Nieuwe verbindingen vanuit Den Haag en Amersfoort brengen economische positie van NS-concessie niet in gevaar.
Arriva heeft een belangrijke horde genomen voor zijn plannen om vanuit Amersfoort en Den Haag rechtstreeks naar Parijs te rijden. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) heeft bepaald dat de vervoerder toegang moet krijgen tot de spoorweginfrastructuur voor de aangekondigde verbindingen. NS had de toezichthouder gevraagd te onderzoeken of de nieuwe concurrentie het economische evenwicht van zijn hoofdrailnetconcessie voor de periode 2025-2033 in gevaar zou brengen. Volgens de ACM is daarvan geen sprake.
Arriva meldde de nieuwe treindiensten op 6 juli 2026 bij de ACM. De vervoerder wil tweemaal per dag een trein laten rijden tussen Amersfoort en Parijs en daarnaast driemaal per dag een verbinding tussen Den Haag HS en de Franse hoofdstad aanbieden. De treinen zouden ook in omgekeerde richting rijden.
hoofdrailnetconcessie
Daarmee krijgt Arriva op een deel van het Nederlandse spoor te maken met trajecten waarop NS al reizigers vervoert. De nieuwe diensten overlappen gedeeltelijk met zowel binnenlandse als internationale treindiensten die NS op grond van de hoofdrailnetconcessie uitvoert. Bij de internationale diensten gaat het volgens de ACM uitsluitend om het Nederlandse deel van het traject. Het vervoer over de grens in België maakt geen deel uit van die concessie.
NS stapte daarop naar de ACM. De spoorvervoerder diende op 5 augustus 2026 een aanvraag in voor een zogenoemde economisch evenwichtstoets. Daarbij wordt bekeken of een nieuwe treindienst die zonder concessie wordt aangeboden zo’n grote economische impact heeft dat een bestaande concessie in gevaar komt.
NS wilde bovendien dat de toezichthouder niet uitsluitend naar de nieuwe plannen van Arriva zou kijken. Het spoorbedrijf vroeg om een cumulatieve beoordeling waarbij ook andere, eerder gemelde binnenlandse en internationale treindiensten in open toegang zouden worden meegenomen. Volgens NS moest de impact van de nieuwe verbindingen boven op de economische gevolgen van eerdere opentoegangsdiensten worden gelegd.
De ACM ging daar slechts gedeeltelijk in mee. Volgens de gehanteerde methodiek kunnen voor een cumulatieve beoordeling alleen meldingen worden meegenomen die tijdens dezelfde concessieperiode zijn gedaan. Diensten die al waren gemeld voordat de huidige hoofdrailnetconcessie voor 2025-2033 werd verleend, tellen daarom niet mee.
vertrouwelijk aangemerkt
Daardoor bleven naast de nieuwe verbindingen vanuit Amersfoort en Den Haag naar Parijs nog twee andere gemelde internationale diensten over: Amsterdam-Brugge en Brussel-Milaan. De economische gevolgen van deze verbindingen werden samen met de nieuwe Parijs-plannen bekeken.
NS had voor de verschillende diensten berekeningen gemaakt van de negatieve impact op het interne rendement. De precieze percentages zijn in de openbare versie van het besluit niet zichtbaar en worden als vertrouwelijk aangemerkt. Ook het door NS berekende totale cumulatieve effect is om die reden niet openbaar gemaakt.
De ACM benadrukt dat zij niet heeft onderzocht of de schattingen van NS juist zijn. Dat bleek voor het uiteindelijke oordeel ook niet noodzakelijk. Zelfs wanneer wordt uitgegaan van de door NS aangeleverde cijfers, blijft de berekende afname van het interne rendement volgens de toezichthouder ruim onder de grens van 0,2 procentpunt. Een afname onder dat niveau wordt volgens de methodiek van de ACM in de regel niet gezien als een aanzienlijk negatief effect.
Dat geldt niet alleen wanneer naar de nieuwe treinen van Arriva afzonderlijk wordt gekeken, maar ook wanneer de effecten van Amsterdam-Brugge, Brussel-Milaan en de verbindingen vanuit Amersfoort en Den Haag naar Parijs bij elkaar worden opgeteld. De conclusie van de toezichthouder is daarom dat de nieuwe diensten geen aanzienlijk negatief effect hebben op de hoofdrailnetconcessie van NS.
netto voordeel voor reizigers
Voor reizigers ziet de ACM bovendien een duidelijk voordeel. Arriva wil een verbinding aanbieden die momenteel niet als concessiedienst bestaat: rechtstreeks en zonder overstappen vanuit zowel Amersfoort als Den Haag naar Parijs. Volgens de toezichthouder levert dat een netto voordeel voor reizigers op.
Voor de uitkomst van de procedure was dat voordeel uiteindelijk niet doorslaggevend. De ACM had namelijk al vastgesteld dat het economische evenwicht van de NS-concessie niet in gevaar komt. De toezichthouder merkt daarbij op dat het meewegen van de voordelen voor reizigers die conclusie alleen maar verder versterkt.
Daarmee valt het besluit uit in het voordeel van Arriva. De ACM concludeert dat de melding van 6 juli 2026 het economische evenwicht van de hoofdrailnetconcessie 2025-2033 niet bedreigt. Op grond van de Europese regels moet daarom toegang tot de spoorweginfrastructuur worden verleend voor de gemelde treinen van Amersfoort en Den Haag HS naar Parijs en terug.
Het besluit betekent overigens nog niet dat alle praktische obstakels voor de treindiensten zijn verdwenen. De ACM maakt nadrukkelijk duidelijk dat zij met deze beslissing geen oordeel geeft over de verdeling van de beschikbare capaciteit op het spoor zoals bedoeld in de Spoorwegwet. Het besluit gaat uitsluitend over de vraag of Arriva vanuit economisch oogpunt toegang tot de spoorinfrastructuur mag krijgen.
