Alle berichten van Gerrit Saey

Lid NVJ - Nederlandse Vereniging van Journalisten

Brede coalitie: EU-bedrijven slaan alarm over verplichte elektrische wagenparken

Zorgen over concurrentiekracht en infrastructuur domineren brief aan commissie.

Een brede coalitie van Europese bedrijven, actief in mobiliteit, leasing, verhuur en voertuigproductie, heeft in een gezamenlijke brief stevige kritiek geuit op een voorgenomen voorstel van de Europese Commissie om bedrijven te verplichten een vastgesteld aandeel zero-emissievoertuigen aan te schaffen. De brief is gericht aan Commissievoorzitter Ursula von der Leyen en mede geadresseerd aan meerdere uitvoerend vicevoorzitters en commissarissen. Volgens de ondertekenaars dreigt het plan een zware wissel te trekken op de concurrentiekracht van Europese ondernemingen en de toekomst van de auto-industrie.

De organisaties achter de brief vertegenwoordigen zowel de productie van voertuigen als het dagelijkse gebruik ervan binnen zakelijke wagenparken. Het gaat om bedrijven die voertuigen inzetten voor het vervoer van werknemers, goederen, diensten en apparatuur, verspreid over alle sectoren van de Europese economie. In de brief wordt benadrukt dat bedrijfswagens een onmisbare schakel vormen in het functioneren van Europa, op elk moment van de dag en in alle lidstaten.

Europese doelstellingen

Volgens de ondertekenaars nemen juist bedrijven momenteel het voortouw bij de overstap naar elektrisch rijden. De brief stelt letterlijk: “Today, companies are leading the switch to electric vehicles in Europe, more so than individual vehicle owners.” De betrokken organisaties geven aan zich aantoonbaar in te zetten voor schonere mobiliteit, binnen de grenzen van wat financieel en praktisch haalbaar is.

De kern van de zorgen richt zich op het verplicht stellen van de aanschaf van zero-emissievoertuigen via nationale of Europese doelstellingen. De brief waarschuwt dat zo’n verplichting, zeker wanneer deze wordt opgenomen in het automotive pakket dat in december wordt verwacht, “highly damaging” zal zijn voor bedrijven. Met name de totale kosten van eigendom van elektrische voertuigen en het gebrek aan geschikte laadinfrastructuur worden genoemd als belangrijke belemmeringen voor verdere versnelling.

Foto: © Pitane Blue – Europees Parlement

De brief wordt ondersteund door een lange lijst van Europese en nationale organisaties, leasemaatschappijen, mobiliteitsaanbieders en autofabrikanten, waaronder ook grote namen uit de auto- en verhuursector. Daarmee onderstrepen de ondertekenaars dat het bezwaar breed wordt gedragen binnen het Europese mobiliteitslandschap.

Bedrijven wijzen erop dat de huidige infrastructuur in veel landen nog onvoldoende is toegerust op grootschalig zakelijk gebruik, zowel voor personenauto’s als lichte bedrijfswagens. Problemen met netcapaciteit, vergunningstrajecten en het aanleggen van voldoende stroomvoorzieningen op bedrijfslocaties maken grootschalige elektrificatie complex en kostbaar. De brief spreekt van “grid capacity and infrastructure permitting issues” die vooral bij grotere wagenparken zwaar wegen.

aankoopverplichting

De ondertekenaars waarschuwen dat een aankoopverplichting kan leiden tot financieel ontwrichtende situaties. Bedrijven zouden dan gedwongen worden oudere voertuigen langer in gebruik te houden of juist minder nieuwe voertuigen aan te schaffen. Dit zou resulteren in een daling van nieuwe voertuigregistraties en een verslechtering van de dienstverlening aan klanten, werknemers en essentiële logistieke processen. Volgens de brief raakt dit niet alleen wagenparkbeheerders, maar ook voertuigfabrikanten en toeleveranciers, juist in een periode die economisch al uitdagend is.

Als alternatief verwijzen de bedrijven naar Europese landen waar de adoptie van zero-emissievoertuigen het snelst verloopt. De brief stelt dat deze successen zijn bereikt door langdurige investeringen in stimuleringsmaatregelen en randvoorwaarden, niet door aankoopverplichtingen. “None of these countries have resorted to purchase mandates,” zo staat letterlijk in de brief. Ook wordt gewezen op het belang van een goed functionerende tweedehandsmarkt voor elektrische voertuigen om overaanbod te voorkomen en nieuwe vraag te stimuleren.

De oproep aan de Europese Commissie is duidelijk. De organisaties vragen om heroverweging van het voorstel en pleiten voor samenwerking met lidstaten en het bedrijfsleven om belemmeringen weg te nemen. Het uiteindelijke doel, zo schrijven zij, moet zijn “to secure the economic strength of the EU, the jobs associated with it and a sustainable path to affordable and fit-for-purpose corporate e-mobility.”

Schiphol onder vuur: onrust groeit over inzet minder ervaren buschauffeurs

Kritiek op keuze die volgens sommigen doorslaat naar schijnveiligheid terwijl experts waarschuwen voor risico’s in hectische vliegveldomgeving.

Tussen de glimmende vleugels, gierende turbines en haastige grondvoertuigen van Schiphol speelt zich dagelijks een minder charmant, maar onmisbaar ritueel af: het vervoer van passagiers per platformbus. Reizigers worden in compacte voertuigen gezet die zich een weg banen door een omgeving waar elke beweging telt. De lucht trilt er van de warmte van uitlaatstromen, de geuren zijn scherp, de ruimte is beperkt en de marges zijn klein. Tot voor kort vertrouwde men voor dit werk uitsluitend op chauffeurs met een groot rijbewijs, bestuurders die gewend zijn aan deze hectische zone waar een kleine fout al snel grote gevolgen heeft.

De keuze van Schiphol om nu ook chauffeurs met alleen een BE-rijbewijs tot dit werk toe te laten, heeft een debat losgemaakt naar aanleiding van de berichtgeving in de media dat dieper gaat dan een personeelsvraagstuk. De luchthaven kampt aantoonbaar met tekorten, en het besluit past binnen een bredere poging om de operatie draaiende te houden. Maar achter die redenering gaat een ongemakkelijke spanning schuil. Het beeld dat critici schetsen van de financiële druk op het bedrijf, samengevat door een adviseur arbeidsveiligheid in de uitspraak “een Jenga-toren op een trilplaat”, laat zien dat men vreest dat rekbare afwegingen de norm dreigen te worden.

risicobesef

Het vraagstuk draait volgens de adviseur in essentie om de vraag wat ervaring betekent op een terrein waar fysieke risico’s nooit abstract zijn. Het werk tussen taxiënde Boeings, bagagetrekkers, pushbacks en marshallers vraagt niet alleen om stuurmanskunst, maar vooral om intuïtief risicobesef. Een van de betrokkenen somt het scherp op: “Of je aanvoelt hoe gevaarlijk een jetblast is, hoe snel een pushback kan draaien, hoe een marshaller communiceert, en waarom je nooit, echt nóóit, een vliegtuig nadert waarvan de motoren nog draaien.” Het is kennis die niet voortkomt uit een rijbewijs, maar uit gespecialiseerde scholing en herhaalde blootstelling aan dezelfde complexe omgeving.

Foto: Pitane Blue – platformbus Schiphol

Het officiële standpunt van Schiphol is dat de luchthaven een besloten bedrijfsterrein is en dat de directie verantwoordelijk is voor het wegen van risico’s. Intern wordt benadrukt dat aanvullende trainingen borg staan voor veiligheid en dat de inzet van minder ervaren chauffeurs geen afbreuk doet aan de operationele standaarden. Toch wringt het oordeel van degenen die dagelijks met deze realiteit werken. Niet omdat zij twijfelen aan de intentie van de luchthaven, maar omdat ze weten hoe dun de lijn is tussen routine en onderschatting. In gesprekken klinkt de waarschuwing door dat organisaties soms ongemerkt richting schijnveiligheid glijden. Zo wordt letterlijk gezegd: “Alles lijkt te kloppen, totdat het niet meer klopt. Ik vind ’m lastig.”, aldus de deskundige.

vertrouwen

De kern van de discussie wordt gevangen in de stelling die inmiddels herkenbaar rondgaat: “Laat Schiphol hiermee zien dat productie het wint van professie?” De vraag raakt aan de fundamenten van vertrouwen. Wanneer efficiëntie de prioriteit krijgt boven vakmanschap, ontstaat de indruk dat veiligheid niet langer een overtuiging is, maar een variabele. Precies dat maakt de situatie gevoelig, zeker in een omgeving waar passagiers onvermijdelijk moeten kunnen rekenen op een onwrikbare veiligheidsnorm.

De nuchtere constatering van een van de critici vat het dilemma herkenbaar samen: “Veiligheid hoeft geen last te zijn. Het is vooral een keuze.” Juist die keuze is bepalend voor het vertrouwen dat reizigers, medewerkers en partners stellen in de luchthaven. Want vertrouwen is kwetsbaar, en zoals in dezelfde gedachtevorming wordt benadrukt: het komt te voet en gaat te paard.

Politiek draait aan fiscale knoppen: nieuwe regeling houdt bijtelling lager

Youngtimerregeling wordt duurder om korting te financieren.

De beslissing van de Tweede Kamer om de stijging van de bijtelling voor elektrische auto’s af te remmen, zorgt voor een opvallende draai in het fiscale beleid rond elektrisch rijden. Kamerleden Pieter Grinwis van de ChristenUnie en Henk-Jan Oosterhuis van D66 hebben met hun amendement een maatregel door het parlement gekregen die de snelle toename van de bijtelling vanaf 2026 moet temperen. De regeling, die onderdeel is geworden van het Belastingplan 2026, houdt de bijtelling volgend jaar op 18 procent voor de eerste 30.000 euro cataloguswaarde. Daarmee wordt voorkomen dat het percentage in één klap zou worden verhoogd naar het algemene tarief van 22 procent.

amandement

De indieners van het amendement benadrukten eerder dat zonder ingreep elektrische rijders harder zouden worden geraakt dan bezitters van conventionele auto’s. Zij waarschuwden dat kleine elektrische modellen, die nu al kampen met hogere aanschafkosten, onevenredig de dupe zouden worden. In hun toelichting schreven zij dat hun voorstel ervoor moet zorgen dat «elektrische auto’s (EV’s) in één klap de facto zwaarder worden belast in 2026 in de bijtelling dan benzineauto’s» wordt voorkomen. De kern van hun boodschap was dat een geleidelijke aanpak noodzakelijk is om het gebruik van elektrische voertuigen aantrekkelijk te houden. Volgens het aangenomen amendement gaat de bijtelling daarom in 2027 naar 20 procent en pas vanaf 2028 naar 22 procent, maar alleen voor de eerste 30.000 euro cataloguswaarde van elektrische auto’s. De regeling blijft voor nieuw toegelaten auto’s die in 2026 onder deze aangepaste tarieven vallen gedurende zestig maanden gelden.

draagvlak

De steun voor dit voorstel kwam van acht fracties. GroenLinks-PvdA, de Partij voor de Dieren, DENK, Volt, D66, de ChristenUnie, de SGP en het CDA stemden voor, waardoor het amendement voldoende draagvlak kreeg. De overige fracties stemden tegen. Omdat de wijziging onderdeel werd van het bredere Belastingplan 2026, werd ook gekeken naar het lot van dat wetsvoorstel. Uiteindelijk stemden onder meer 50PLUS, GroenLinks-PvdA, Volt, D66, de ChristenUnie, de SGP, het CDA, de VVD, BBB, JA21 en de PVV voor het Belastingplan 2026. Zodra ook de Eerste Kamer haar akkoord geeft, wordt de aanpak definitief.

Foto: © Pitane Blue – snelladen tot 300KW

Het geheel vormt een politiek compromis waarin stimulering van elektrisch rijden, het behoud van fiscale voordelen en het aanpassen van verouderde regelingen samenkomen. Voor automobilisten en werkgevers verandert er de komende jaren veel, maar dankzij dit besluit blijft de overgang naar volledig elektrisch rijden voorlopig financieel aantrekkelijker dan eerder was voorzien.

Het amendement bevatte daarnaast een opmerkelijke ingreep in de youngtimerregeling, die al jaren populair is onder automobilisten die een oudere, maar fiscaal gunstige auto van de zaak rijden. De huidige regeling kent een bijtelling van 35 procent van de waarde in het economische verkeer voor auto’s ouder dan vijftien jaar, een systeem dat gul uitpakt bij voertuigen met een lage dagwaarde. De indieners stellen dat deze regeling moet worden versoberd om de kosten van de lagere bijtelling voor elektrische voertuigen te dekken. In de toelichting staat letterlijk dat de indieners «voorstellen de minimumleeftijd voor youngtimers per 2026 met één jaar te verhogen van 15 naar 16 jaar en vanaf 2027 met nog eens negen jaar naar 25 jaar». Ze benadrukken dat deze «geleidelijke versobering» eigenaren een jaar de tijd biedt om «hierop desgewenst te anticiperen». De verhoging van de leeftijdsgrens moet volgens hen bovendien bijdragen aan de vergroening van het Nederlandse wagenpark.

belastingplan 2026

In de technische toelichting maken Grinwis en Oosterhuis duidelijk dat hun wijzigingsvoorstel nauw samenhangt met de aanpassingen binnen het Belastingplan 2026. Ze stellen dat enkele technische onderdelen uit de oorspronkelijke wet achterhaald worden door het verlengen van de korting op de bijtelling voor elektrische auto’s. Hun uitleg luidt dat «als echter de looptijd van de korting op de bijtelling wordt verlengd, het ook nodig is dat een aantal van de in dit wetsvoorstel opgenomen technische wijzigingen niet worden doorgevoerd». Het amendement schrapt daarom diverse passages die betrekking hadden op de eerdere plannen van het kabinet om de kortingsregeling per 2026 volledig te beëindigen. Wat na 2028 moet gebeuren, laten de indieners bewust over aan een volgend wetsvoorstel, iets wat zij toelichten met de woorden dat die wijzigingen «relatief veel» zijn en beter afzonderlijk kunnen worden behandeld.

Van haarlem tot Middenmeer: Noord Holland zet alles op mega netwerk van mobiliteitshubs

Provincie belooft duidelijk netwerk dat reiziger direct moet herkennen.

De provincie Noord-Holland zet de komende jaren stevig in op een toekomstbestendig netwerk van mobiliteitshubs dat het reizen met openbaar vervoer en deelvervoer eenvoudiger en aantrekkelijker moet maken. De plannen, die zich inmiddels in verschillende stadia van uitvoering bevinden, moeten zorgen voor een betere bereikbaarheid van steden, dorpen en natuurgebieden. De provincie benadrukt dat dit nieuwe netwerk reizigers meer gemak en overzicht moet bieden, doordat trein, bus, fiets, auto en diverse vormen van deelvervoer op één plek samenkomen. Volgens de provincie is dit de sleutel om meer mensen te verleiden de auto te laten staan en over te stappen op duurzamere vervoersopties.

De mobiliteitshubs worden ontwikkeld als knooppunten waar reizigers makkelijk kunnen overstappen van het ene vervoermiddel op het andere. Elke hub krijgt zijn eigen kenmerken, maar een ding staat vast: alle hubs vormen samen een herkenbaar en samenhangend netwerk. Vanuit de provincie wordt niet alleen financieel bijgedragen aan de realisatie van deze knooppunten, maar worden gemeenten ook inhoudelijk geholpen met de zogenoemde handreiking businesscase mobiliteitshubs. Deze handreiking helpt gemeenten inzicht te krijgen in de kosten, baten en de rolverdeling bij de ontwikkeling van een hub. Daardoor worden lokale plannen beter onderbouwd en wordt de uitvoering een stuk toegankelijker, zo stelt de provincie.

regiohub

Aan de zuidkant van Haarlem, op de drukke kruising van de Schipholweg (N205) en de Europaweg, verrijst de komende jaren een van de grootste projecten binnen dit netwerk. De regiohub Haarlem Nieuw-Zuid krijgt acht (metro)bushaltes, 2.250 fietsparkeerplekken en een groot plein waar ruimte komt voor winkels en horeca. De eerste werkzaamheden zijn in september van start gegaan en volgens de planning moet het knooppunt medio tot eind 2028 klaar zijn. Met deze hub wil de provincie een belangrijke schakel creëren tussen de stad, de regio en de vele reizigers die dagelijks langs deze route komen.

Ook de regiohub Crailo, gelegen tussen Blaricum, Laren en Hilversum, is in ontwikkeling. Hier wordt gewerkt aan een reeks verbetermaatregelen die het reizen straks comfortabeler moeten maken, waaronder de uitbreiding van de fietsenstalling, betere toegankelijkheid en verbeterde verlichting rondom het gebied. De oplevering van deze aanpassingen staat gepland voor eind 2025 tot begin 2026. De provincie ziet deze hub als een strategische plek om reizigers in het Gooi beter te bedienen.

Met deze reeks ontwikkelingen groeit het aantal locaties dat zich tot mobiliteitshub ontwikkelt snel. Het doel dat de provincie voor ogen heeft, is een betrouwbaar, herkenbaar en effectief netwerk van overstapplekken dat de bereikbaarheid van Noord-Holland sterk verbetert en het reizen voor iedereen eenvoudiger maakt.

Verder naar het noorden, in de Kop van Noord-Holland, wordt gewerkt aan de zogenoemde Mobipunten. Deze hubs worden de komende tijd omgebouwd naar de landelijke huisstijl, zodat reizigers ze sneller herkennen als onderdeel van het bredere netwerk. Verschillende Mobipunten krijgen bovendien extra voorzieningen, waaronder elektrische auto’s en fietsen als nieuwe vormen van deelmobiliteit. Een doorontwikkeling die volgens de provincie past bij de toenemende vraag naar flexibele vervoersopties in dit deel van de provincie.

In Purmerend wordt ondertussen gewerkt aan de plannen voor hub Waterlandkwartier. De gemeente wil naast het station een nieuwe woonwijk realiseren waar ook ruimte komt voor kantoren, winkels en plekken voor recreatie. De provincie ondersteunt de gemeente bij het ontwerp van een hub die goed aansluit op deze verstedelijking. Dat betekent onder meer voldoende ruimte voor fietsparkeren en de inzet van deelvervoer dat past bij de toekomstige bewoners en bezoekers.

regionaal netwerk

Langs de A1 ligt de regiohub Muiden, ook wel P+R Muiden genoemd. Deze plek is strategisch gepositioneerd tussen twee toekomstige woonwijken: de Krijgsman in het noorden en de Bloemendalerpolder in het zuiden. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft voor deze locatie een bijdrage van zeven miljoen euro toegezegd om het aantal parkeerplekken fors uit te breiden. De provincie spreekt de hoop uit om dit in de komende jaren daadwerkelijk te kunnen realiseren, zodat meer reizigers kunnen overstappen op het openbaar vervoer.

Binnen de Gooi- en Vechtstreek wordt de hubstrategie Gooicorridor verder uitgewerkt. Deze strategie richt zich op de ontwikkeling van dertien hubs die gezamenlijk een sterk regionaal netwerk moeten vormen. Volgens de provincie start de uitvoering hiervan in 2026, in samenwerking met de provincie Utrecht. Hiermee moet een fijnmazig netwerk ontstaan dat aansluit op de dagelijkse reizigersstromen in deze regio.

Tot slot wordt er gewerkt aan de voorbereiding van de hub Middenmeer-Zuid. Hier begint binnenkort een participatietraject waarbij inwoners en andere gebruikers kunnen meedenken over de uiteindelijke invulling van deze hub. De provincie wil dat de stem van de omgeving een belangrijke rol speelt, zodat de hub straks daadwerkelijk aansluit op de wensen van de mensen die er gebruik van gaan maken.

TOMP-API: steun van Maas Alliance moet standaard naar hoger niveau tillen

De aankondiging van de oprichting van de nieuw geregistreerde non-profitorganisatie House of TOMP heeft de mobiliteitswereld deze week in beweging gebracht.

De initiatiefnemers spreken van een volgende stap in de verdere groei van open standaarden binnen de Europese mobiliteitsmarkt. De organisatie richt zich volledig op het ondersteunen van de ontwikkeling, toepassing en bekendheid van de TOMP-API, een technische standaard die de communicatie tussen vervoersaanbieders en MaaS-aanbieders stroomlijnt. Volgens de initiatiefnemers moet deze structuur ertoe leiden dat reizigers eenvoudiger kunnen plannen, boeken en betalen binnen één geïntegreerd platform.

fundament

Het uitgangspunt van de TOMP-API is dat verschillende mobiliteitsdiensten zonder haperingen gekoppeld kunnen worden, waardoor een reiziger niet telkens opnieuw hoeft over te stappen op andere apps of informatiesystemen. Door één uniforme specificatie kunnen vervoerders, deelmobiliteitsaanbieders en platforms makkelijker met elkaar communiceren. In de eigen woorden van de initiatiefnemers maakt de TOMP-API het mogelijk dat reizigers “kunnen plannen, boeken, betalen voor verschillende reismodi, toegang krijgen tot informatie over diverse vervoersopties en in één omgeving contact opnemen met de klantenservice”. Deze letterlijke omschrijving vormt al jaren de kern van het gedachtegoed achter de standaard en krijgt met de oprichting van House of TOMP een steviger organisatorisch fundament.

bundeling

De technische doorontwikkeling van de API blijft in handen van de open-sourcegemeenschap binnen de TOMP-Werkgroep (TOMP-WG). Die werkgroep onderhoudt de specificatie en zorgt dat deze actueel blijft in een snel veranderende mobiliteitsmarkt. House of TOMP krijgt een andere rol. De organisatie moet alle partijen bijeenbrengen die de API niet alleen gebruiken, maar samen verder willen brengen. Door die bundeling, zo stellen de initiatiefnemers, kan de standaard zich ontwikkelen tot een breed gedragen Europees instrument dat de interoperabiliteit tussen mobiliteitsdiensten versterkt.

Illustratie: Pitane Blue – TOMP-API

De MaaS Alliance staat expliciet achter het initiatief en ondersteunt de ambities van House of TOMP. Volgens de initiatiefnemers moet de organisatie een krachtige pleitbezorger worden van open en neutrale Europese standaarden. Zij benadrukken dat de experts van de nieuwe organisatie zullen bijdragen aan relevante standaardisatieprojecten en initiatieven, altijd met het oog op de Europese strategie voor duurzame mobiliteit en open distributie. De verwachting is dat deze gezamenlijke inzet een impuls geeft aan de verdere uitbouw van MaaS-ecosystemen waarin consumenten toegang hebben tot een breed scala aan vervoersopties via één kanaal.

non-profit

Het eerste jaar staat volledig in het teken van het vormen van een solide bestuursstructuur en het opstarten van de non-profit. De initiatiefnemers geven aan dat zij de komende maanden alle partijen die de TOMP-API al toepassen actief zullen benaderen om samen een sterke gemeenschap te bouwen. Daarbij is het duidelijk dat de nieuwe organisatie vanaf het begin wil inzetten op een breed en representatief ledenveld. Met deze oproep opent House of TOMP de deur voor bedrijven, organisaties en instellingen die het belang van een open, toekomstbestendige digitale mobiliteitsinfrastructuur delen.

De oprichting van House of TOMP markeert daarmee een nieuw hoofdstuk voor partijen die al langer werken aan transparantie, interoperabiliteit en eenvoud binnen de Europese mobiliteitsketen. De komende maanden moeten uitwijzen hoe snel de gemeenschap zich ontwikkelt en welke rol de organisatie zal spelen in de verdere standaardisatie van MaaS-systemen binnen Europa. Voor nu lijkt het enthousiasme groot en de ambitie helder: een stevigere verankering van de TOMP-API en een solide basis voor open mobiliteitstoepassingen die voor iedere reiziger toegankelijk zijn.

Gemeenteraadsverkiezingen: lector pleit voor centrale rol logistiek

Zijn boodschap aan politieke partijen is kort maar krachtig: wie in 2026 een toekomstbestendige binnenstad wil, moet investeren in slimme logistiek. “Zonder die stille motor valt de stad stil.”

De gemeenteraadsverkiezingen van 2026 beloven meer te worden dan een strijd om zetels en stemmen. Volgens lector City Logistics aan de Hogeschool van Amsterdam, Walther Ploos van Amstel, draait het dit keer om een veel fundamentelere vraag: hoe houden we onze binnensteden leefbaar, bereikbaar en economisch vitaal? Zijn waarschuwing is helder: zonder slimme logistiek valt de binnenstad stil.

De binnenstad is het hart van elke gemeente. Het is de plek waar historie, cultuur, handel en ontmoeting samenkomen. Maar achter die bruisende gevels schuilt een logistieke machinekamer die op volle toeren draait. Elke dag rijden er vrachtwagens, bestelbusjes, bakfietsen en zelfs boten om winkels te bevoorraden, horecazaken van verse producten te voorzien, onderhoudswerk te doen en afval op te halen. “Zonder logistiek komt alles letterlijk tot stilstand,” zegt Ploos van Amstel.

politieke debatten

Toch wordt juist die onzichtbare stroom vaak vergeten in politieke debatten over leefbaarheid. Gemeenten zetten volop in op vergroening, autoluwe zones en een aantrekkelijker verblijfsklimaat. Maar waar de ruimte voor voetgangers en fietsers groeit, wordt die voor logistiek steeds schaarser. Laden en lossen wordt een dagelijks gevecht om een paar vierkante meter stoep. En vanaf 2026 komt daar nog een uitdaging bij: de invoering van zero-emissiezones in steeds meer binnensteden.

Elektrische bestelwagens en vrachtwagens zijn een stap vooruit voor het klimaat, maar vormen een forse investering voor ondernemers. “Niet iedere winkelier of transporteur kan zomaar overstappen,” benadrukt Ploos van Amstel. Zonder slimme samenwerking tussen gemeenten en het bedrijfsleven dreigt de bevoorrading duurder te worden en de keuze voor ondernemers kleiner.

slimme stadslogistiek

Daarom pleit hij ervoor dat logistiek een volwaardige plek krijgt in elk verkiezingsprogramma. Bevoorrading is geen detail in de marge, maar een voorwaarde voor een vitale stad. “Wie kiest voor een leefbare en bereikbare binnenstad, moet ook kiezen voor slimme stadslogistiek,” stelt hij resoluut.

Foto: Pitane Blue – pakketbezorger PostNL

Die slimme logistiek begint met duidelijke en eenvoudige regels. Eén loket voor vergunningen, goede communicatie bij wegwerkzaamheden en voldoende laad- en losplekken kunnen veel frustratie voorkomen. Gemeenten zouden bovendien schone voertuigen moeten belonen met privileges of slimme toegangsregelingen. “Dat bespaart tijd en kosten, en maakt verduurzaming aantrekkelijker,” aldus Ploos van Amstel.

leefbaarheid

Niet alleen grote steden kampen met logistieke vraagstukken. Ook middelgrote gemeenten met compacte centra hebben moeite om de balans te bewaren tussen leefbaarheid, bezoekers en bevoorrading. Daar is de ruimte nog beperkter en de afhankelijkheid van lokale ondernemers vaak groter. Maatwerk is volgens Ploos van Amstel noodzakelijk, maar dan wel binnen een landelijk kader. “Ondernemers die in meerdere steden actief zijn, hebben behoefte aan eenduidige regels. Anders wordt het onwerkbaar.
”Elke sector heeft bovendien eigen logistieke noden. Supermarkten vragen om leveringen buiten de drukke uren, winkels en horeca hebben behoefte aan ruime loslocaties, terwijl pakketdiensten hubs aan de rand van de stad willen. Voor de bouwsector is coördinatie cruciaal, en afvalinzameling kan slimmer met data en ruimere venstertijden.

kennisdeling

De sleutel tot succes ligt in samenwerking en kennisdeling. Gemeenten moeten van elkaar leren wat werkt en wat niet. “Veel steden staan voor dezelfde uitdagingen. Door ervaringen te delen, voorkomen we dat iedereen opnieuw het wiel uitvindt,” zegt Ploos van Amstel. Dat bespaart niet alleen tijd en geld, maar zorgt ook voor consistent beleid.

Want als iedere stad eigen regels en venstertijden hanteert, ontstaat volgens hem een “lappendeken van beleid” die duurzame investeringen juist ontmoedigt. Door gezamenlijk te leren van pilots, monitoring en praktijkervaringen kan beleid ontstaan dat wél werkt.

Fotorechten: Jhr. Dr. Walther Ploos van Amstel (1962).

Als sardientjes op elkaar: Eindhoven Airport puilt uit van de reizigers

Hoewel de luchthaven zelf eerder aangaf bezig te zijn met plannen om de terminal uit te breiden en de reizigerservaring te verbeteren, merken bezoekers daar voorlopig weinig van.

De reizigerservaring op Eindhoven Airport laat de laatste tijd flink te wensen over. Waar de luchthaven jarenlang gold als een vlotte opstapplek voor vakantiegangers en zakenreizigers, lijkt het nu meer op een overvolle wachthal waar het geduld van menig passagier zwaar op de proef wordt gesteld.

Op drukke momenten is het bijna onmogelijk om een zitplaats te vinden. De stoelen die wél beschikbaar zijn, doen meer denken aan de harde houten treinbanken uit de jaren zeventig dan aan comfortabele wachtruimtes van een moderne luchthaven. “Het is alsof je terug in de tijd bent gegaan,” verzucht een reiziger die zichtbaar geïrriteerd is. “Ik herinner me die harde banken nog uit mijn jeugd. Zo voelt het hier ook, keihard, krap en totaal niet uitnodigend.”

bewegingsruimte

De terminal, ooit ontworpen voor een veel kleiner aantal passagiers, barst tegenwoordig uit zijn voegen. Jaar na jaar neemt het aantal reizigers toe, maar de infrastructuur lijkt niet mee te groeien. Mensen staan dicht op elkaar bij de gates, met nauwelijks bewegingsruimte. Het rumoer is oorverdovend en de sfeer gespannen, vooral wanneer vluchten vertraging oplopen.

De ergernis begint voor veel reizigers op Eindhoven Airport al nog voordat ze door de securitycontrole zijn. Terwijl ze met koffers, jassen en handbagage in de rij staan, worden ze eraan herinnerd dat hun flesje water niet mee door de controle mag. Dat is een bekend ritueel op iedere luchthaven, maar op Eindhoven zorgt het voor extra frustratie. Want eenmaal voorbij de controle, ligt hetzelfde flesje water weer keurig in de schappen van de kiosken – dit keer met een prijskaartje bijna vier euro.

Foto: © Pitane Blue – Eindhoven Airport

Wie deze dagen via Eindhoven vliegt, moet zich dus wapenen met geduld — en wellicht een goed kussen om de houten banken een beetje draaglijker te maken.

“Het voelt echt als een klap in je gezicht,” vertelt een reiziger die zichtbaar geïrriteerd haar handbagage weer bij elkaar raapt na de controle. “Je moet je flesje, dat je misschien net voor een euro in de supermarkt hebt gekocht, weggooien. En dan kun je na de security exact hetzelfde merk terugkopen, maar dan voor bijna vier euro. Dat is gewoon belachelijk.”

De luchthavenbezoekers uiten hun ongenoegen. Na het lange wachten bij de incheckbalie en de vaak chaotische beveiligingscontrole, hopen ze even tot rust te komen met een drankje of iets te eten. Maar de prijzen in de horeca en winkels op de luchthaven zorgen voor nog meer wrevel. Een kleine koffie kost al gauw zes euro, een broodje ham en kaas ruim negen. “Je hebt geen keuze,” zegt een man die onderweg is naar Malaga. “Als je dorst hebt, moet je gewoon betalen. Ze weten dat je niets van buiten mee mag nemen, dus ze kunnen vragen wat ze willen.”

werkzaamheden

Wat de situatie nog schrijnender maakt, zijn de aanhoudende werkzaamheden aan de toiletten. Grote delen van de sanitaire voorzieningen zijn afgesloten, waardoor er lange rijen ontstaan bij de weinige toiletten die nog open zijn. Een reizigster uit Tilburg vertelt dat ze meer dan twintig minuten moest wachten om gebruik te kunnen maken van het toilet. “Toen ik eindelijk binnen was, was de stank niet te harden. Het leek wel of er dagenlang niet goed was schoongemaakt. Het is gewoon smerig. Je verwacht dit niet op een internationale luchthaven.”

De geurproblemen zouden volgens meerdere reizigers worden veroorzaakt door de overbelasting van het rioolsysteem en het gebrek aan schoonmaakcapaciteit. Medewerkers doen wat ze kunnen, maar met het grote aantal passagiers is het dweilen met de kraan open.

Op sociale media regent het klachten over Eindhoven Airport. Reizigers klagen over de krappe wachtruimtes, de gebrekkige ventilatie, het beperkte aanbod aan zitplaatsen en de hygiëne van de toiletten. “Je zit hier letterlijk als sardientjes op elkaar,” schrijft een passagier op X. “Er is geen plek om rustig te zitten of te eten. De sfeer is gespannen en iedereen moppert. Dit is geen fijne start van je vakantie.”

modernisering

Ook het personeel lijkt de druk te voelen. De wachtrijen bij de beveiliging en de incheckbalies lopen soms flink op. Toch proberen de medewerkers volgens reizigers vriendelijk te blijven en te helpen waar mogelijk. “Ze doen echt hun best,” zegt een man die met zijn gezin onderweg is naar Spanje. “Maar het is gewoon te druk. Dit gebouw is niet berekend op zoveel mensen.”

Eindhoven Airport heeft in eerdere jaren al aangekondigd te willen investeren in uitbreiding en modernisering van de terminal, maar reizigers merken daar vooralsnog weinig van. Terwijl de vakantieperiodes naderen, groeit de zorg dat de drukte alleen maar zal toenemen.

Elektrisch vervoer rukt op: Nederland rijdt recordaantal emissievrije bussen

De elektrische bus is bezig aan een stille revolutie in het Nederlandse straatbeeld.

Voor het eerst rijden er meer dan vijfduizend zero-emissiebussen in het openbaar vervoer. Dat blijkt uit de nieuwste Monitor zero-emissiebussen Nederland van kennisinstituut CROW, die deze maand verscheen.

De ongeveer 5.200 ov-bussen dat in Nederland rijden zijn (helaas) nog niet allemaal zero-emissie, maar de groei van emissievrije bussen in Nederland is opmerkelijk. Inmiddels rijden er 2.418 zero-emissie bussen in het Nederlandse openbaar vervoer. Daarmee behoort Nederland tot de Europese koplopers op het gebied van schoon busvervoer. Alleen Duitsland telt er meer, maar Nederland heeft er naar verhouding de meeste per inwoner.

steden

De overgang naar elektrisch vervoer gaat niet overal even snel. In stedelijke gebieden is de omslag al bijna compleet. In Amstelland-Meerlanden en Amsterdam rijdt inmiddels meer dan tachtig procent van de bussen zonder uitstoot. Ook Arnhem-Nijmegen en Rotterdam scoren hoog.

In landelijke regio’s, zoals Zeeland, Twente en Zuid-Holland Noord, blijft het aandeel emissievrije bussen nog achter. De afstanden zijn daar groter en laadinfrastructuur ontbreekt soms nog. Toch verwacht CROW dat ook deze regio’s de komende jaren versneld zullen overstappen.

pantograaf

Het merendeel van de Nederlandse elektrische bussen laadt met een pantograaf, een soort laadarm die op het dak van de bus klikt. Bij 39 procent van de voertuigen beweegt de pantograaf omlaag, bij 33 procent juist omhoog. Slechts 10 procent van de vloot rijdt op waterstof. 

Hoewel waterstofbussen de afgelopen jaren aan terrein winnen, blijft de technologie voorlopig een aanvulling op batterij-elektrisch vervoer. De meeste fabrikanten investeren vooral in accutechniek.

Foto: © Pitane Blue –
Bravo – busvervoer

“De elektrificatie van het openbaar vervoer is geen experiment meer, het is de nieuwe standaard,” zegt een woordvoerder van CROW. “Elke nieuwe concessie gaat in principe uit van zero-emissie.”
De monitor besluit optimistisch: als het huidige tempo aanhoudt, rijdt er binnen vijf jaar geen dieselbus meer in Nederland.

De Nederlandse busbouwers VDL en Ebusco zijn de grote winnaars van de elektrificatieronde. Samen leveren zij het grootste deel van de nieuwe bussen. Buitenlandse merken als BYD, Solaris en Mercedes-Benz volgen op afstand.

De vervoerders Arriva, Qbuzz en Connexxion beschikken over de grootste elektrische vloten. In totaal rijden deze bedrijven samen al duizenden bussen op stroom.

Het effect van de transitie is duidelijk zichtbaar in de cijfers. De totale afstand die elektrische bussen jaarlijks afleggen, steeg van 18 miljoen kilometer in 2018 tot 360 miljoen kilometer in 2024. Diesel verdwijnt langzaam uit het straatbeeld, en gas- en waterstofbussen vullen de resterende niches.

Volgens CROW is de milieuwinst aanzienlijk. De uitstoot van fijnstof, stikstof en CO₂ door het busvervoer daalde sinds 2018 met tientallen procenten. “De verbetering van de luchtkwaliteit is vooral in stedelijke gebieden goed merkbaar,” aldus de monitor.

Europa

Nederland loopt met deze cijfers voorop in Europa. Tussen 2012 en 2024 werden in ons land 4.782 zero-emissiebussen geregistreerd, meer dan in Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk of Noorwegen. Alleen Duitsland noteerde hogere absolute aantallen, maar verspreid over een veel groter land.

De Europese markt voor elektrische bussen groeide vorig jaar tot meer dan 8.000 nieuwe registraties. Daarmee lijkt de overstap naar schoon openbaar vervoer in heel Europa in een stroomversnelling te komen.

De verwachting is dat Nederland tegen 2030 vrijwel volledig uitstootvrij busvervoer heeft. Dat is vijf jaar eerder dan in veel andere Europese landen.

“De uitdaging ligt nu niet meer bij de voertuigen, maar bij de stroomvoorziening,” zegt CROW. “De laadinfrastructuur moet meegroeien, en dat vraagt samenwerking tussen vervoerders, gemeenten en netbeheerders.”

Spoor, asfalt of fiets: buiten de Randstad telt ook mee zo kies je de juiste partij

Nederland staat voor een keuze die de komende jaren voelbaar is op elke rotonde, perron en provinciale weg.

De vraag wie het best aangewezen is om onze mobiliteit vlotter, schoner en betaalbaarder te maken, hangt minder af van politieke kleur dan van wat jij zwaarder laat wegen: minder files op de snelweg, méér treinen en bussen die echt rijden, of juist een harde sprint in duurzaamheid en innovatie. Het politieke speelveld laat duidelijke profielen zien, maar het uiteindelijke antwoord is onvermijdelijk gelaagd, omdat bereikbaarheid in de Randstad iets anders vraagt dan een rit naar werk in krimpregio’s, en omdat een elektrisch wagenpark zonder laadpleinen en netcapaciteit slechts een mooi plan op papier blijft.

Wie zweert bij sneller asfalt, extra rijstroken waar de druk het grootst is en het versoepelen van autobelastingen, vindt traditioneel steun bij partijen die de auto als ruggengraat van de economie zien. Zij hameren op onderhoud van bruggen en viaducten, op voorspelbare doorstroming voor logistiek en forenzen, en op terughoudendheid met nieuwe heffingen. De gedachte is dat de meeste verplaatsingen nu eenmaal per auto plaatsvinden en dat Nederland draaiende blijft als het wegennet topfit is. Tegelijk erkennen deze partijen steeds vaker dat slimme verkeerssturing, knooppuntaanpak en modernisering van het vrachtvervoer nodig zijn om niet vast te lopen in eigen succes.

klimaatdoelen

Partijen die het openbaar vervoer en de fiets op één zetten, tekenen voor een ander landbeeld: strakke kwartiersdiensten op hoofdassen, snelle sprinters tussen regio en stad, een stevig investeringsfonds voor spoorverdubbelingen en stations, plus een fietsnetwerk dat woonwijken, campussen en bedrijventerreinen als een puzzel in elkaar laat klikken. Zij koppelen mobiliteit direct aan klimaatdoelen, luchtkwaliteit en woningbouw: zonder betrouwbaar OV stokt de bouw van nieuwe wijken, zonder aantrekkelijke fietsroutes blijft de korte rit per auto te verleidelijk. Hier hoor je pleidooien voor betaalbare abonnementen, integrale concessies en een overheid die regie neemt over dienstregeling, tarief en kwaliteit in plaats van de markt het laatste woord te geven.

Wie buiten de stadsring woont, kent een andere prioriteit: bereikbaar blijven als de laatste bus verdwijnt. Regionaal georiënteerde en sociaal-bewogen partijen leggen de nadruk op landelijk dekkend ov, buurtbussen die écht rijden, deelmobiliteit met zekerheid in plaats van alleen een app, en het opknappen van N-wegen die de levenslijn vormen voor dorpen en landbouw. Zij willen budgetten naar buiten de Randstad sturen en het prijskaartje voor ov omlaag om scholieren, ouderen en forenzen niet in de kou te laten staan. Betaalbaarheid is daarbij geen bijzaak maar het fundament: een dienstregeling die niet te betalen is, telt niet mee.

integrale regie

Er is ook een stroming die vooral inzet op bestuurlijke betrouwbaarheid en integrale regie. Minder versnippering tussen provincies, stadsregio’s en vervoerders, één programmatische aanpak over spoor, weg, fiets en energie-infrastructuur, en scherpe afspraken met het Rijk over doorlooptijd en vergunningen. Dit kamp wil eerst de basics op orde brengen: onderhoudsachterstanden wegwerken, netbeheer en laadinfrastructuur tijdig uitbreiden, en pas daarna grootse beloftes doen. Het lijkt soms saai, maar zonder deze laag van degelijkheid lopen de mooiste ambities vast in stikstof, personeelstekorten of netcongestie.

Illustratie: © Pitane Blue

Het eerlijke antwoord op de vraag wie “het best aangewezen” is, luidt daarom dat de beste partij die is die jouw hoogste prioriteit ononderhandelbaar maakt en tegelijk geloofwaardig is op uitvoering. Mobiliteit is geen folder, maar beton, staal, draden en dienstregelingen. Kies de club die niet alleen belooft, maar kan laten zien hoe de schop de grond in gaat, wie het doet, met welk geld en in welke volgorde. Daar rijdt Nederland uiteindelijk beter van.

Duurzaamheid tenslotte weegt bij menig partij zwaar, maar de route verschilt. Voor de één is dat het versneld elektrificeren van het wagenpark met gerichte subsidies, stevige laadinvesteringen en schoon vrachtvervoer langs zero-emissiezones in steden. Voor de ander begint het met minder autokilometers door ruimtelijke ordening: bouwen bij knooppunten, parkeernormen omlaag en het aantrekkelijker maken van alternatieven. Innovatie – zoals slimme verkeerslichten, mobility as a service, Europese nachttreinen en waterstof in zwaar vervoer – fungeert als lijm tussen de ambities, mits pilots op tijd doorgroeien naar praktijk.

de meetlat

De vraag wie “het best” is, vraagt dus om een eerlijk oordeel langs jouw meetlat. Als jouw prioriteit boven alles doorstroming op de snelweg en logistieke slagkracht is, kom je logischerwijs uit bij partijen die uitbreiden, onderhouden en lasten verlagen voor automobilisten en ondernemers, met flankerende technologische oplossingen. Als je juist wil dat de trein het ruggengraatnet wordt, met frequente verbindingen en scherpe tarieven, en dat fietsen de standaardkeuze wordt binnen tien kilometer, dan ligt een keuze voor partijen die fors investeren in spoor, regionale lijnen, fiets en strikte klimaatdoelen voor de hand. Staat bereikbaarheid van platteland en kleinere steden op één, met betaalbaar ov en veilige N-wegen, dan is de logische match met partijen die regionaal denken en sociale betaalbaarheid centraal zetten. En als je allergisch bent voor grote woorden zonder uitvoeringsmacht, is een formatie met een partij die de regie en de degelijkheid bewaakt waarschijnlijk het meest passend.

coalitie

Coalitiepolitiek maakt dit alles minder zwart-wit. Mobiliteit wordt zelden door één partij bepaald; het is het compromis tussen asfalt, rails en ruimte. Juist daarom is het verstandig te kiezen op het aspect dat jij absoluut niet wilt inleveren. Wil je kortere reistijd met de trein boven alles, dan heb je stevige investeerders in het spoor nodig aan tafel. Wil je dat je bedrijf niet stilvalt door files en omleidingen, dan heb je wegbouwers en beheerders nodig met budget en mandaat. Wil je dat je dorp niet van de kaart verdwijnt, dan heb je pleitbezorgers nodig voor landelijke dekking en fatsoenlijke tarieven.

Kleinere contracten: landelijke vervoerders verliezen lokale kennis en overzicht

Niet de chauffeur, maar het systeem is het probleem. Chauffeurs moeten tegelijk rijden, begeleiden en verzorgen.

Het vervoer van kwetsbare groepen van zowel Wmo-gebruikers als leerlingen met een beperking  staat in veel gemeenten zwaar onder druk. Klachten over te laat komende taxi’s, ritten die uitvallen en kinderen die uren in de auto zitten, stapelen zich op. Ouders en verzorgers trekken aan de bel, chauffeurs raken overbelast en gemeenten wijzen naar elkaar. Terwijl vervoerders worstelen met lage tarieven en krappe planningen, lijkt bij sommige reizigers en ouders het besef te ontbreken dat dit geen privé-taxidienst is, maar collectief vervoer dat afhankelijk is van vele schakels en onvoorziene omstandigheden.

Toch kan de sector ook met een beschuldigende vinger naar zichzelf wijzen. Want de scherpe tarieven waar vervoerders nu onder zuchten, zijn deels door henzelf in het leven geroepen. Jarenlang hebben grote bedrijven hun offertes ingediend tegen bodemprijzen om de concurrentie af te troeven, met alle gevolgen van dien.

Die strategie, ingegeven door de wens om per se marktaandeel te behouden of te vergroten, heeft geleid tot een neerwaartse spiraal. Elke nieuwe aanbesteding werd goedkoper dan de vorige, tot de marges vrijwel verdwenen waren. Het werd een race naar de bodem. We kunnen niet ontkennen dat de sector daar zelf een rol in heeft gespeeld. Bedrijven hebben jarenlang meegeboden op prijzen waarvan ze wisten dat ze eigenlijk niet haalbaar waren.

De aanbestedingen, waarin vaak de laagste prijs de doorslag geeft, zorgen ervoor dat grote landelijke vervoerders enorme percelen binnenhalen. Die moeten vervolgens duizenden ritten per dag organiseren binnen een beperkt tijdsblok. Dat is logistiek bijna ondoenlijk. Bedrijven zitten nu gevangen tussen lage tarieven en hoge verwachtingen. Er wordt te veel gevraagd voor te weinig geld.

het kraakt

Het resultaat is een keten die kraakt. Kinderen met een verstandelijke of lichamelijke beperking komen soms te laat op school of dagbesteding. Ouders melden dat hun kind overstuur raakt door lange wachttijden of ritten die plotseling worden geannuleerd. “Mijn dochter van elf met autisme zat vorige week meer dan anderhalf uur in de taxi,” vertelt een moeder uit Utrecht. “Ze was overstuur toen ze aankwam. De chauffeur kon er niets aan doen, maar het systeem werkt gewoon niet.”

Ook bij het Wmo-vervoer, dat ouderen en mensen met een beperking moet helpen om zelfstandig te blijven, klinken soortgelijke verhalen. Reizigers melden ritten die niet worden uitgevoerd, gebrekkige communicatie en chauffeurs die oververmoeid zijn. Een oudere man uit Noord-Brabant zegt: “Ik wachtte bijna twee uur. De taxi kwam niet. Toen ik belde, kreeg ik te horen dat mijn rit ‘vervallen’ was. Zonder bericht.”

Chauffeurs en reizigers de dupe van onhaalbare prijsafspraken. Lokale vervoerders pleiten voor realistische tarieven en menselijker vervoer.

Niet alleen de lage prijs heeft die de problemen veroorzaakt, maar vooral de schaalgrootte van de contracten. Gemeenten kiezen steeds vaker voor één grote aanbieder die het hele gebied moet bedienen. Daardoor verdwijnt de lokale kennis die cruciaal is om het vervoer soepel te laten verlopen. Een lokale vervoerder kent de wegen, de scholen, de cliënten en hun behoeften. Zij weten dat een bepaald kind bang wordt als het te lang moet wachten of dat een oudere passagier moeite heeft met trapjes. Die menselijke kennis kun je niet vangen in een spreadsheet.

Ik pleit er daarom voor om de grote contracten op te knippen in kleinere, regionale percelen. Dat zou niet alleen de kwaliteit verhogen, maar ook lokale ondernemers een eerlijke kans geven. Als gemeenten het vervoer verdelen over kleinere partijen, wordt de planning overzichtelijker en menselijker. Kleine taxibedrijven kunnen veel flexibeler inspelen op onverwachte situaties.

maatwerk

Ook ouders van leerlingen met een beperking pleiten voor meer maatwerk. Een ouderraad van een speciale basisschool in stuurde onlangs een brief naar de gemeente waarin ze klaagden over de ‘onmenselijke planningen’. In de brief staat: “Onze kinderen zijn geen pakketjes die opgehaald en afgeleverd moeten worden. Ze hebben structuur en rust nodig. Die verdwijnt door het jachtige systeem dat nu is ontstaan.”

Gemeenten erkennen dat de problemen toenemen, maar wijzen op de druk van stijgende kosten en krapte op de arbeidsmarkt. “De budgetten staan onder druk,” zegt een gemeentewoordvoerder. “We proberen de balans te vinden tussen betaalbaarheid en kwaliteit, maar het is een ingewikkeld vraagstuk.” Toch groeit ook binnen de politiek het besef dat het anders moet. Gelukkig pleiten diverse raadsleden ervoor om kwaliteit en lokale kennis zwaarder te laten wegen dan prijs bij toekomstige aanbestedingen.

chauffeurs

Chauffeurs, die dagelijks met de passagiers werken, voelen de spanning het sterkst. “Wij worden aangekeken als iets misgaat,” vertelt een chauffeur die al twintig jaar in het leerlingenvervoer werkt. “Maar wij doen wat we kunnen met de planning die we krijgen. De computer bepaalt de route, niet wij.” Niet de chauffeurs zijn het probleem, maar het systeem waarin zij gedwongen werken. Terwijl klachten over lange wachttijden, uitvallende ritten en overspannen planningen zich opstapelen, zijn het juist de chauffeurs die dagelijks proberen het onmogelijke mogelijk te maken. Zij bevinden zich in de frontlinie van een systeem dat door jarenlange bezuinigingen, te lage aanbestedingstarieven en onrealistische verwachtingen van gemeenten én reizigers is vastgelopen.

Het doelgroepenvervoer – bedoeld voor ouderen, mensen met een beperking en kinderen in het speciaal onderwijs – is in de loop der jaren veranderd van een zorgvoorziening in een logistiek rekenmodel. Gemeenten schrijven enorme percelen uit, waarop grote vervoersbedrijven tegen bodemprijzen inschrijven. Wat daarna volgt, is een puzzel van duizenden ritten per dag binnen een paar uur tijd. En wie die puzzel moet leggen? De chauffeurs.

“De werkdruk is gigantisch,” zegt een chauffeur die al vijftien jaar leerlingen vervoert in Zuid-Holland. “We krijgen een route vanachter een computer voorgeschoteld die in theorie klopt, maar in de praktijk onmogelijk is. Files, kinderen die langer de tijd nodig hebben om in te stappen, of ouders die nog even iets willen zeggen — daar houdt de planning geen rekening mee. En als we vijf minuten te laat zijn, krijgen we de klachten over ons heen.”

opvoeden

De verwachtingen zijn bovendien de laatste jaren alleen maar toegenomen. Van chauffeurs wordt niet alleen gevraagd dat ze veilig en op tijd rijden, maar ook dat ze optreden als begeleider, verzorger en soms zelfs als opvoeder. “We moeten de kinderen helpen uitstappen, begeleiden tot aan de schoolpoort, troosten als ze overstuur zijn en rustig blijven als er iets misgaat onderweg,” vertelt een andere chauffeur. “Dat doen we met liefde, maar het is geen taak die past binnen de tijdsdruk die we krijgen. Soms moeten we kiezen tussen menselijkheid en planning — en dat voelt vreselijk.”

Gemeenten geven intussen toe dat de uitvoering onder druk staat, maar wijzen op budgettaire beperkingen. “We begrijpen de signalen,” zegt een gemeentewoordvoerder. “Maar het is een complexe taak met beperkte middelen.” Een verklaring die binnen de sector met gefronste wenkbrauwen wordt ontvangen. Want de lage tarieven zijn mede het gevolg van aanbestedingen waarbij prijs belangrijker is dan kwaliteit.