België staat aan de vooravond van een ingrijpende verandering op het spoor.
Na het aflopen van het huidige contract met spoorwegmaatschappij NMBS in 2032 moeten delen van het gesubsidieerde reizigersvervoer worden opengesteld voor concurrentie. Andere spoorbedrijven krijgen daardoor de mogelijkheid om mee te dingen naar contracten voor het uitvoeren van treindiensten.
De Belgische ministerraad keurde de uitgangspunten voor de hervorming op 18 juli goed. Internationale spoorvakmedia berichtten daar op 4 augustus uitgebreider over, waardoor ook duidelijker wordt hoe België de nieuwe ordening van het reizigersvervoer wil aanpakken. Het uitgangspunt is geen onmiddellijke volledige liberalisering van het spoor, maar een stapsgewijze invoering van aanbestedingen.
competitieve aanbestedingen
Het huidige openbare-dienstcontract tussen de Belgische staat en NMBS loopt van 2023 tot en met 2032. Zodra die periode voorbij is, wil de federale regering geleidelijk competitieve aanbestedingen invoeren voor contracten rond openbaar reizigersvervoer per spoor. Buitenlandse of andere vervoerders zouden daardoor op termijn de kans kunnen krijgen om bepaalde Belgische treindiensten te exploiteren.
Dat betekent tegelijkertijd niet dat NMBS vanaf 2033 automatisch alle diensten waarvoor geen aanbesteding plaatsvindt, kwijtraakt. Treindiensten die na het aflopen van het huidige contract niet in een competitieve aanbesteding worden opgenomen, kunnen na onderhandelingen rechtstreeks aan NMBS worden toegewezen. Daarmee kiest België voor een overgangsmodel waarbij concurrentie geleidelijk haar intrede doet en NMBS tegelijkertijd een belangrijke positie kan behouden.
De hervorming is voorgesteld door minister van Mobiliteit Jean-Luc Crucke. België wil met de nieuwe aanpak voldoen aan de Europese regels voor de organisatie van het openbaar reizigersvervoer per spoor. De praktische uitwerking van het systeem moet de komende periode verder worden voorbereid.
aanbestedingsprocedures
Een belangrijk onderdeel daarvan wordt de positie van de federale overheid. De regering wil één versterkte federale publieke autoriteit die verantwoordelijk wordt voor de strategische planning van de treindiensten en het beheer van de aanbestedingsprocedures. Die instantie moet over voldoende technische, regelgevende en operationele kennis beschikken om toezicht te kunnen houden op een spoorwegmarkt waarop mogelijk meerdere vervoerders actief zijn.
Juist die centrale regie moet voorkomen dat de komst van concurrentie leidt tot een versnipperd spoorwegsysteem. België wil daarom niet alleen verschillende vervoerders de mogelijkheid bieden om diensten uit te voeren, maar tegelijkertijd mechanismen behouden waarmee de samenhang van het netwerk kan worden bewaakt.
Daarbij gaat het onder meer om de technische uitwisselbaarheid binnen het spoorwegsysteem en de afstemming van dienstregelingen. Treinen van vervoerders die een openbare dienst uitvoeren en commerciële spoorbedrijven moeten binnen hetzelfde netwerk kunnen functioneren zonder dat reizigers de dupe worden van gebrekkige aansluitingen of een inefficiënte verdeling van de beschikbare capaciteit. Ook het doelmatige gebruik van spoorinfrastructuur en rollend materieel maakt deel uit van de plannen.
Voor reizigers is vooral de kaartverkoop een belangrijk aandachtspunt. De Belgische regering wil ondanks de komst van concurrentie geïntegreerde tarieven en tickets voor het openbare spoorvervoer behouden. Daarmee moet worden voorkomen dat reizigers straks voor verschillende delen van één reis afzonderlijke kaartjes nodig hebben omdat meerdere vervoerders op het Belgische spoor actief zijn.
vervoersdiensten
Tegelijkertijd moet het systeem ruimte bieden aan vervoersdiensten die onder verantwoordelijkheid van regionale overheden of particuliere vervoerders worden uitgevoerd. België probeert daarmee twee uitgangspunten met elkaar te combineren: meer concurrentie bij de uitvoering van het treinvervoer en tegelijkertijd een centraal gecoördineerd netwerk voor de reiziger.
Voor Vlaanderen en Nederland kan de koerswijziging grote gevolgen krijgen. Wanneer Belgische spoorcontracten daadwerkelijk via aanbestedingen op de markt komen, kunnen ook buitenlandse vervoerders belangstelling tonen voor regionale of mogelijk nationale concessies. Dat kan eveneens nieuwe mogelijkheden bieden bij spoorverbindingen die de grens tussen België en Nederland passeren.
De keerzijde is dat een spoorwegnet met verschillende vervoerders ingewikkelder kan worden. Vooral bij grensoverschrijdende verbindingen zijn een goede afstemming van dienstregelingen, geschikt materieel en eenvoudige kaartverkoop van belang. De Belgische plannen leggen daarom nadrukkelijk de nadruk op het behouden van samenhang binnen het netwerk terwijl de markt tegelijkertijd voor concurrentie wordt geopend.
hervormingen
Hoe de verdeling van de treindiensten vanaf 2033 er precies gaat uitzien, staat nog niet vast. De ministerraad heeft Crucke opdracht gegeven het operationele kader voor de hervormingen verder uit te werken. Ook de voorgestelde bestuursstructuur en het tijdschema voor de stapsgewijze invoering moeten later opnieuw aan de regering worden voorgelegd.
Daarmee ligt de richting inmiddels wel vast, maar moet een belangrijk deel van de praktische uitvoering nog worden bepaald. Het jaar 2032 vormt daarbij het cruciale kantelpunt. Dan loopt het huidige openbare-dienstcontract met NMBS af en moet België klaar zijn voor een spoorwegmarkt die voldoet aan het Europese regelgevende kader. Vanaf 2033 kan daarmee een nieuw tijdperk beginnen waarin NMBS niet langer vanzelfsprekend de enige partij is die voor de Belgische staat gesubsidieerde treindiensten uitvoert.
