor toekomstige kenniscafés variëren van kunstmatige intelligentie tot vrijwilligersvervoer en betere data-uitwisseling. De gedeelde ambitie blijft echter hetzelfde: een toegankelijk, betaalbaar en samenhangend mobiliteitssysteem waarin de reiziger daadwerkelijk centraal staat.

Bron: CROW

Kermis wordt duurder en groter: toch blijft het volksfeest onmisbaar voor de samenleving

De zomerkermis is allang geen onschuldig volksvermaak meer.

De zomerkermis is in Nederland en Vlaanderen allang niet meer het eenvoudige vermaak van botsauto’s en suikerspinnen alleen. Wat ooit begon als een verzameling attracties op een plein, is uitgegroeid tot een grootschalig evenement dat complete binnensteden tijdelijk op z’n kop zet. Straten worden afgesloten, verkeersstromen omgelegd en hele stadsdelen krijgen een andere functie. Tegelijkertijd blijft de kermis diep geworteld in de samenleving als ontmoetingsplek en cultureel erfgoed.

Grote stadskermissen, zoals die in Tilburg en Gent, trekken bezoekers uit de wijde regio en vereisen maandenlange voorbereiding. Tilburg spreekt zelf over een evenement dat de stad tien dagen volledig in bezit neemt. De editie van 2026 staat gepland van 17 tot en met 26 juli. In Gent is de kermis zelfs onderdeel van een breder netwerk van evenementen, waarbij de Zomerfoor samenvalt met de drukbezochte Gentse Feesten. Daarnaast blijven kleinere dorpskermissen een belangrijke rol spelen in gemeenten, waar ze vooral draaien om sociale cohesie en traditie.

impact voor mobiliteit

De impact op mobiliteit is enorm. Binnensteden veranderen tijdelijk van functie. Wegen worden afgesloten, buslijnen aangepast en parkeerplekken verdwijnen of verschuiven naar de randen van de stad. In Tilburg leidde een evaluatie van 2025 tot concrete wijzigingen voor de volgende editie, waaronder verbeterde looproutes en een betere verbinding met het station. Ook in Vlaamse steden zoals Diest en Opwijk worden tijdens kermissen straten afgesloten en parkeerverboden ingesteld om de toestroom in goede banen te leiden.

Binnensteden worden volledig op slot gegooid. Auto’s zijn niet langer welkom, straten verdwijnen achter hekken en omleidingen zorgen voor chaos. Parkeerplaatsen worden geschrapt en bewoners zoeken wanhopig naar een plekje voor hun auto. Gemeenten sturen bezoekers massaal naar de rand van de stad, waar ze via P+R-terreinen en shuttlebussen alsnog naar het centrum moeten zien te komen. Fietsers en treinreizigers krijgen voorrang, maar ook daar ontstaan opstoppingen.

Opvallend is de verschuiving richting alternatieve vervoersmiddelen. Auto’s worden steeds vaker geweerd uit het centrum, terwijl bezoekers worden aangemoedigd om met de fiets, het openbaar vervoer of via P+R-voorzieningen te komen. Tijdens grote evenementen, zoals de Gentse Feesten, blijkt dat effectief: tienduizenden fietsers maken gebruik van bewaakte stallingen en honderdduizenden reizigers stappen op tram en bus. Tegelijkertijd vormt de logistiek achter de schermen een onderschat probleem. De opbouw en afbraak van de kermis, met zware vrachtwagens en woonwagens, zorgt regelmatig voor extra drukte en hinder.

sociale waarde

Toch draait de kermis niet alleen om logistiek en economie. De sociale waarde blijft van onschatbare betekenis. Kermissen zijn plekken waar generaties samenkomen, waar families tradities voortzetten en waar ontmoeting centraal staat. Gemeenten erkennen dit steeds vaker. Zo benadrukt Maasgouw dat de kermis draait om “sfeer, ontmoeting en saamhorigheid”. De sector zelf wordt bovendien gedragen door families die het vak al generaties lang uitoefenen.

Inclusiviteit krijgt eveneens meer aandacht. Steeds vaker worden prikkelarme momenten georganiseerd voor mensen die gevoelig zijn voor drukte en geluid. Ook zijn er speciale dagen voor mensen met een beperking. Tegelijkertijd blijkt uit evaluaties dat toegankelijkheid nog niet overal op orde is. In Tilburg kwamen klachten binnen over rolstoelroutes en voorzieningen, wat aangeeft dat er nog werk te doen is.

Een bijzonder fenomeen is Roze Maandag in Tilburg. Wat begon als een feestdag binnen de kermis, is uitgegroeid tot een belangrijk sociaal-cultureel evenement. De boodschap is duidelijk: “Gewoon jezelf kunnen zijn, da’s het mooiste.” Tegelijkertijd klinkt er een serieuze ondertoon, omdat acceptatie van LHBTIQ+-personen nog altijd niet vanzelfsprekend is.

Intussen rijzen de kosten de pan uit. Veiligheid, personeel en vergunningen worden steeds duurder. Exploitanten moeten diep in de buidel tasten voor brandstof, energie en onderhoud. Die stijgende kosten worden uiteindelijk doorberekend aan het publiek. Een avondje kermis is daardoor voor veel gezinnen geen goedkoop uitje meer.

Foto: © Pitane Blue
– kermis in Best


Financieel gezien staat de sector onder druk. Waar gemeenten vroeger vooral keken naar opbrengsten uit standgelden, verschuift de focus nu naar maatschappelijke waarde. Kosten voor veiligheid, personeel en vergunningen stijgen flink. Organisatoren maken zich zorgen over deze ontwikkelingen, terwijl ook exploitanten kampen met hogere uitgaven voor energie, transport en onderhoud. Die kosten worden uiteindelijk deels doorberekend aan bezoekers, waardoor een avondje kermis duurder wordt.

gemeentelijke kosten

Daarnaast zijn de gemeentelijke kosten vaak versnipperd. Uitgaven voor politie, handhaving en schoonmaak worden verdeeld over verschillende diensten, waardoor het totaalplaatje niet altijd direct zichtbaar is. In Tilburg bleek al eerder dat de kermis niet vanzelf winstgevend is, mede door stijgende veiligheidskosten.

De afgelopen jaren is de kermissector sterk veranderd. Veiligheid en crowdmanagement spelen een grotere rol, net als duurzaamheid. Er wordt gezocht naar alternatieven voor dieselgeneratoren en naar manieren om afval te beperken, al blijkt dat in de praktijk lastig en kostbaar. Ook digitalisering doet zijn intrede, met apps, online informatie en cashless betalingen die het bezoek moeten vergemakkelijken.

kermiscultuur

Tegelijkertijd groeit de erkenning van de kermis als cultureel erfgoed. In Nederland staat de kermiscultuur inmiddels op de lijst van immaterieel erfgoed, terwijl België en Frankrijk zelfs een UNESCO-erkenning hebben gekregen. Dat onderstreept dat de kermis meer is dan een commercieel evenement.

Gemeenten zitten met een groeiend dilemma. De kermis levert lang niet altijd geld op en kost bakken met geld aan organisatie en veiligheid. Toch durft bijna niemand het evenement ter discussie te stellen. De maatschappelijke waarde weegt zwaar: de kermis brengt leven in de stad, vult terrassen en zorgt voor volle hotels.

De toekomst van de zomerkermis ligt daarmee op een spannend kruispunt. Gemeenten moeten balanceren tussen bereikbaarheid en leefbaarheid, tussen traditie en modernisering, en tussen kosten en sociale waarde. De vraag is niet langer of de kermis winst oplevert, maar of het evenement zijn rol als ontmoetingsplek en cultureel fenomeen kan blijven vervullen in een steeds complexere stedelijke omgeving.

Toch blijft de grote vraag hangen: hoe lang houdt dit stand? De druk op steden neemt toe, bewoners pikken niet alles meer en de kosten blijven stijgen. De zomerkermis staat op een kantelpunt. Wat ooit begon als een simpel uitje, is veranderd in een megaspektakel dat steden laat bruisen, maar ook op scherp zet.

Waarschuwing van vijftig organisaties: Nederland kwetsbaar voor dronechaos en satellietstoringen

Nederland moet zich sneller en beter wapenen tegen de groeiende dreiging van ongewenste drones en verstoringen van cruciale satellietsignalen.

Die dringende oproep komt van meer dan vijftig organisaties uit onder meer de energie-, telecom-, water-, transport-, financiële en defensiesector. Zij bundelden hun zorgen en aanbevelingen in een gezamenlijk advies dat vandaag is gepresenteerd tijdens een bijeenkomst van het Versnellingsnetwerk Weerbaarheid Fysieke Leefomgeving.

De boodschap is helder: de risico’s zijn allang geen theoretisch vraagstuk meer. Door toenemende geopolitieke spanningen, cyberdreigingen en kwetsbaarheden in technische systemen groeit de kans op ontwrichting van vitale infrastructuur. Denk aan energievoorziening, betalingsverkeer en transport, die in hoge mate afhankelijk zijn van goed functionerende systemen voor plaatsbepaling, navigatie en tijdsbepaling, ook wel PNT genoemd.

werk aan de winkel

Christophe van der Maat, voorzitter van het Versnellingsnetwerk, liet er geen misverstand over bestaan dat er werk aan de winkel is. “We zijn niet weerloos, maar ook nog niet weerbaar genoeg. Met meer dan vijftig partijen hebben we hier samen naar gekeken en concrete adviezen opgesteld. De analyses zijn er, het geopolitieke bewustzijn is er. Nu is het tijd om dat te vertalen naar uitvoeringskracht. Nu is het tijd om te handelen.”

Het advies richt zich nadrukkelijk zowel tot de overheid als tot vitale private partijen. Volgens de betrokken organisaties worden investeringen in weerbaarheid nu nog te vaak vooruitgeschoven. Onduidelijkheid over verantwoordelijkheden, verwachtingen en het gewenste niveau van bescherming speelt daarbij een grote rol. Het netwerk pleit daarom voor meer regie vanuit het kabinet. Heldere kaders over dreigingen en bevoegdheden moeten organisaties in staat stellen om gerichter maatregelen te nemen.

Tegelijkertijd ligt er ook een duidelijke opdracht voor het bedrijfsleven. Bedrijven worden opgeroepen om hun eigen risico’s en de mogelijke keteneffecten beter in kaart te brengen. Daarnaast is er behoefte aan intensievere samenwerking, bijvoorbeeld door kennis te delen en gezamenlijk te oefenen met crisissituaties. Ook deelname aan stresstests wordt als noodzakelijk gezien om de paraatheid te vergroten.

Illustratie: © Pitane – communicatie

De oproep uit het veld laat weinig ruimte voor twijfel: zonder snelle en concrete actie blijft Nederland kwetsbaar voor verstoringen die de samenleving diep kunnen raken.

Bij drones zit een belangrijk knelpunt in de praktijk. Steeds meer bedrijven maken zelf gebruik van drones voor inspecties en logistiek, maar zien tegelijkertijd de dreiging van ongewenste drones toenemen. Hoewel detectietechnologie zich snel ontwikkelt, ontbreekt het organisaties vaak aan bevoegdheden om daadwerkelijk in te grijpen. Het Versnellingsnetwerk vraagt daarom expliciet aandacht voor de vraag wie mag optreden bij incidenten en onder welke voorwaarden. Daarbij komt ook het vraagstuk rond het geweldsmonopolie nadrukkelijk naar voren.

duidelijke afspraken

De oproep aan het kabinet is om te onderzoeken welke interventies mogelijk zijn, wie die mag uitvoeren en hoe die inzet juridisch en praktisch geregeld kan worden. Zonder duidelijke afspraken blijft het risico bestaan dat dreigingen wel worden gesignaleerd, maar niet effectief worden aangepakt.

Naast drones vormt de afhankelijkheid van satellietsignalen een tweede grote zorg. Veel vitale processen draaien op systemen die vertrouwen op nauwkeurige tijd- en plaatsbepaling via satellieten. Verstoringen of manipulatie van die signalen kunnen verstrekkende gevolgen hebben, variërend van storingen in telecomnetwerken tot problemen in het betalingsverkeer en de energievoorziening.

Het netwerk pleit daarom voor gezamenlijke investeringen in alternatieven. Een nationaal tijdnetwerk wordt daarbij expliciet genoemd als mogelijke oplossing om minder afhankelijk te worden van externe systemen. Ook hier wordt van de overheid verwacht dat zij de regie neemt en samen met private partijen tot concrete stappen komt.

politiek

Minister Vincent Karremans van Infrastructuur en Waterstaat onderstreepte het belang van samenwerking. “Dit Versnellingsnetwerk is een goed voorbeeld van de samenwerking tussen private en publieke bedrijven en het Rijk. Het verbeteren van onze weerbaarheid moeten we namelijk samen oppakken. Deze adviezen, over drones en PNT, zijn gericht aan zowel de sector als het Rijk. Dat maakt dat ze breedgedragen en praktisch zijn. Het is nu aan ons allemaal om deze op te pakken en te verwerken in toekomstig beleid. Daar gaan we mee aan de slag.”

De betrokken ministeries hebben aangekondigd na de zomer met een gezamenlijke reactie te komen. Daarmee lijkt de eerste stap gezet, maar volgens de opstellers van het advies is snelheid cruciaal. Ondertussen gaat het Versnellingsnetwerk zelf ook door. Na de zomer worden nieuwe thema’s opgepakt om de weerbaarheid van de fysieke leefomgeving verder te versterken.

Groots plan voor bussen rond Eindhoven: concessie moet reiziger massaal verleiden

Momenteel bereidt de provincie de aanbesteding voor concessiegebied Zuidoost-Brabant voor.

Het openbaar vervoer in Zuidoost-Brabant staat aan de vooravond van een ingrijpende transformatie die zijn weerga in de regio niet kent. Met ambitieuze plannen voor nieuwe buslijnen, moderne knooppunten en een compleet vernieuwd busstation in Eindhoven wordt ingezet op een forse groei van het aantal reizigers. De verwachting is dat het gebruik van de bus in de regio de komende jaren zelfs zal verdubbelen.

De plannen zijn concreet geworden nu de provincie Noord-Brabant de aanbestedingsstrategie voor de nieuwe ov-concessie heeft vastgesteld. Daarmee wordt voor het eerst duidelijk hoe ingrijpend de veranderingen zullen zijn. De nieuwe concessie, die in de zomer van 2029 van start gaat en loopt tot 2042, moet het openbaar vervoer klaarstomen voor een regio die al jaren in hoog tempo groeit.

Brainportregio

Zuidoost-Brabant ontwikkelt zich razendsnel, met Eindhoven als kloppend hart van de Brainportregio. De toename van inwoners, bedrijven en economische activiteiten zorgt voor een groeiende druk op de bereikbaarheid. Het openbaar vervoer moet daarin een sleutelrol gaan spelen. De provincie ziet de nieuwe concessie als hét moment om die omslag te realiseren.

Gedeputeerde Stijn Smeulders schetst de omvang van de operatie treffend. “Dit wordt een aanbesteding zoals we die in Brabant nog nooit hebben gezien”, zegt hij. “Aan de ene kant heel aantrekkelijk voor de reiziger door de enorme groei van het aantal reismogelijkheden. Aan de andere kant heel uitdagend door alle bouwwerkzaamheden in het hart van Eindhoven. Niet in de laatste plaats die aan het trein- en busstation. Tijdens die verbouwing moet de winkel altijd open blijven. Dat vraagt wat van reizigers, van ons als provincie, maar zeker ook van een nieuwe concessiehouder. Die zal constant moeten inspelen op nieuwe situaties.”

sneller en direct

De plannen richten zich nadrukkelijk op twee groepen reizigers. Forensen, scholieren en spitsreizigers moeten profiteren van snellere en directere verbindingen naar belangrijke locaties zoals het centrum van Eindhoven, de luchthaven en grote bedrijventerreinen. Nieuwe knooppunten moeten ervoor zorgen dat niet alle buslijnen nog via Eindhoven Centraal hoeven te rijden, waardoor reistijden worden verkort.

Tegelijkertijd wordt ook gekeken naar de zogenoemde sociale en recreatieve reiziger. Mensen die bijvoorbeeld familie willen bezoeken of een dagje gaan winkelen, moeten eenvoudiger hun bestemming kunnen bereiken. Het streven is dat zij met maximaal één overstap op veel meer plekken kunnen komen dan nu het geval is.

Volgens Smeulders gaat de impact verder dan alleen bereikbaarheid. “De bereikbaarheid en de leefbaarheid gaan er fors op vooruit, en daarmee de vanzelfsprekendheid van het openbaar vervoer”, stelt hij. “Als je naar Utrecht of Amsterdam gaat, is de eerste gedachte ook om met het ov te reizen. Daar gaan we in Eindhoven de komende jaren ook naartoe. Niet alleen omdat het op de autowegen steeds drukker wordt. Maar juist ook omdat het openbaar vervoer zo goed en compleet is. Met snelle, comfortabele en elektrische bussen. In veel gevallen over snelle busbanen die aansluiten bij elke doelgroep en bestemming.”

nieuwe station

De uitvoering van de plannen gebeurt in fases. Bij de start van de concessie in 2029 moet al een eerste verbetering zichtbaar zijn in het aantal dienstregelingsuren. Rond 2032, wanneer een tijdelijk busstation in gebruik wordt genomen, ontstaat ruimte voor langere en meer bussen. De grootste sprong wordt verwacht in 2039, wanneer het nieuwe station in Eindhoven gereed moet zijn en verdere uitbreiding mogelijk wordt.

Foto: © Pitane Blue –
Bravo – busvervoer

De huidige, aan Hermes verleende, concessie Zuidoost-Brabant is in december 2016 gestart. Deze zou op 12 december 2026 eindigen, maar is vanwege de coronapandemie met 2,5 jaar verlengd. De opvolgende concessie start op 15 juli 2029. De provincie start de aanbesteding in de zomer van 2027 en verwacht de concessie in de winter van 2028 te gunnen.

De provincie trekt hiervoor extra geld uit. Jaarlijks wordt structureel zeven miljoen euro extra geïnvesteerd, met daarbovenop nog eens zes miljoen euro per jaar voor de exploitatie van de zogenoemde Brainportlijnen. De verwachting is dat ook de inkomsten uit reizigers sterk zullen stijgen. Waar nu dagelijks ongeveer 150.000 busritten worden gemaakt, moet dat aantal richting 2042 groeien naar zo’n 300.000 per dag.

inschrijven

De aanbesteding zelf belooft eveneens bijzonder te worden. Vervoersbedrijven krijgen vanaf de zomer van 2027 de kans om zich in te schrijven. De provincie verwacht veel belangstelling, mede omdat het op dat moment de enige grote ov-aanbesteding in Nederland zal zijn. Momenteel verzorgt Hermes het busvervoer in de regio, maar het is nog onzeker of deze partij ook na 2029 actief blijft.

De komende maanden staan in het teken van verdere uitwerking. Provinciale Staten buigen zich na de zomer over de plannen, waarna een programma van eisen wordt opgesteld. Gemeenten en andere betrokken partijen krijgen daarbij een belangrijke stem.

De ambitie is helder: een toekomstbestendig ov-systeem dat meegroeit met de regio en een volwaardig alternatief biedt voor de auto. Als de plannen slagen, wordt de bus in Zuidoost-Brabant niet langer gezien als een tweede optie, maar als een vanzelfsprekende keuze voor dagelijks vervoer.

OV-staking legt zwakke plekken bloot: regionale afhankelijkheid van vervoer opnieuw zichtbaar

Of het nu gaat om een staking in het ov of een faillissement in het regionale taxivervoer, de gevolgen komen direct terecht bij reizigers die weinig alternatieven hebben.

De impact van de landelijke ov-staking is woensdag opnieuw voelbaar geworden in het dagelijks leven van duizenden reizigers. Hoewel de grote chaos uitbleef, werd op tal van plekken pijnlijk duidelijk hoe afhankelijk Nederland nog altijd is van goed functionerend openbaar vervoer. De verstoring legde niet alleen logistieke kwetsbaarheden bloot, maar zette ook de druk op andere delen van de mobiliteitssector verder op scherp.

Al vroeg op de dag werd duidelijk dat de hinder aanzienlijk zou zijn. Treinen reden niet of slechts beperkt, bussen bleven in de remise en veel forenzen zagen zich genoodzaakt om thuis te werken of alternatieve vervoersmiddelen te zoeken. Toch bleven overvolle perrons en massale opstoppingen grotendeels uit. De staking was ruim van tevoren aangekondigd, waardoor veel reizigers hun plannen hadden aangepast. Opvallend genoeg oogden veel stations leeg, alsof de spits tijdelijk was verdwenen.

afhankelijkheid

Dat beeld verhult echter niet dat de problemen op regionaal niveau groot waren. In gebieden zoals ’t Gooi, Rotterdam, Brabant, Zeeland en de Noordkop werd de afhankelijkheid van openbaar vervoer opnieuw onderstreept. Werknemers kwamen moeilijk op hun werk, scholieren misten lessen en zorgafspraken moesten worden verzet of konden helemaal niet doorgaan. Juist in deze regio’s, waar alternatieven zoals deelmobiliteit of frequente treinverbindingen minder vanzelfsprekend zijn, werd de impact van de staking het meest gevoeld.

Na 08.00 uur kwam de dienstregeling langzaam weer op gang, maar dat ging niet zonder haperingen. Op verschillende trajecten duurde het tot ver in de late ochtend voordat treinen en bussen weer volgens schema reden. Reizigers moesten rekening houden met vertragingen, uitval en overvolle voertuigen. Het herstel verliep gefaseerd, wat betekende dat de nasleep van de staking nog urenlang merkbaar bleef.

Foto: © Pitane Blue – bushalte Eindhoven Centraal

Tegelijkertijd speelt er een ander probleem dat de kwetsbaarheid van de mobiliteitssector verder blootlegt. Het recente faillissement van Kort Personenvervoer werpt een schaduw over het doelgroepenvervoer. Waar de staking vooral incidentele reizigers trof, raakt een faillissement in deze sector juist mensen die dagelijks afhankelijk zijn van georganiseerd vervoer. Denk aan leerlingen die naar speciaal onderwijs moeten, ouderen die gebruikmaken van Wmo-vervoer en patiënten die naar zorginstellingen reizen.

Het wegvallen van een dergelijke vervoerder heeft directe en ingrijpende gevolgen. Ritjes worden geannuleerd, vaste schema’s vallen weg en kwetsbare groepen komen plotseling zonder passend vervoer te zitten. Voor hen is er vaak geen alternatief beschikbaar, waardoor de impact veel dieper gaat dan bij een reguliere verstoring in het openbaar vervoer.

geen vanzelfsprekendheid

De combinatie van een ov-staking en financiële problemen in het taxivervoer maakt één ding duidelijk: mobiliteit is geen vanzelfsprekendheid. Het systeem leunt op meerdere schakels die allemaal onder druk staan. Zodra één onderdeel wegvalt, ontstaan er direct problemen die zich snel verspreiden over het hele netwerk.

Wat woensdag zichtbaar werd, is dat Nederland weliswaar beschikt over een uitgebreid vervoerssysteem, maar dat de veerkracht ervan niet onbeperkt is. Reizigers konden zich dit keer voorbereiden, maar bij onverwachte verstoringen zou de situatie er heel anders uit kunnen zien. De afhankelijkheid van zowel openbaar vervoer als doelgroepenvervoer blijft groot, zeker voor mensen zonder alternatief.

De gebeurtenissen van de dag zetten de discussie over de toekomst van mobiliteit opnieuw op scherp. Hoe kan het systeem robuuster worden gemaakt en hoe wordt voorkomen dat kwetsbare groepen de dupe worden van stakingen of faillissementen? Die vragen zullen de komende tijd onvermijdelijk op tafel blijven liggen.

Machtige lobbyclub: KNV onmisbaar voor beleid maar niet de stem van de hele sector

Oude speerpunten verdwijnen stilletjes bij KNV terwijl nieuwe thema’s domineren.

Koninklijk Nederlands Vervoer, beter bekend als KNV, speelt al jaren een zichtbare rol binnen het Nederlandse beroepspersonenvervoer. De organisatie profileert zich als dé ondernemers- en werkgeversvereniging voor deze sector en schuift regelmatig aan bij gesprekken met overheid, vakbonden en andere betrokken partijen. Daarmee heeft KNV een stevige positie opgebouwd in discussies over mobiliteit, cao’s en aanbestedingen. Tegelijkertijd roept die rol vragen op over representativiteit en neutraliteit.

KNV omschrijft zichzelf als de ondernemersorganisatie voor het beroepspersonenvervoer in Nederland. Onder de paraplu vallen verschillende takken, zoals KNV Zorgvervoer en Taxi, Busvervoer Nederland en KNV Connected Mobility. Daarnaast verzorgt KNV het secretariaat van OV-NL en is de organisatie betrokken bij diverse stichtingen, keurmerken en samenwerkingsverbanden binnen de sector. Volgens eigen cijfers vertegenwoordigen de aangesloten leden gezamenlijk bijna tachtig procent van de markt voor personenvervoer. Voor specifieke segmenten liggen die percentages nog hoger: binnen Zorgvervoer en Taxi rond de zeventig procent en bij Busvervoer Nederland zelfs boven de vijfentachtig procent.

intensief lobbywerk

De organisatie is gevestigd in Den Haag, in de Malietoren aan de Bezuidenhoutseweg, en opereert daarmee dicht bij de politieke besluitvorming. Sinds 1 december 2024 staat voormalig staatssecretaris Fred Teeven aan het roer als voorzitter. KNV benadrukt dat hij zich richt op het behartigen van ondernemersbelangen, met aandacht voor thema’s als verduurzaming en het maatschappelijk belang van vervoer. De dagelijkse leiding ligt in handen van directeur Carlo Cahn, ondersteund door teams die zich bezighouden met onder meer openbaar vervoer, zorgvervoer, juridische zaken en public affairs.

De werkzaamheden van KNV zijn breed en raken vrijwel alle facetten van de sector. De organisatie voert intensief lobbywerk richting gemeenten, het Rijk en Europese instellingen en mengt zich actief in mobiliteitsvraagstukken. Daarnaast speelt KNV een belangrijke rol als werkgeverspartij bij cao-onderhandelingen, met name in de taxibranche en het zorgvervoer. Zo kwam de cao Zorgvervoer en Taxi 2026/2027 tot stand in samenwerking met vakbonden FNV en CNV en werd deze later algemeen verbindend verklaard. Leden kunnen bovendien rekenen op ondersteuning bij juridische kwesties, cao-vragen en geschillen.

Ook op het gebied van sectorontwikkeling laat KNV zich nadrukkelijk zien. Initiatieven rond digitalisering, duurzaamheid en nieuwe mobiliteitsvormen worden actief gestimuleerd. Binnen het programma Connected Mobility richt de organisatie zich bijvoorbeeld op MaaS-oplossingen, deelmobiliteit en de integratie van verschillende vervoersvormen. Tegelijkertijd draagt KNV bij aan kwaliteitsverbetering via projecten en kaders zoals AIM en het Kwaliteitskader Liggend Zorgvervoer, waarbij de eerste certificaten inmiddels zijn uitgereikt.

protocollen

De invloed van KNV blijkt uit een reeks concrete resultaten. Tijdens de coronapandemie werd samen met onder andere het RIVM en Zorgverzekeraars Nederland gewerkt aan protocollen voor veilig vervoer. In bredere zin speelt KNV een rol in de landelijke Verbeteragenda Doelgroepenvervoer, waarin samenwerking met ministeries en gemeenten centraal staat. Ook bij het Afsprakenkader Emissieloos Taxivervoer zat de organisatie aan tafel, waarbij zij op directeursniveau deelnam aan de stuurgroep. Met de toekomstvisie “Taxi: een onmisbare schakel” probeert KNV bovendien richting te geven aan de ontwikkeling van de sector tot 2030.

Foto: © Pitane Blue – Fred Teeven – voorzitter KNV

De balans laat zien dat KNV zich ontwikkelt van een organisatie die zich ook bezighield met concrete uitvoeringsvraagstukken naar een partij die vooral opereert op strategisch en bestuurlijk niveau. Dat levert invloed op in Den Haag en bij grote dossiers, maar kan tegelijkertijd afstand creëren tot de dagelijkse praktijk van een deel van de sector.


Die prominente rol maakt KNV zonder twijfel nuttig, vooral op institutioneel niveau. Voor een sector die bestaat uit uiteenlopende spelers biedt de organisatie een centraal aanspreekpunt richting beleidsmakers. Overheden betrekken KNV dan ook regelmatig bij belangrijke dossiers, wat onderstreept dat de organisatie bestuurlijk serieus wordt genomen. Toch geldt dat voordeel vooral voor aangesloten ondernemers en grotere vervoerders. Voor zelfstandige chauffeurs, kleine bedrijven of opdrachtgevers voelt KNV minder vanzelfsprekend als hun vertegenwoordiger.

neutraliteit

Neutraliteit is daarbij een belangrijk punt van discussie. KNV is geen onafhankelijke toezichthouder of consumentenorganisatie, maar een belangenbehartiger. De missie is duidelijk gericht op het vertegenwoordigen van leden en hun economische positie. Hoewel de organisatie samenwerkt met vakbonden en andere partijen, verandert dat niets aan de kern: KNV blijft primair een werkgeversorganisatie.

De vraag of KNV de volledige sector vertegenwoordigt, kan dan ook niet zonder nuance worden beantwoord. Hoewel een groot deel van de markt is aangesloten, bestaat de sector uit meer dan alleen deze groep. Zelfstandigen zonder aansluiting, platformchauffeurs, reizigers en opdrachtgevers vallen buiten de directe invloedssfeer. In een eerdere KNV/Ecorys-brochure werd zelfs erkend dat bepaalde groepen, zoals kleine ondernemers en zelfstandigen, ondervertegenwoordigd waren en dat cijfers over leden niet één op één konden worden doorgetrokken naar de hele branche.

Foto: © Pitane Blue – KNV Kennisfestival

Binnen Koninklijk Nederlands Vervoer speelt het zogeheten kennisplatform een ondersteunende, maar strategisch belangrijke rol. Het is geen op zichzelf staande organisatie met een eigen profiel naar buiten toe, maar eerder een verzamelnaam voor de manier waarop KNV kennis deelt, ontwikkelt en verspreidt onder leden en betrokken partijen in de sector.

Koninklijk Nederlands Vervoer (KNV) heeft zich in het verleden nadrukkelijk opgeworpen als pleitbezorger van verschillende initiatieven binnen de taxibranche en het zorgvervoer, maar niet al die inspanningen hebben de tand des tijds doorstaan. Sommige projecten verdwenen naar de achtergrond, werden overgedragen of kregen simpelweg geen vervolg. Dat roept vragen op over continuïteit en prioriteiten binnen de organisatie.

platforms en meldpunten

Een van de meest opvallende voorbeelden is de aandacht voor taxiklachten en de manier waarop deze werden geregistreerd en afgehandeld. In eerdere jaren werd er binnen de sector sterk ingezet op het verbeteren van transparantie en klantfeedback, waarbij KNV betrokken was bij initiatieven om klachten beter te structureren en inzichtelijk te maken. Platforms en meldpunten moesten bijdragen aan kwaliteitsverbetering en vertrouwen bij reizigers. Die nadruk lijkt in de huidige koers minder prominent aanwezig. Hoewel klachtenafhandeling nog steeds bestaat binnen individuele bedrijven en via lokale regelingen, is een centrale, breed gedragen sectorale aanpak zoals die eerder werd bepleit minder zichtbaar geworden.

Ook op het gebied van zelfregulering en kwaliteitsbewaking zijn verschuivingen te zien. KNV was nauw betrokken bij initiatieven die gericht waren op het versterken van keurmerken en het professionaliseren van de branche. Projecten en structuren die destijds als speerpunt werden gepresenteerd, hebben in sommige gevallen plaatsgemaakt voor nieuwe samenwerkingsvormen of zijn geïntegreerd in andere organisaties. Daarmee is de zichtbaarheid van KNV als directe drijvende kracht achter bepaalde kwaliteitsinstrumenten afgenomen, ook al blijft de organisatie op de achtergrond vaak nog betrokken.

strategische dossiers

Daarnaast valt op dat de focus binnen KNV in de loop der jaren is verschoven van specifieke operationele thema’s naar bredere strategische dossiers. Waar eerder concrete onderwerpen zoals klachtenafhandeling, lokale marktordening of individuele geschillen nadrukkelijk op de agenda stonden, ligt de nadruk tegenwoordig vaker op grote lijnen zoals verduurzaming, cao-onderhandelingen en mobiliteitstransities. Dat betekent niet dat de oude thema’s volledig zijn verdwenen, maar ze lijken minder prioriteit te krijgen in de externe communicatie en beleidsinzet van de organisatie.

Binnen de taxibranche zelf wordt die ontwikkeling wisselend ontvangen. Voor grotere vervoerders en aangesloten bedrijven sluit de huidige koers goed aan bij hun behoefte aan strategische vertegenwoordiging en invloed op beleidsniveau. Tegelijkertijd ervaren kleinere ondernemers en zelfstandige chauffeurs dat sommige praktische onderwerpen, die direct raken aan hun dagelijkse werk, minder aandacht krijgen dan voorheen. Juist thema’s als klachtenafhandeling, lokale handhaving en directe klantrelaties waren voor deze groep van groot belang.

voortrekkersrol

Een ander punt van verandering is de manier waarop KNV zich positioneert in samenwerkingen. In het verleden nam de organisatie bij bepaalde dossiers een meer zichtbare voortrekkersrol op zich, terwijl tegenwoordig vaker wordt gekozen voor deelname in bredere coalities met overheid, vakbonden en andere partijen. Daardoor is het soms minder duidelijk wie precies de regie voert over specifieke initiatieven, en verdwijnt de herkenbaarheid van KNV als initiatiefnemer naar de achtergrond.

Dat betekent niet dat KNV projecten simpelweg laat vallen zonder reden. De sector zelf is voortdurend in beweging, en prioriteiten verschuiven onder invloed van politieke keuzes, marktontwikkelingen en technologische veranderingen. Toch blijft het relevant om te constateren dat bepaalde onderwerpen die ooit prominent werden uitgedragen, zoals centrale taxiklachtenstructuren, inmiddels minder zichtbaar zijn in het huidige beleid en optreden van de organisatie.

Alles bij elkaar genomen blijft KNV een invloedrijke speler met een duidelijke meerwaarde voor het beroepspersonenvervoer. De organisatie weet resultaten te boeken en heeft toegang tot de juiste tafels waar beleid wordt gemaakt. Tegelijkertijd is het geen neutrale partij en vertegenwoordigt het niet automatisch alle belangen binnen de sector. Die dubbele realiteit maakt KNV zowel krachtig als beperkt in zijn rol.

Foto: © Pitane Blue – Wethouder Melanie van der Horst

De aanwezigheid van Melanie van der Horst als gastspreker op de nieuwjaarsreceptie van Koninklijk Nederlands Vervoer (KNV) onderstreept hoe nauw de lijnen zijn tussen de brancheorganisatie en belangrijke beleidsmakers, zonder dat er sprake is van een formele rol binnen de organisatie zelf. De Amsterdamse wethouder Verkeer en Vervoer geldt als een invloedrijke stem in het mobiliteitsdebat en haar optreden op het podium bij KNV laat zien dat de organisatie actief de dialoog zoekt met bestuurders die direct impact hebben op de sector.

Voor leveranciers in de mobiliteits- en vervoerssector kan een buitengewoon lidmaatschap bij KNV nuttig zijn, maar het is geen wondermiddel en zeker niet voor iedereen automatisch rendabel. Het hangt sterk af van wat je als leverancier zoekt: toegang, invloed of vooral commerciële kansen.

KNV is in de kern een werkgevers- en brancheorganisatie voor vervoerders. Dat betekent dat de primaire focus ligt op de belangen van taxi-, zorgvervoer- en busbedrijven. Leveranciers vallen daarbuiten en krijgen via een buitengewoon lidmaatschap geen gelijkwaardige positie aan tafel bij cao-onderhandelingen of formele besluitvorming. Wie verwacht direct mee te sturen op beleid of sectorafspraken, komt bedrogen uit.

netwerken

Toch biedt zo’n lidmaatschap wel degelijk voordelen, vooral op het vlak van netwerk en zichtbaarheid. Leveranciers krijgen toegang tot bijeenkomsten, themasessies en sectoroverleggen waar vervoerders, beleidsmakers en andere stakeholders aanwezig zijn. Dat kan waardevol zijn voor partijen die actief zijn met software, voertuigen, laadinfrastructuur, planningssystemen of andere diensten. In een sector waar aanbestedingen en relaties een grote rol spelen, kan aanwezigheid op de juiste plekken deuren openen.

Daarnaast geeft KNV een ingang tot actuele ontwikkelingen. Denk aan veranderingen in regelgeving, aanbestedingseisen, digitalisering en verduurzaming. Voor leveranciers die hun producten of diensten willen afstemmen op toekomstige eisen in de markt, is die informatiepositie relevant. Je zit dichter op de discussies die bepalen waar de sector naartoe beweegt.

Maar daar zit ook meteen de beperking. KNV vertegenwoordigt de vraagzijde, niet de aanbodzijde. Leveranciers mogen aanhaken, maar bepalen de agenda niet. In de praktijk betekent dit dat je vooral moet luisteren en inspelen, in plaats van richting geven. Voor sommige bedrijven is dat prima, zeker als ze flexibel zijn en hun propositie willen aanpassen aan de markt. Voor anderen, die juist invloed willen uitoefenen op standaarden of beleid, kan het tegenvallen.

geen garantie

Ook commercieel is het geen garantie voor succes. Lid worden van KNV levert geen directe opdrachten of voorkeursposities op bij aangesloten vervoerders. Het blijft een netwerkorganisatie, geen inkoopplatform. Relaties moeten nog steeds zelf worden opgebouwd en bewezen. Zonder actieve deelname en zichtbaarheid verdwijnt een leverancier al snel naar de achtergrond.

Voor kleinere leveranciers of startups kan de afweging extra scherp zijn. De kosten en tijdsinvestering moeten opwegen tegen de opbrengst. Als je nog weinig schaal hebt of je richt op niches buiten de traditionele vervoersbedrijven, dan kan het effect beperkt zijn. In dat geval zijn andere netwerken of directe marktbenadering soms efficiënter.

Daar staat tegenover dat leveranciers die zich richten op grotere vervoerders, aanbestedingen of publieke mobiliteit vaak wel baat hebben bij aansluiting. Zeker partijen die werken aan thema’s als zero-emissie, MaaS, data-uitwisseling of planningstechnologie zitten dichter op de kern van waar KNV zich mee bezighoudt. Voor hen kan het lidmaatschap helpen om vroegtijdig aan te haken bij trends en contacten te leggen met beslissers.

Koninklijk Nederlands Vervoer (KNV) opereert niet op zichzelf, maar is verweven met een breed netwerk van organisaties, stichtingen en samenwerkingsverbanden binnen het personenvervoer. Die verbondenheid vergroot de invloed van KNV, maar maakt ook dat de grenzen tussen onafhankelijke platforms en belangenbehartiging soms minder scherp zijn.

Ook binnen de taxibranche en het zorgvervoer is KNV gelieerd aan verschillende stichtingen en initiatieven die zich richten op kwaliteit en marktordening. Een belangrijk voorbeeld is het Aanbestedingsinstituut Mobiliteit (AIM), dat is opgericht door sociale partners, waaronder KNV, FNV en CNV. AIM adviseert opdrachtgevers, zoals gemeenten en zorginstellingen, bij aanbestedingen in het doelgroepenvervoer. Door deze betrokkenheid heeft KNV indirect invloed op hoe contracten en kwaliteitseisen in de markt worden vormgegeven.

Een andere relevante verbinding is met Stichting Fonds Mobiliteit (SFM), die zich bezighoudt met arbeidsmarkt- en opleidingsvraagstukken binnen de sector. Ook hier werkt KNV samen met vakbonden, wat de organisatie een rol geeft in zowel werkgevers- als bredere sectorontwikkelingen. Die paritaire samenwerking komt vaker terug, bijvoorbeeld bij cao-trajecten en sectorprotocollen.

Gebrek aan inzicht: bedrijven onderschatten risico van verdwijnend 2G netwerk

Oude apparaten vormen stille tijdbom binnen organisaties, niet het netwerk maar de apparatuur is het echte probleem.

De naderende uitfasering van 2G-netwerken houdt veel organisaties bezig, maar volgens business consultant Arjen Boereboom van Wireless Logic Benelux wordt de kern van het probleem vaak verkeerd ingeschat. Bedrijven richten hun blik op de telecomproviders en de timing van het uitschakelen van netwerken, terwijl het werkelijke risico zich volgens hem op een heel andere plek bevindt: binnen de eigen organisatie.

“Organisaties die nadenken over de uitfasering van 2G stellen vaak dezelfde vragen. Wanneer stopt het netwerk? Welke provider schakelt als eerste uit? En welke technologie volgt daarna.” Het zijn vragen die volgens Boereboom begrijpelijk zijn, maar die niet raken aan waar het echt om draait. De werkelijke kwetsbaarheid zit namelijk niet in het verdwijnen van het netwerk, maar in de afhankelijkheid van apparaten die er nog gebruik van maken.

IoT-oplossingen

De telecomsector is volop in beweging. Operators maken ruimte vrij voor modernere technologieën zoals 4G, 5G en diverse nieuwe IoT-oplossingen. Tegelijkertijd kennen veel IoT-apparaten een lange levensduur. “IoT-apparaten gaan vaak tien tot vijftien jaar mee, soms zelfs langer.” Dat zorgt voor een groeiende kloof tussen infrastructuur en apparatuur. Netwerken ontwikkelen zich razendsnel, terwijl apparaten jarenlang onveranderd blijven functioneren.

Dat leidt tot een verraderlijke situatie. “Een apparaat kan technisch dus nog prima functioneren, maar toch een operationeel risico vormen.” Vooral wanneer er geen alternatief netwerk beschikbaar is, wordt die kwetsbaarheid pijnlijk zichtbaar. Apparaten die naast 4G ook nog terug kunnen vallen op 2G of 3G zijn minder gevoelig voor storingen. Maar systemen die uitsluitend afhankelijk zijn van 2G of 3G lopen een groot risico. “Zodra dat netwerk verdwijnt, is er niets om op terug te vallen. Dáár zit het echte risico.”

Volgens Boereboom begint een oplossing niet bij technologie, maar bij inzicht. Bedrijven moeten eerst exact in kaart brengen waar ze staan. “Welke apparaten gebruiken nog 2G of 3G? Welke technologieën ondersteunen ze precies? Welke module zit erin en van welke leverancier? Waar staan ze fysiek? En hoe kritisch zijn ze voor de bedrijfsvoering?” Dat laatste aspect wordt volgens hem nog vaak onderschat.

Niet elk apparaat heeft immers dezelfde impact op de organisatie. “Een koffieautomaat die uitvalt is vervelend. Maar als verkeerssystemen, gebouwbeheer of alarmknoppen in liften of andere veiligheidstoepassingen stilvallen, kunnen de gevolgen veel groter zijn.” Door deze prioriteiten helder te krijgen, ontstaat een logische volgorde in de migratieaanpak.

Voor organisaties met een groot aantal apparaten kan de overgang naar nieuwe technologieën uitgroeien tot een omvangrijk traject. “Voor organisaties met honderden of duizenden assets groeit zo’n migratie al snel uit tot een volwaardig lifecycle programma.” Dat vraagt om een strategische benadering waarbij niet alleen naar techniek wordt gekeken, maar juist naar de bredere bedrijfsvoering.

Foto: © Pitane Blue – Cabman terminal

Daarmee vat hij de uitdaging kernachtig samen. “Het grootste risico is niet dat 2G stopt. Het grootste risico is niet weten welke assets nog afhankelijk zijn van 2G.”

Boereboom benadrukt dat bedrijven hun aanpak moeten omdraaien. “Begin daarom niet bij het netwerk, maar bij de businesscase.” Daarbij spelen vragen een cruciale rol over de functie van apparaten, hun communicatiegedrag en de gewenste levensduur. Ook factoren zoals dekking, energieverbruik, latency, kosten en beheer moeten worden meegenomen voordat een keuze voor een nieuwe technologie wordt gemaakt.

uitfasering van 2G

Toch is de uitfasering van 2G volgens hem niet alleen een bedreiging. Het biedt ook kansen voor modernisering en flexibiliteit. “Zie de migratie bovendien niet alleen als kostenpost, maar ook als kans.” Nieuwe technieken zoals Remote SIM Provisioning en eSIM maken het mogelijk om flexibeler om te gaan met connectiviteit en beter in te spelen op veranderingen in de markt of regelgeving. Tegelijkertijd waarschuwt hij voor beperkingen bij bepaalde technologieën. “Let wel: bij NB-IoT zijn de mogelijkheden voor eSIM en provider wissels beperkter, waardoor je vooraf extra goed moet nadenken over je SIM- en connectiviteitsstrategie.”

De grootste valkuil zit volgens Boereboom niet in het moment waarop het netwerk daadwerkelijk wordt uitgeschakeld. Het gevaar ontstaat veel eerder, namelijk wanneer organisaties onvoldoende zicht hebben op hun eigen afhankelijkheden. “Het grootste risico ontstaat dus niet op de dag dat het netwerk wordt uitgeschakeld. Het ontstaat wanneer je te laat ontdekt hoeveel apparaten nog afhankelijk zijn van legacy-connectiviteit.”

Ongelukken met OV: bus en tram steeds vaker betrokken bij ernstige ongevallen

Zware ongelukken met OV blijven hardnekkig probleem, kwetsbare verkeersdeelnemers betalen hoogste prijs bij botsingen.

Zware ongelukken met openbaar vervoer blijven een hardnekkig probleem in Nederland en Vlaanderen, al ligt de kern van het risico opvallend genoeg niet in de voertuigen zelf. Het grootste gevaar ontstaat juist op de plekken waar bussen, trams en treinen de buitenwereld kruisen: overwegen, drukke kruispunten, haltes en tijdelijke werkzones. Dat beeld komt scherp naar voren uit een uitgebreide analyse van ongevallen en cijfers uit beide regio’s.

Reizen met het openbaar vervoer zelf blijkt relatief veilig. Onderzoek laat zien dat dodelijke slachtoffers zelden vallen ín bus, tram of trein, maar vooral daarbuiten. In Nederland ging het in de voorbijgaande periode gemiddeld om 21,2 doden per jaar bij ongevallen mét een OV-voertuig, tegenover slechts 0,6 doden bij incidenten ín het openbaar vervoer. Slachtoffers zijn in de meeste gevallen kwetsbare verkeersdeelnemers zoals fietsers, voetgangers en bromfietsers.

menselijk gedrag

Vooral het spoor springt eruit als risicofactor. In 2024 registreerde de Inspectie Leefomgeving en Transport 22 significante treinongevallen met in totaal 15 dodelijke slachtoffers. Overwegen vormen daarbij het grootste probleem: 17 van die ongevallen vonden plaats op een overweg, goed voor 11 doden en meerdere zwaargewonden. Opvallend is dat het merendeel van deze ernstige ongevallen gebeurde op beveiligde overwegen. Dat wijst op een hardnekkig probleem waarbij menselijk gedrag een grote rol speelt. Veel slachtoffers negeren bewust rode lichten en gesloten slagbomen.

Het belangrijkste patroon is niet dat reizen in openbaar vervoer onveilig is, maar dat zware ongevallen vooral ontstaan waar openbaar vervoer kruist met ander verkeer: overwegen, stedelijke kruispunten, haltes, tramsporen in gemengd verkeer, busbanen en werkzones op het spoor.

Cijfers zijn lastig één-op-één te vergelijken. Voor Nederland benadrukt SWOV dat het werkelijke aantal OV-slachtoffers niet volledig bekend is, omdat CBS-verkeersdoden bij bus, trein en tram/lightrail niet afzonderlijk worden uitgesplitst. Voor Vlaanderen speelt juist een ander probleem: De Lijn registreert incidenten operationeel breed. Daardoor vallen de cijfers hoger uit, maar omvatten ze ook lichte incidenten en voorvallen die niet strikt verkeerskundig van aard zijn.

Een betrouwbaar onderzoek moet daarom minimaal onderscheid maken tussen vier categorieën:

Het Belgische en Vlaamse beeld is vergelijkbaar. Infrabel meldde in 2024 dertig overwegongevallen, een daling ten opzichte van eerdere jaren, maar met nog altijd zware gevolgen: vijf doden en acht zwaargewonden. Volgens de spoorbeheerder werd zestig procent van deze ongevallen veroorzaakt door mensen die bewust overstaken terwijl de beveiliging actief was.

Naast het spoor spelen ook bussen en trams een belangrijke rol in het risicobeeld, vooral in stedelijke gebieden. In Amsterdam bijvoorbeeld steeg het aantal geregistreerde incidenten van 880 in 2024 naar 966 in 2025. Het ging daarbij om botsingen, aanrijdingen en andere voorvallen, met name bij bus en tram. De vervoerder koppelde die stijging onder meer aan tijdelijke verkeersmaatregelen en werkzaamheden, waardoor routes complexer en onoverzichtelijker werden.

Foto: © Pitane Blue – spoorwegovergang Koksijde

Alles bij elkaar ontstaat een duidelijk beeld: openbaar vervoer is op zichzelf veilig, maar vormt in combinatie met druk verkeer en menselijke fouten een blijvend risico. Vooral waar infrastructuur, gedrag en complexe situaties samenkomen, blijft de kans op ernstige ongelukken aanwezig.


Ook in Vlaanderen liggen de aantallen hoog, al komt dat deels door een bredere manier van registreren. De Lijn noteerde in 2024 maar liefst 7.867 incidenten met bussen. Daaronder vallen niet alleen verkeersongevallen, maar ook reizigers die vallen, deurincidenten en zelfs kleinere voorvallen zoals schade aan voertuigen. In totaal vielen daarbij 1.198 slachtoffers, onder wie vier doden en 38 zwaargewonden. Bij tramongevallen ging het tussen 2019 en 2024 om 1.923 slachtoffers, waaronder 17 doden.

niet aansprakelijk

Opvallend is dat vervoersmaatschappijen in veel gevallen niet de hoofdverantwoordelijke zijn. Zo blijkt dat De Lijn in ongeveer 80 procent van de tramongevallen niet aansprakelijk wordt gesteld. Dat onderstreept dat het probleem vaak ligt in de complexe interactie tussen zware voertuigen en kwetsbare weggebruikers in drukke omgevingen.

Een ander belangrijk inzicht komt uit het treinongeval bij Voorschoten in 2023. Daarbij kwam een kraanmachinist om het leven en raakten tientallen mensen gewond nadat een trein op werkzaamheden botste. De Onderzoeksraad voor Veiligheid concludeerde dat niet alleen technische factoren een rol speelden, maar ook organisatorische keuzes, werkdruk en communicatieproblemen. Het ongeval laat zien dat risico’s niet alleen ontstaan op de weg, maar ook binnen de organisatie van het spoor zelf.

kwetsbare groepen

De bredere verkeerscontext maakt het probleem nog duidelijker. In Nederland vielen in 2024 in totaal 675 verkeersdoden, waarvan fietsers de grootste groep vormden met 246 slachtoffers. In Vlaanderen ging het om 253 verkeersdoden, waarbij fietsers en voetgangers samen een groot aandeel hadden. Juist deze kwetsbare groepen komen vaak in aanraking met openbaar vervoer in stedelijke gebieden.

Deskundigen wijzen erop dat de grootste winst te behalen valt met een combinatie van maatregelen. Het aanpakken van overwegen staat daarbij bovenaan de lijst, bijvoorbeeld door ze op te heffen of ongelijkvloers te maken. Daarnaast is betere inrichting van kruispunten en haltes cruciaal, net als strengere aandacht voor veiligheid bij werkzaamheden en tijdelijke verkeerssituaties. Ook technologie, zoals dodehoekdetectie en slimme waarschuwingssystemen, kan helpen, mits de effectiviteit goed wordt gemeten.

Frustratie doelgroepenvervoer: onbetrouwbare ritten maken spontaan leven onmogelijk

Reizigers met beperking voelen zich in de steek gelaten door falend systeem, gebruikers spreken van stress en groeiende afhankelijkheid.

Het doelgroepenvervoer in Nederland schiet op meerdere fronten tekort, waardoor gebruikers dagelijks tegen grote beperkingen aanlopen. De problemen beginnen bij de onbetrouwbaarheid van het vervoer. Wat in theorie een vangnet moet zijn voor mensen met een beperking, blijkt in de praktijk allesbehalve zeker. Ritten zijn regelmatig niet beschikbaar, taxi’s komen te laat of juist te vroeg en reizen duren vaak veel langer door het combineren van passagiers.

Voor gebruikers leidt dit tot constante spanning. Een van hen verwoordt het treffend: “Het is een bijzonder onzeker systeem, je weet nooit hoe laat je ergens aankomt.” Hierdoor durven veel mensen simpelweg niet meer op het vervoer te vertrouwen. Daar bovenop komen de strikte regels die het gebruik van het systeem bemoeilijken. Wie een rit wil boeken, moet dit vaak ruim van tevoren doen. 

Valys in de praktijk

Wanneer telefonisch contact wordt opgenomen met Valys, krijgt de beller eerst de digitale telefoonassistent Fenna aan de lijn. Fenna helpt bij vragen over een geboekte rit of verbindt door met de juiste medewerker. Het kan voorkomen dat een taxi door omstandigheden niet op tijd arriveert. In dat geval wordt geprobeerd een vervangende taxi te regelen. Komt de taxi meer dan een half uur later dan de toegestane marge van 15 minuten, dan geldt de compensatieregeling van Valys. De reis hoeft dan niet te worden betaald en er worden geen kilometers van het persoonlijk kilometerbudget afgeschreven. Ook de verplichte tijdsmarge van een kwartier voor en na de afgesproken tijd zorgt voor frustratie. Een simpele afspraak kan hierdoor al snel uitlopen, zeker wanneer meerdere ritten gecombineerd worden.

Het beeld dat naar voren komt is dat van een systeem dat in de basis bedoeld is om vrijheid te bieden, maar in de praktijk juist beperkingen oplegt. Zolang betrouwbaarheid, flexibiliteit en communicatie niet verbeteren, blijft het doelgroepenvervoer voor veel gebruikers een bron van onzekerheid in plaats van een oplossing.

De problemen in het doelgroepenvervoer worden vaak zichtbaar in individuele klachten: een taxi die te laat komt, een rit die uitvalt, een gebruiker die te lang moet wachten of niet op tijd op een afspraak verschijnt. Zulke incidenten zijn schrijnend, maar ze vertellen niet het hele verhaal. Achter deze klachten gaat een breder en hardnekkiger systeemprobleem schuil. Juist daar wringt het: het doelgroepenvervoer is te versnipperd, te weinig transparant en onvoldoende ingericht om structureel te leren van wat er misgaat.

Een belangrijk knelpunt is het gebrek aan landelijk inzicht in de kwaliteit van het vervoer en de ervaringen van gebruikers. Er wordt wel gereageerd op klachten, maar er is te weinig overkoepelende data om te kunnen beoordelen waar het stelsel als geheel tekortschiet. Daardoor blijft de politieke discussie vaak hangen in incidenten. Pas wanneer een probleem zichtbaar wordt in de media of leidt tot maatschappelijke verontwaardiging, komt het op de agenda. Een stelsel dat afhankelijk is van incidenten om te verbeteren, mist echter de basis voor duurzaam beleid.

Illustratie: © Pitane – doelgroepenvervoer

Wie met Valys wil reizen, moet de rit op tijd reserveren. De uiterste reserveringstijd hangt af van de dag en het gewenste vertrektijdstip. Voor reizen op maandag tot en met donderdag geldt dat de heen- en terugreis minimaal acht uur voor vertrek moeten worden geboekt.


Daar komt bij dat landelijke sturing en toezicht beperkt zijn. Het doelgroepenvervoer is sterk gedecentraliseerd, met verantwoordelijkheden die verdeeld zijn over gemeenten, ministeries, vervoerders en andere betrokken partijen. In theorie biedt dat ruimte voor maatwerk, maar in de praktijk ontbreekt vaak een duidelijke regisseur. Ook is er geen stevig, onafhankelijk en zichtbaar toezicht dat structureel controleert of de kwaliteit van het vervoer op orde is. Daardoor blijft onduidelijk wie uiteindelijk verantwoordelijk is wanneer gebruikers tussen wal en schip vallen.

regulier openbaar vervoer

Een ander structureel probleem is de kunstmatige scheiding tussen doelgroepenvervoer en regulier openbaar vervoer. Bestuurlijk vallen deze werelden onder verschillende verantwoordelijkheden, maar voor reizigers bestaat die scheiding niet. Zij willen simpelweg van deur tot deur kunnen reizen. Toch worden taxi, bus, trein en andere vormen van mobiliteit nog te vaak als losse systemen behandeld. Dat belemmert de ontwikkeling van slimme ketenreizen, deelmobiliteit en oplossingen waarbij mensen met passende ondersteuning vaker gebruik kunnen maken van regulier openbaar vervoer.

Ook de complexiteit van het stelsel werkt vernieuwing tegen. Verschillende wetten, financieringsstromen en verantwoordelijke partijen maken het moeilijk om succesvolle initiatieven op te schalen. Wat in de ene regio goed werkt, wordt niet vanzelf overgenomen in een andere regio. Daardoor ontstaan lokale oplossingen, terwijl landelijke verbetering uitblijft. Voor gebruikers betekent dit dat de kwaliteit en mogelijkheden van het vervoer sterk kunnen verschillen afhankelijk van waar iemand woont.

Daarnaast is er discussie over de afbakening van de doelgroep. Bij indicatiestelling wordt niet altijd voldoende gekeken naar wat iemand nog wél kan met het reguliere openbaar vervoer, eventueel met begeleiding of ondersteuning. Daardoor kan het doelgroepenvervoer zwaarder worden belast dan nodig is. In een systeem waar capaciteit schaars is, leidt dat tot extra druk op ritplanning, beschikbaarheid en punctualiteit. Tegelijk vraagt dit onderwerp om zorgvuldigheid: het mag nooit leiden tot uitsluiting van mensen die daadwerkelijk afhankelijk zijn van aangepast vervoer.

financiële druk

Tot slot speelt de financiële druk bij gemeenten een grote rol. Gemeenten hebben te maken met tekorten in het sociaal domein en proberen de kosten beheersbaar te houden. In aanbestedingen vertaalt zich dat vaak in een sterke nadruk op efficiëntie en prijs. Maar vervoer is geen puur logistiek product. Voor veel gebruikers is het een voorwaarde om mee te kunnen doen aan de samenleving. Wanneer kostenbesparing de boventoon voert, komen kwaliteit, flexibiliteit en menselijke maat al snel onder druk te staan.

Wie het doelgroepenvervoer echt wil verbeteren, moet daarom verder kijken dan de klacht van de dag. Nodig zijn betere landelijke data, steviger toezicht, meer samenhang met het openbaar vervoer en een duidelijke regie op kwaliteit. Alleen dan kan het stelsel verschuiven van reageren op incidenten naar structureel verbeteren. Want goed doelgroepenvervoer is geen gunst, maar een noodzakelijke voorziening voor mensen die zonder passende mobiliteit letterlijk en figuurlijk stil komen te staan.

analyse en aanbevelingen

De analyse is gebaseerd op het rapport Niet zomaar op reis. Onderzoek naar doelgroepenvervoer in Nederland. Dit eindrapport verscheen in juli 2023 en werd opgesteld door onderzoeksbureau Verwonderzoek, met Gregor Walz en Auke Witkamp als auteurs. Het onderzoek werd uitgevoerd in opdracht van het College voor de Rechten van de Mens.

Samengevat adviseert het rapport de Rijksoverheid om een veel actievere regierol te nemen in het doelgroepenvervoer. De ministeries van VWS en IenW zouden samen moeten zorgen voor meer landelijke sturing, beter overzicht en structurele evaluatie van de kwaliteit van het stelsel. Daarbij moet niet alleen worden gekeken naar klachten en incidenten, maar ook naar de ervaringen en behoeften van gebruikers en potentiële gebruikers.

Een belangrijk uitgangspunt is dat doelgroepenvervoer en openbaar vervoer niet langer als gescheiden werelden worden behandeld, maar als onderdelen van één bredere mobiliteitsopgave. Door beide systemen beter op elkaar aan te laten sluiten, kunnen ketenreizen eenvoudiger en betrouwbaarder worden. Daarvoor zijn goede afspraken nodig over toegankelijkheid, aansluitend vervoer en nieuwe vormen van mobiliteit, zoals MaaS.

Daarnaast pleit het rapport voor meer robuustheid in het systeem. De huidige nadruk op maximale efficiëntie moet worden losgelaten, zodat er ruimte ontstaat voor buffercapaciteit bij verstoringen, bijvoorbeeld met back-up taxi’s op belangrijke knooppunten. Ook zouden gebruikers nauwer betrokken moeten worden bij het herzien van voorwaarden zoals vooraanmeldtijden, stiptheidsmarges en omrijtijden.

Tot slot wordt aanbevolen om een landelijke overlegstructuur in te richten waarin ministeries, gemeenten, gebruikers, belangenorganisaties en vervoerders gezamenlijk structurele problemen bespreken. Ook moet er duidelijkheid komen over het onderscheid tussen Wmo-vervoer en zittend ziekenvervoer, zodat reizigers beter weten welke voorziening in welke situatie van toepassing is.

Waardering op papier: mooie woorden en bloemen verhullen harde realiteit in taxibranche

De dag van de taxichauffeur voelt voor velen als lege huls, kloof tussen chauffeur en werkgever steeds zichtbaarder.

De dag van de taxichauffeur keert ieder jaar eind mei terug als hét moment waarop de sector stilstaat bij het werk van duizenden chauffeurs. Op papier is het een dag van erkenning, waardering en zichtbaarheid voor een beroepsgroep die dagelijks zorgt voor vervoer van kwetsbare doelgroepen, scholieren en reizigers in het reguliere taxivervoer. Toch wringt er iets fundamenteels achter de feestelijke façade die veel bedrijven optrekken. Want waar chauffeurs worden geprezen als onmisbare schakels, lijkt de nadruk bij een aanzienlijk deel van de werkgevers vooral te liggen op zelfpromotie.

lovende woorden

Op sociale media verschijnen foto’s van chauffeurs die in het zonnetje worden gezet, vaak voorzien van lovende woorden over betrokkenheid en waardering. Bedrijven profileren zich als goede werkgevers die hun personeel centraal stellen. Maar die zorgvuldig geregisseerde momenten roepen tegelijkertijd vragen op over de dagelijkse realiteit binnen de sector. Want hoe oprecht is die waardering wanneer juist rondom dezelfde periode signalen opduiken die een heel ander beeld schetsen?

De tegenstelling wordt pijnlijk zichtbaar wanneer vakbonden kort na deze feestdag chauffeurs oproepen zich te melden als zij hun vakantiegeld niet op tijd hebben ontvangen. Volgens de cao Zorgvervoer en Taxi moet dat bedrag uiterlijk op 31 mei zijn uitbetaald. Wanneer dat niet gebeurt, kan een werkgever worden verplicht tot nabetaling, inclusief een extra vergoeding. Het gegeven dat deze oproep nodig is, zet de feestelijke berichten van enkele dagen eerder in een ander daglicht. Het maakt duidelijk dat de praktijk voor een deel van de chauffeurs minder rooskleurig is dan de beelden doen vermoeden.

Volgens de FNV is de rek in de sector er inmiddels uit. Die constatering raakt aan een dieper probleem dat niet met een bos bloemen of een symbolisch gebaar kan worden opgelost. Chauffeurs draaien lange dagen, staan onder druk en moeten opereren in een markt waar marges klein zijn en concurrentie groot is. Tegelijkertijd hebben andere vervoerders vaak onvoldoende capaciteit om in te springen wanneer een bedrijf in de problemen komt. Dat maakt de positie van chauffeurs kwetsbaar en vergroot de afhankelijkheid van hun werkgever.

Illustratie: © Pitane – Pitane Blue dag zorgen in de sector

Vakbond FNV Zorgvervoer & Taxi maakt zich grote zorgen over de financiële situatie in de zorgvervoer- en taxisector. Volgens de vakbond staan veel vervoerders zwaar onder druk door stijgende kosten en te lage vergoedingen vanuit gemeenten en aanbestedingen.

Het contrast tussen de publieke profilering en de dagelijkse praktijk lijkt daarmee groter dan veel bedrijven willen toegeven. Natuurlijk zijn er ondernemingen die hun zaken wel op orde hebben en hun personeel daadwerkelijk waarderen, niet alleen op een symbolische dag maar het hele jaar door. Voor hen geldt dat de kritiek niet per definitie van toepassing is. Maar het feit dat de vakbond zich genoodzaakt ziet om jaarlijks aandacht te vragen voor basisrechten zoals tijdige betaling, laat zien dat er structureel iets misgaat binnen delen van de sector.

positieve beeldvorming

Wat vooral opvalt, is hoe eenvoudig het lijkt om met een enkele campagne de aandacht te verleggen van structurele problemen naar positieve beeldvorming. Een foto met een glimlachende chauffeur en een bos bloemen wekt sympathie op, maar zegt weinig over arbeidsvoorwaarden, werkdruk of financiële zekerheid. Juist daar zou de nadruk moeten liggen als bedrijven werkelijk willen laten zien dat zij hun chauffeurs waarderen.

De dag van de taxichauffeur zou in essentie moeten draaien om erkenning die verder gaat dan symboliek. Het is een moment dat geloofwaardig wordt wanneer woorden worden ondersteund door daden. Tijdige betalingen, fatsoenlijke arbeidsomstandigheden en echte betrokkenheid bij het personeel vormen de basis van die erkenning. Zonder die fundamenten blijft het risico bestaan dat de dag verwordt tot een marketinginstrument, waarbij de chauffeur vooral dient als uithangbord.

Het blijft daarom opmerkelijk hoe groot de kloof kan zijn tussen werkgevers en werknemers in een sector die zo afhankelijk is van menselijk contact en vertrouwen. Zolang die kloof niet wordt gedicht, zullen de feestelijke berichten ieder jaar opnieuw gepaard gaan met scepsis. Want waardering laat zich niet vangen in één dag, maar blijkt juist uit wat er gebeurt op de momenten dat er geen camera’s meedraaien.