Tag archieven: infrastructuur

Vertrekkende topman ProRail John Voppen bekent: ik brak bewust de regels voor veiligheid

Zonder actie dreigt nederland dezelfde problemen als Duitsland tegemoet te gaan, vertrekkende prorail topman slaat alarm spoor dreigt kapot te gaan.

De vertrekkende topman van ProRail, John Voppen, laat bij zijn afscheid weinig ruimte voor misverstand over de staat van het Nederlandse spoor. Na meer dan twintig jaar in de sector, waarvan zeven jaar als bestuursvoorzitter, trekt hij een duidelijke conclusie: zonder forse investeringen loopt de infrastructuur onherroepelijk vast. “Uiteindelijk gaat de infrastructuur gewoon kapot,” waarschuwt hij nadrukkelijk.

Tijdens zijn periode aan het roer kreeg Voppen te maken met uiteenlopende uitdagingen, van de ongekende terugval in reizigers tijdens de coronapandemie tot de huidige drukte op het spoor, die juist piekt. Toch bleef één strijd onbeslecht: het overtuigen van de politiek in Den Haag van de noodzaak om structureel meer geld vrij te maken voor onderhoud en vernieuwing. Volgens hem is het probleem niet zozeer dat politici het belang niet zien, maar dat investeringen te vaak worden behandeld als kostenposten die kunnen worden uitgesteld.

Die spanning tussen regels en realiteit kwam scherp naar voren in zijn eigen handelen. Voppen erkent openlijk dat hij bewust de Aanbestedingswet heeft overtreden om de veiligheid van het spoor te waarborgen. “Ja. Dat mag je best opschrijven. Uiteindelijk ben ik verantwoordelijk voor een veilig en betrouwbaar spoor. Dan kun je niet zeggen: we laten het maar gebeuren omdat een contract iets niet toestaat.”

leiderschap

Hij verwijst tijdens een interview met de Volkskrant naar een concreet voorbeeld op de Brabantroute, waar slijtage aan de bovenleiding sneller toenam dan verwacht. Volgens de regels mocht ProRail het extra werk niet zomaar door dezelfde aannemer laten uitvoeren, maar Voppen besloot anders. “Als er tijd is om het te maken, dan moet je het fixen.” Die praktische instelling typeert zijn leiderschap, waarin veiligheid en betrouwbaarheid zwaarder wegen dan strikte naleving van procedures.

Ondanks de successen die hij ook benoemt, zoals een hoge punctualiteit en verbeterde samenwerking met de NS, vertrekt Voppen op een precair moment. De komende jaren is volgens ProRail meer dan een miljard euro nodig om verouderde onderdelen van het spoor te vervangen. Daarbovenop komt nog eens circa 600 miljoen euro om het netwerk beter te beschermen tegen sabotage en cyberdreigingen.

Volgens Voppen is het Nederlandse spoor jarenlang ingericht op maximale efficiëntie, met minimale buffers. “Alles zo minimaal mogelijk. Alles just in time.” Die aanpak hield de kosten laag, maar maakt het systeem kwetsbaar. De gevolgen van uitgesteld onderhoud worden pas na jaren zichtbaar, benadrukt hij. “De eerste vier jaar merk je daar nauwelijks iets van. Over acht jaar waarschijnlijk ook nog niet. Maar als je twaalf jaar niet investeert, krijg je een probleem.”

Foto: Prorail

Per 1 juli maakt hij de overstap naar een totaal andere sector als topman van Total Care, een bedrijf in schoonmaak en thuiszorg. Daar wil hij het werk van binnenuit leren kennen door zelf mee te draaien. Het spoor laat hij achter met gemengde gevoelens, maar niet zonder vertrouwen. “Het is allemaal niet perfect, maar ik laat het met een heel gerust hart achter. We hebben een fantastische organisatie.”

De waarschuwing is niet hypothetisch. Voppen wijst naar Duitsland, waar jarenlang te weinig werd geïnvesteerd en het spoor nu kampt met structurele storingen en vertragingen. Nederland dreigt volgens hem dezelfde kant op te gaan als er geen koerswijziging komt. De eerste signalen zijn al zichtbaar: het aantal impactvolle storingen ligt boven de afgesproken norm, met financiële sancties tot gevolg.

kritisch

Tegelijkertijd is hij kritisch op het systeem waarin ProRail opereert. De verzelfstandiging van het spooronderhoud in de jaren negentig noemt hij een “historische fout”. In theorie moest marktwerking leiden tot betere prestaties, maar in de praktijk is ProRail afhankelijk van een klein aantal gespecialiseerde aannemers en kampt de sector met een tekort aan technici. Dat maakt flexibiliteit moeilijk en belemmert innovatie.

Voppen benadrukt dat niet alle verantwoordelijkheid bij de politiek ligt. Ook binnen ProRail worden fouten gemaakt, erkent hij. Toch blijft zijn kernboodschap overeind: zonder tijdige en voldoende investeringen komt de betrouwbaarheid van het spoor in gevaar.

Karremans ziet geen ruimte: strategische agenda blijft steken bij plannen door geldgebrek

Er ligt voorlopig geen extra geld op tafel om de verkeersveiligheid op Nederlandse rijkswegen verder te verbeteren.

Dat blijkt uit de Strategische Agenda die minister Vincent Karremans van Infrastructuur en Waterstaat vrijdag naar buiten heeft gebracht. In het document ontbreken concrete nieuwe maatregelen, juist omdat de financiële ruimte ontbreekt om direct in te grijpen. De minister steekt zijn boodschap niet onder stoelen of banken. 

zorgwekkend

In het voorwoord van de agenda schetst hij een zorgwekkend beeld van de huidige situatie op de snelwegen. “Op onze rijkswegen vallen jaarlijks zeventig tot tachtig verkeersdoden”, schrijft Karremans. Hoewel er op verschillende locaties al werkzaamheden gaande zijn om de veiligheid te vergroten, erkent hij dat dit niet voldoende is om het aantal slachtoffers daadwerkelijk omlaag te brengen. “Maar laat ik eerlijk zijn: zonder verdere, structurele maatregelen daalt het aantal slachtoffers niet.”

Toch blijft het voorlopig bij constateringen en analyses. Uit een ambtelijk advies dat gelijktijdig naar de Tweede Kamer is gestuurd, blijkt dat er door het gebrek aan financiële middelen geen ruimte is voor nieuwe, concrete ingrepen. In plaats daarvan richt het ministerie zich eerst op het in kaart brengen van mogelijke maatregelen en hun effectiviteit. Pas in een later stadium wordt bekeken welke keuzes gemaakt kunnen worden, afhankelijk van wat er financieel haalbaar is. Daarbij wordt expliciet gesproken over beslissingen “binnen de beschikbare middelen”.

De beperkte budgetten dwingen het ministerie tot scherpe keuzes, benadrukt Karremans. Hij onderkent dat de ambities botsen met de realiteit van de overheidsfinanciën. “Dat vraagt om scherpe en slimme keuzes. Keuzes waarbij we elke euro laten renderen in minder slachtoffers.” Volgens de minister heeft de agenda daarom een “realistische insteek”, waarbij niet wordt beloofd wat op korte termijn niet waargemaakt kan worden.

vier centrale thema’s

De Strategische Agenda zelf is opgebouwd rond vier centrale thema’s die samen de basis moeten vormen voor toekomstig beleid. De eerste pijler richt zich op een veilige inrichting van de wegen. Daarbij willen overheidsorganisaties nauwkeurig onderzoeken welke infrastructurele aanpassingen daadwerkelijk bijdragen aan minder ongevallen en slachtoffers. Denk aan aanpassingen in wegontwerp, signalering en inrichting van risicovolle trajecten.

Foto: Vincent Karremans

Daarnaast is er aandacht voor het gedrag van weggebruikers, een factor die volgens experts een grote rol speelt bij verkeersongevallen. Binnen dit tweede thema wordt gekeken naar manieren om veiliger rijgedrag te stimuleren, al blijven concrete acties voorlopig uit. Het derde speerpunt draait om technologische ontwikkelingen, zoals rijhulpsystemen in voertuigen. Het ministerie wil onderzoeken hoe deze systemen breder ingezet kunnen worden om risico’s op de weg te verkleinen.

data-analyse

Het vierde en laatste thema focust op het gebruik van data. Door beter gebruik te maken van beschikbare gegevens over verkeersstromen, ongevallen en risicopunten, hoopt het ministerie gerichter beleid te kunnen ontwikkelen. Data-analyse moet helpen om prioriteiten te stellen en middelen effectiever in te zetten.

Ondanks het ontbreken van directe maatregelen, presenteert Karremans de agenda nadrukkelijk als een beginpunt en niet als een eindstation. Hij wil voorkomen dat het document slechts op de plank belandt zonder concrete opvolging. “Deze agenda is niet geschreven om in een bureaula te belanden”, stelt hij. “Het is een startschot.”

beperkingen

Daarmee lijkt de minister vooral tijd te willen winnen om, binnen de financiële beperkingen, alsnog tot keuzes te komen die de verkeersveiligheid op termijn verbeteren. Voor nu blijft de conclusie echter dat de ambities groot zijn, maar de middelen ontbreken om ze direct waar te maken. De komende periode zal moeten uitwijzen of de beloofde vervolgstappen daadwerkelijk leiden tot concrete acties die het aantal verkeersslachtoffers terugdringen.

Kabinet worstelt met toekomst: onderzoek zet vraagtekens bij meer concurrentie op rails

Nederland staat voor een fundamentele keuze over de toekomst van het spoor.

Moet het netwerk na 2033 verder worden opengebroken voor concurrentie, of blijft een centraal aangestuurde structuur met één dominante vervoerder de beste garantie voor een betrouwbaar systeem? Uit een omvangrijke studie van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat blijkt dat die vraag minder eenvoudig te beantwoorden is dan vaak wordt gedacht.

Het rapport, opgesteld door een consortium van Goudappel, Rebel en APPM, schetst vijf mogelijke modellen voor de organisatie van het spoor. Daarbij variëren de scenario’s van het behoud van het huidige hoofdrailnet met één landelijke concessie tot een vergaand open netwerk waarin tientallen vervoerders actief kunnen zijn. Tussen die uitersten liggen varianten met meerdere concessies, regionale corridors of een functionele scheiding tussen intercity’s en stoptreinen.

de verschillen

Wat opvalt is dat de verschillen voor de reiziger op papier relatief klein lijken. Alle modellen gaan uit van hetzelfde dienstregelingsniveau, het zogenoemde ‘6-basis’-model, waarbij op drukke trajecten elke tien minuten een trein rijdt. Daardoor blijven reistijden, bereikbaarheid en zelfs het aantal reizigers in de meeste varianten vrijwel gelijk. Toch zit de echte spanning niet in de dienstregeling, maar in de organisatie erachter.

Het Nederlandse spoor behoort tot de drukst bereden netwerken van Europa. Treinen rijden met hoge frequenties over een infrastructuur die weinig ruimte laat voor fouten. Juist in zo’n systeem blijkt samenwerking cruciaal. De onderzoekers waarschuwen dat meer vervoerders automatisch leidt tot complexere coördinatie. Denk aan storingen, onderhoud, het verdelen van capaciteit en het afstemmen van dienstregelingen. Hoe meer partijen betrokken zijn, hoe groter de kans op conflicten en vertragingen in de besluitvorming.

Een ander belangrijk punt is de robuustheid van het netwerk. Kleinere concessies kunnen lokaal juist minder gevoelig zijn voor verstoringen, maar verliezen tegelijkertijd flexibiliteit. Materieel en personeel zijn minder uitwisselbaar en bij grote storingen wordt centrale bijsturing lastiger. De studie stelt dan ook dat niet eenduidig kan worden vastgesteld of meer marktwerking de betrouwbaarheid verbetert of verslechtert. Wel wordt duidelijk dat de organisatie complexer wordt.

In het rapport “Toekomstige Marktordening Spoor – Een vergelijking van studievarianten” worden vijf mogelijke modellen onderzocht voor de organisatie van het spoor nadat de huidige concessie van NS afloopt. De studie laat zien dat meer marktwerking kansen biedt, maar ook grote risico’s meebrengt voor een van de drukst bereden spoorwegnetten van Europa.

Foto: © Pitane Blue – ICE station Utrecht

De kernvraag blijft daarmee overeind: hoeveel concurrentie kan het Nederlandse spoor aan zonder de stabiliteit van het systeem te ondermijnen? Het antwoord daarop zal bepalen hoe miljoenen reizigers zich in de toekomst door het land verplaatsen.

Op financieel vlak zet het rapport vraagtekens bij de veronderstelling dat concurrentie automatisch leidt tot lagere prijzen. De onderzoekers schrijven dat “er weinig zekerheid is over de financiële baten van marktwerking”. Hoewel concurrentie theoretisch kan zorgen voor efficiëntere bedrijfsvoering, blijkt uit internationale ervaringen dat dit effect moeilijk aantoonbaar is. Ook kunnen extra kosten ontstaan door aanbestedingen, toezicht en ingewikkeldere systemen.

innovatie

Daar komt bij dat het huidige model schaalvoordelen biedt. Eén grote vervoerder kan kosten spreiden, processen standaardiseren en investeringen efficiënter uitvoeren. Bij opsplitsing van het netwerk verdwijnen deze voordelen deels. Tegelijkertijd kan meer concurrentie juist innovatie stimuleren en nieuwe diensten opleveren. De balans tussen die twee krachten blijft volgens het rapport onzeker.

Voor reizigers speelt eenvoud een grote rol. In varianten met meerdere vervoerders neemt het aantal overstappen toe, en daarmee ook de kans op verwarring. Het rapport wijst erop dat bij meer aanbieders het belang van uniforme systemen groeit, zoals één betaalmethode en duidelijke reisinformatie. Zonder zulke afspraken dreigt versnippering, wat de reiservaring kan verslechteren.

geen voorkeur

Opvallend is dat de studie geen duidelijke voorkeur uitspreekt voor één model. Dat is bewust: het onderzoek moet vooral inzicht geven in de verschillen, niet in de uiteindelijke keuze. Wel valt tussen de regels door te lezen dat vergaande liberalisering risico’s met zich meebrengt, zeker in een dicht en intensief gebruikt netwerk als het Nederlandse spoor.

De komende jaren moet Den Haag knopen doorhakken. De huidige concessie van NS loopt tot 2033, waarna een nieuw systeem moet worden ingevoerd. Daarbij spelen niet alleen economische overwegingen een rol, maar ook politieke keuzes over publieke belangen zoals bereikbaarheid, betaalbaarheid en betrouwbaarheid.

de praktijk

De discussie over de toekomst van het Nederlandse spoor krijgt ook een stem vanuit de praktijk. Wouter van Gessel, voorzitter van Stichting Freedom of Mobility, spreekt zich fel uit tegen verdere liberalisering van het spoor. Volgens hem staat de kern van het openbaar vervoer haaks op het idee van concurrentie.

Van Gessel benadrukt dat het openbaar vervoer in de eerste plaats een publieke taak heeft. “OV heeft een publieke taak en daarmee ook een verantwoordelijkheid,” stelt hij. Daarmee raakt hij aan een punt dat ook in recente beleidsstudies terugkomt: het spoor is niet zomaar een markt, maar een systeem waarin maatschappelijke belangen centraal staan.

Volgens de voorzitter van de stichting functioneert het spoor als een samenhangend geheel waarin alles met elkaar verbonden is. “OV is een mechaniek dat serieel geschakeld is waar alles met elkaar samenvalt,” zegt hij. Juist die samenhang maakt het volgens hem kwetsbaar voor versnippering. Waar één vervoerder het netwerk integraal kan aansturen, leidt concurrentie volgens Van Gessel tot een parallel aanbod dat moeilijk op elkaar af te stemmen is.

extra complexiteit

Met die opvatting zet hij zich af tegen het idee dat marktwerking automatisch leidt tot betere dienstverlening. Zijn redenering sluit aan bij zorgen die breder leven binnen de sector, namelijk dat meer aanbieders kunnen zorgen voor extra complexiteit, meer afstemming en mogelijk minder betrouwbaarheid.

Van Gessel waarschuwt bovendien voor een te theoretische benadering van het spoor. “Spoor is niet te benaderen als een modelbaan waar je maar wat kan doen,” stelt hij scherp. Daarmee doelt hij op beleidskeuzes die volgens hem onvoldoende rekening houden met de operationele realiteit van het netwerk, waar kleine verstoringen grote gevolgen kunnen hebben.

Ook de rol van Europa komt in zijn kritiek naar voren. Hij vindt dat er op Europees niveau nog onvoldoende begrip is voor de specifieke kenmerken van nationale spoorsystemen. “Ook op dit dossier moet Europa nog veel leren,” aldus Van Gessel. Daarmee plaatst hij vraagtekens bij de Europese trend richting verdere liberalisering van het spoorvervoer.

Regio Noord Oost Brabant: vol inzetten op fiets bus en betere bereikbaarheid

Noordoost-Brabant staat aan de vooravond van een ingrijpende verbetering van de bereikbaarheid.

Met een investeringspakket van bijna 130 miljoen euro willen gemeenten en provincie de regio de komende jaren klaarstomen voor de toekomst. Onlangs hebben RNOB en de provincie Noord-Brabant gezamenlijk het Regionaal Mobiliteitsprogramma 2026–2027 vastgesteld. Tijdens de Bestuurlijke Overlegtafel Mobiliteit van RNOB gaven alle aanwezige mobiliteitswethouders en de provincie hun goedkeuring aan het omvangrijke maatregelenpakket. Daarmee is een belangrijke stap gezet richting een beter bereikbaar en toekomstbestendig Noordoost-Brabant.

bereikbaarheid

Het Regionaal Mobiliteitsprogramma, kortweg RMP 2026-2027, vertegenwoordigt een totaalbedrag van 129.930.000 euro. De provincie Noord-Brabant neemt daarvan maximaal 56.028.000 euro voor haar rekening. Ook het Rijk levert een bijdrage via de regeling Woningbouw op Korte Termijn, bedoeld om de bereikbaarheid van nieuwe woningbouwlocaties te versterken. De financiële injectie moet ervoor zorgen dat de regio niet alleen beter bereikbaar wordt, maar ook aantrekkelijk blijft om te wonen en te werken.

De komende twee jaar slaan de tien gemeenten binnen RNOB en de provincie de handen ineen om de plannen verder uit te werken. Dat gebeurt gebiedsgericht, waarbij per deelgebied wordt gekeken welke maatregelen nodig zijn en hoe deze het beste kunnen worden uitgevoerd. Het programma bestaat uit vijf deelpakketten. Daarmee wordt zowel ingezet op de bereikbaarheid van kleinere kernen als op de mobiliteitstransitie in de grotere steden. Daarnaast richten de partners zich op drie belangrijke corridors: A2 en A59/N65, N264/A50 en Bus Rapid Transit Eindhoven-Oss, en de Maaslijn.

doorstroming

Deze corridors vormen de ruggengraat van het mobiliteitssysteem in de regio. Ze verbinden middelgrote steden met dorpen en kleinere kernen en moeten zorgen voor een vlotte doorstroming van verkeer. Daarbij ligt de nadruk niet uitsluitend op de auto. Integendeel, de plannen zijn juist bedoeld om alternatieven te stimuleren. Denk aan lopen, fietsen en openbaar vervoer. Snelfietsroutes, ruime fietsenstallingen, hoogwaardige openbaarvervoerverbindingen en de ontwikkeling van OV-knooppunten moeten bewoners verleiden vaker voor duurzame mobiliteit te kiezen.

Met name het Bus Rapid Transit-concept, snelle busverbindingen met een hoge frequentie, wordt gezien als een belangrijke schakel in de mobiliteitstransitie. In combinatie met snelfietsroutes, deelmobiliteit en goed ingerichte mobiliteitsknooppunten kan dit systeem een serieus alternatief vormen voor de auto. Opvallend is dat de maatregelen op de corridors niet vallen binnen het landelijke Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport van het Rijk. Toch wordt nadrukkelijk gezocht naar samenhang en versterking van bestaande infrastructuur.

Foto: © Pitane Blue – fietsen in Nederland

Met bijna 130 miljoen euro op tafel ligt er een stevig fundament. De komende jaren moet blijken hoe de plannen zich vertalen naar concrete verbeteringen op straat, langs het spoor en op de fietspaden. Noordoost-Brabant zet daarmee een grote stap richting een mobiliteitssysteem dat klaar is voor de toekomst.

De komende periode staat in het teken van verdere uitwerking. Alle maatregelen worden vertaald naar concrete voorstellen die zowel inhoudelijk als financieel worden beoordeeld. Voor elk deelpakket is een bestuurlijk trekker aangewezen die het proces in goede banen moet leiden. Het streven is dat de provincie uiterlijk eind 2027 voor alle maatregelen een officiële beschikking heeft afgegeven. Jaarlijks zijn er twee tranches binnen de provinciale bijdrageregeling mobiliteit waaruit financiering kan worden toegekend.

schoolfietsroutes

Naast de ruim 56 miljoen euro die via het RMP wordt ingebracht, stelt de provincie extra middelen beschikbaar voor specifieke programma’s en onderzoeken. Zo gaat 896.000 euro naar verkeersveiligheid en wordt 2.500.000 euro geïnvesteerd in veilige schoolfietsroutes. Ook worden voorzieningen bij belangrijke OV-haltes binnen de nieuwe OV-concessie aangepakt. Daarnaast komt er onder meer een studie naar de mobiliteitsknoop in Nistelrode. RNOB vervult hierbij, via de Opgaveregisseur Mobiliteit, een coördinerende rol.

De ambitie reikt verder dan alleen asfalt en bushaltes. Het programma verbindt mobiliteit nadrukkelijk met woningbouw, leefbaarheid en brede welvaart, in de regio omschreven als ’t Goeie leven. Wethouder Jan van Burgsteden, voorzitter van de Bestuurlijke Overlegtafel Mobiliteit RNOB en bestuurlijk trekker van de Corridor N264/A50 en Bus Rapid Transit, benadrukt het gezamenlijke karakter van de plannen. Hij zegt: “Met dit programma werken we samen met onze partners aan een toekomstbestendig mobiliteitssysteem voor Noordoost-Brabant, in samenhang met verstedelijking en economische ontwikkeling.”

Die samenwerking vormt de kern van het programma. RNOB, de tien gemeenten, de provincie Noord-Brabant en diverse mobiliteitspartners hebben het plan gezamenlijk opgesteld. De overtuiging is dat alleen door krachtenbundeling de groei van de regio in goede banen kan worden geleid. Met nieuwe woningen op komst en een economie die zich blijft ontwikkelen, is bereikbaarheid een cruciale factor.

Aanpassingen Centraal Station Amsterdam: metro en bus nemen het tijdelijk over

Treinreizigers staan aan de vooravond van een avond en meerdere dagen vol aanpassingen op het spoor rond Centraal Station.

Door omvangrijke bouwwerkzaamheden wordt het treinverkeer vanaf donderdagavond 21.45 uur volledig stilgelegd van en naar het station. Reizigers die normaal gesproken afhankelijk zijn van de trein, worden gedwongen uit te wijken naar metro’s en bussen, wat volgens de betrokken partijen onvermijdelijk is om de geplande vernieuwingen mogelijk te maken.

De werkzaamheden maken deel uit van een langdurig project dat al in 2022 van start is gegaan en dat uiteindelijk moet leiden tot een volledig vernieuwd Centraal Station in 2030. ProRail voert in deze nieuwe fase opnieuw ingrepen uit aan de infrastructuur van het station. Daarbij ligt de focus onder meer op het vervangen en aanpassen van kabels die essentieel zijn voor de veiligheid en betrouwbaarheid van het treinverkeer. Door deze werkzaamheden worden verschillende perrons tijdelijk afgesloten en zijn ook trappen niet toegankelijk voor reizigers.

hinder en extra reistijd

De ingrepen zijn niet beperkt tot één avond. Ook op vrijdag, zaterdag en zondag blijft het station het toneel van werkzaamheden. Het gevolg is dat er gedurende het hele weekend minder treinen rijden in meerdere richtingen. Treinverbindingen richting Alkmaar, Breukelen, Haarlem, Schiphol, Hoofddorp, Uitgeest en Weesp worden aangepast of gedeeltelijk geschrapt. Reizigers die normaal via deze trajecten reizen, krijgen te maken met omleidingen en aangepaste dienstregelingen.

Alternatief vervoer wordt ingezet om de overlast enigszins te beperken. Metro’s en bussen nemen een deel van de reizigersstromen over, maar daarbij moet rekening worden gehouden met extra reistijd. De vervoerders waarschuwen dat het drukker kan zijn dan gebruikelijk en dat overstappen meer tijd kunnen kosten. Wie afhankelijk is van aansluitingen of strakke reisschema’s, doet er goed aan zijn reis vooraf zorgvuldig te plannen en ruim op tijd te vertrekken.

Foto: © Pitane Blue – Centraal Station

De hernieuwing van Centraal Station is een grootschalige operatie die stap voor stap wordt uitgevoerd om het station toekomstbestendig te maken. Het doel is een betere doorstroming van reizigers, modernere voorzieningen en een veiligere infrastructuur. Dat betekent echter ook dat reizigers de komende jaren vaker te maken zullen krijgen met tijdelijke hinder. ProRail benadrukt dat de werkzaamheden noodzakelijk zijn om het station klaar te maken voor de groeiende stroom treinreizigers en de toenemende druk op het spoor.

flexibiliteit

Tijdens eerdere fases van de verbouwing werd al duidelijk dat dergelijke ingrepen een flinke impact hebben op het dagelijks reisgedrag. Ook nu wordt van reizigers flexibiliteit gevraagd. Wie geen alternatief vervoer kan of wil gebruiken, zal zijn reis mogelijk moeten uitstellen. Voor anderen betekent het wennen aan andere routes en langere reistijden, vooral tijdens de spitsuren en in het weekend wanneer veel mensen op pad gaan voor ontspanning of familiebezoek.

Ondanks het ongemak blijft het perspectief op een vernieuwd en efficiënter Centraal Station overeind. De werkzaamheden van dit weekend vormen opnieuw een zichtbare stap richting de geplande oplevering in 2030. Tot die tijd zullen reizigers vaker worden geconfronteerd met afsluitingen en aangepaste dienstregelingen, maar volgens de betrokken partijen is dit de prijs die betaald moet worden voor een station dat klaar is voor de toekomst.

Zeeland bereidt zich voor: Westerscheldetunnel maandenlang beperkt open

De Westerscheldetunnel staat voor een ingrijpende periode die grote gevolgen zal hebben voor de bereikbaarheid van Zeeland.

Op 11 januari 2027 sluit de Oostbuis van de tunnel voor een noodzakelijke reparatie van betonschade. Deze herstelwerkzaamheden zullen naar verwachting vier maanden in beslag nemen en zorgen in die periode voor een forse beperking van de beschikbare tunnelcapaciteit. Over de manier waarop de Westbuis tijdens de reparatie wordt ingezet, is nog geen definitieve beslissing genomen. Wel is al duidelijk dat tegenverkeer overdag niet mogelijk zal zijn, waardoor een groot deel van de huidige verkeersstromen moet worden omgeleid of aangepast.

Oostbuis

De Oostbuis gaat volledig dicht, terwijl de Westbuis tijdelijk de enige verbinding onder de Westerschelde vormt. Dat brengt complexe keuzes met zich mee. Er liggen momenteel twee varianten op tafel. Bij de eerste optie blijft de Westbuis continu beschikbaar voor verkeer van noord naar zuid, in de richting van Terneuzen. In dat scenario krijgen hulpdiensten, het openbaar vervoer en mogelijk een beperkt aantal vrachtwagens de mogelijkheid om elk uur in konvooi van zuid naar noord te rijden, richting Borssele. Voor alle andere weggebruikers die die kant op willen, betekent dit dat zij moeten omrijden via Antwerpen. Dat leidt tot aanzienlijk langere reistijden en extra drukte op de internationale omleidingsroutes.

De tweede optie is het zogeheten blokrijden. Daarbij wisselt de rijrichting in de Westbuis elk uur. Tussen de wisselmomenten zit telkens een pauze van tien minuten, zodat de tunnel volledig kan worden leeggemaakt voordat het verkeer uit de andere richting wordt toegelaten. Deze variant heeft als nadeel dat de capaciteit sterk terugloopt. Gemiddeld zou nog slechts een kwart van het huidige aantal gebruikers door de tunnel kunnen. Om dit in goede banen te leiden, wordt gedacht aan een vignetsysteem dat bepaalt wie wel en wie geen toegang krijgt tot de tunnel tijdens de reparatieperiode.

Uiterlijk 1 maart maken de samenwerkende partijen bekend welke variant wordt gekozen voor het gebruik van de Westbuis. Tot die tijd worden weggebruikers en belanghebbenden via de digitale kanalen van werkaandetunnel.nl op de hoogte gehouden van de laatste ontwikkelingen rond een van de belangrijkste verkeersaders van Zeeland.

Welke keuze er ook wordt gemaakt, de impact op dagelijkse gebruikers van de Westerscheldetunnel is groot. Verwacht wo rdt dat tijdens de werkzaamheden de helft tot driekwart van de huidige automobilisten en vrachtwagenchauffeurs moet uitwijken naar alternatieven. Dat kan betekenen dat mensen besluiten niet te reizen, hun reis op een ander tijdstip te plannen, over te stappen op het openbaar vervoer of de Westerschelde Ferry, of een omweg te maken via België. De uiteindelijke beslissing wordt pas genomen nadat onderzoeken zijn afgerond naar de haalbaarheid van het vignetsysteem en nadat beide varianten zijn vergeleken op maatschappelijke kosten en baten. Uiterlijk 1 maart moet duidelijk zijn hoe de Westbuis tijdens de reparatie wordt gebruikt.

veiligheid

Dat tegenverkeer overdag niet mogelijk is, heeft alles te maken met veiligheid. Tijdens onderhoudsnachten, wanneer het verkeersaanbod zeer laag is, wordt tegenverkeer soms toegestaan. Bij een groter verkeersaanbod is dat volgens de betrokken partijen onverantwoord. In tegenstelling tot tunnels in bijvoorbeeld Zwitserland of Italië, is het ventilatiesysteem van de Westerscheldetunnel hier niet op ingericht. Omdat de tunnel onder water ligt, wordt de lucht niet naar boven afgevoerd, maar meegezogen met de rijrichting van het verkeer. Bij een brand of ernstig ongeval kunnen bestuurders die het incident al zijn gepasseerd veilig de tunnel verlaten, terwijl bestuurders die het incident nog naderen buiten de rook blijven. Bij tegenverkeer zouden automobilisten recht in de rook van een brand terechtkomen, met levensgevaarlijke situaties tot gevolg.

Om de bereikbaarheid van Zeeland tijdens de reparatieperiode zo goed mogelijk te waarborgen, wordt gewerkt aan een uitgebreid bereikbaarheidsplan. Daarin is onder meer voorzien dat de Westerschelde Ferry mogelijk in een halfuursdienst gaat varen en dat het openbaar vervoer wordt uitgebreid. Onder regie van de Provincie werken de NV Westerscheldetunnel, die een openstellingsvergunning moet aanvragen, de gemeente Borsele, die later dit jaar een vergunning moet verstrekken, de gemeente Terneuzen en de Veiligheidsregio Zeeland samen aan dit plan. Daarnaast vindt intensief overleg plaats met betrokken sectoren zoals zorg, onderwijs, logistiek, het bedrijfsleven en de vrijetijdseconomie.

Provincie waarschuwt: zonder sterk OV loopt Zuid-Holland vast

Het openbaar vervoer in Zuid-Holland staat voor een ingrijpende verandering.

Niet als luxe of vrijblijvende keuze, maar als harde noodzaak om de groei van wonen en werken in goede banen te leiden. Die boodschap klinkt duidelijk door in de nieuwe ov-visie van de provincie Zuid-Holland, die onder verantwoordelijkheid van bestuurder Frederik Zevenbergen is opgesteld. Zijn woorden laten weinig ruimte voor twijfel. “Goed openbaar vervoer is geen keuze, maar een noodzaak. Het is de enige manier om de groei van woningen en banen in Zuid-Holland op te vangen.”

drukstbevolkt

Zuid-Holland behoort tot de drukstbevolkte provincies van het land en blijft groeien. Het aantal inwoners neemt toe, het aantal banen groeit en de ruimte is schaars. Wegen lopen vol, files nemen toe en uitbreiden is nauwelijks mogelijk. Tegen die achtergrond presenteert de provincie haar nieuwe visie onder de titel ‘Naar onweerstaanbaar openbaar vervoer voor iedereen’. De ambitie is helder: het openbaar vervoer moet voor steeds meer Zuid-Hollanders de logische eerste keuze worden.

Frederik Zevenbergen, bestuurder van de provincie Zuid-Holland en verantwoordelijk voor verkeer, vervoer en ov, spreekt met zichtbare trots over het plan. “Onze nieuwe OV-visie heet ‘Naar onweerstaanbaar openbaar vervoer voor iedereen’. Daarin beschrijven we hoe we openbaar vervoer voor steeds meer Zuid-Hollanders de logische eerste keuze willen maken.” Het gaat volgens hem niet alleen om meer bussen of treinen, maar vooral om een slimmer, betrouwbaarder en aantrekkelijker systeem.

R-net-lijnen

Belangrijk onderdeel van de plannen is het verbeteren en versterken van bestaande verbindingen. Daarbij wordt nadrukkelijk gekeken naar hoogwaardig openbaar vervoer, zoals de R-net-lijnen. Deze lijnen staan bekend om hun comfortabele voertuigen en hoge frequentie. “We zien volop kansen om bestaande verbindingen te verbeteren en hoogwaardig te maken. Denk aan onze R-net-lijnen met comfortabele, vaak rijdende bussen,” aldus Zevenbergen. Door snelheid, betrouwbaarheid en comfort te combineren, moet het ov een serieus alternatief vormen voor de auto.

Naast vaste lijnen kijkt de provincie ook kritisch naar de manier waarop vervoer is georganiseerd voor specifieke doelgroepen. Volgens Zevenbergen is dat systeem momenteel te versnipperd. “We willen slimmer aansluiten op vraag en aanbod. Het doelgroepenvervoer is bijvoorbeeld onnodig ingewikkeld opgedeeld in verschillende kokertjes.” Door deze vormen van vervoer beter te organiseren en te combineren met het reguliere ov, verwacht de provincie efficiënter te kunnen werken en tegelijkertijd beter aan te sluiten op de behoefte van reizigers. “We experimenteren met verschillende oplossingen hiervoor,” benadrukt hij.

Foto: © Pitane Blue – station Den Haag

Aan het einde van deze visie blijft vooral één zin hangen, uitgesproken door Zevenbergen zelf en veelzeggend voor de koers die Zuid-Holland vaart: “Goed openbaar vervoer is geen keuze, maar een noodzaak.”

De ov-visie kijkt nadrukkelijk vooruit en richt zich niet alleen op techniek en infrastructuur, maar ook op beleving. Openbaar vervoer moet aantrekkelijk zijn en waardering krijgen van de reiziger. Volgens Zevenbergen is daar nog veel winst te behalen. “Ons ov verdient meer aandacht en waardering. Daarom willen we samen met de vervoerders de krachten bundelen voor effectieve marketing.” Campagnes moeten laten zien dat reizen met bus, tram of trein comfortabel, betrouwbaar en logisch is, zeker in een provincie waar ruimte en tijd kostbaar zijn.

samenwerking

Samenwerking vormt een rode draad in het hele verhaal. De provincie werkt niet alleen samen met vervoerders, maar ook met gemeenten en andere betrokken partijen. Zevenbergen hecht daar grote waarde aan. “Ik ben trots op onze OV-visie, en zeker ook op de samenwerking met alle belanghebbenden.” Volgens hem is die gezamenlijke aanpak noodzakelijk om de ambities waar te maken en het ov daadwerkelijk onweerstaanbaar te maken.

De boodschap van de provincie is duidelijk. Zonder sterk openbaar vervoer loopt Zuid-Holland vast. Met deze visie kiest het provinciebestuur voor een toekomst waarin bereikbaarheid, leefbaarheid en groei hand in hand moeten gaan. Niet door eindeloos asfalt toe te voegen, maar door slim te investeren in een ov-systeem dat meegroeit met de provincie en haar inwoners.

Bereikbaarheid onder druk: kabinet ziet ambities botsen met lege kas

Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat staat voor een ingewikkeld jaar waarin grote ambities botsen met harde financiële realiteit.

Ondanks oplopende tekorten blijft het departement werken aan de bereikbaarheid van Nederland, maar de ruimte om nieuwe projecten te starten is beperkt. Minister Robert Tieman en staatssecretaris Thierry Aartsen presenteerden vandaag de uitkomsten van de recente overleggen tussen het Rijk en de regio over het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport, beter bekend als het MIRT. Daaruit komt een beeld naar voren van noodzakelijke keuzes, uitgestelde plannen en een groeiende druk op bestaande infrastructuur.

aanlegprojecten

De gesprekken van de afgelopen week, waaraan ook provincies, waterschappen en gemeenten deelnamen, leverden weliswaar enkele belangrijke mijlpalen op bij lopende projecten, maar grote nieuwe aanlegprojecten blijven vooralsnog uit. Een steeds groter deel van het beschikbare budget gaat op aan onderhoud en vernieuwing van wegen, spoor en waterwerken. Lopende projecten kampen bovendien met forse financiële tegenvallers door inflatie en een aanhoudende krapte op de arbeidsmarkt. De gevolgen daarvan zijn voelbaar, want als onderhoud wordt uitgesteld dreigen onverwachte storingen en afsluitingen, wat de bereikbaarheid en mobiliteit verder onder druk zet.

De financiële vooruitzichten zijn zorgwekkend. De vraag naar mobiliteit blijft stijgen, terwijl het beschikbare geld afneemt. Medio vorig jaar werd berekend dat het tekort voor onderhoud inmiddels ruim 36 miljard euro bedraagt. Daarvan is 1,8 miljard euro nodig voor ProRail en maar liefst 34,5 miljard euro voor Rijkswaterstaat, dat verantwoordelijk is voor wegen, vaarwegen en het watersysteem.

zure appel

Minister Robert Tieman sprak openlijk over de moeilijke situatie en zei letterlijk: “Het is een zure appel dit jaar. Grote aanlegprojecten zijn nodig om Nederland op de lange termijn bereikbaar te houden, maar dat lukt nu niet vanwege beperkte financiële middelen, weinig stikstofruimte en krapte op de arbeidsmarkt. Ook noodzakelijke onderhoudsprojecten lopen hiertegen aan. Het is aan een volgend kabinet om keuzes te maken als het gaat om investeringen in infrastructuur. Intussen doen we wat we wel kunnen met het geld dat beschikbaar is. En zijn er een paar mooie mijlpalen behaald op lopende projecten. Bijvoorbeeld op het gebied van goederentransport waar we € 106 miljoen aan verschillende projecten hebben kunnen koppelen.”

Ook staatssecretaris Thierry Aartsen benadrukte het belang van blijvende investeringen en zei: “Goede infrastructuur houdt onze samenleving draaiend. Het is fijn dat we urgente investeringen hebben kunnen doen op het gebied van OV, spoor en de woningbouw. Dat zijn mooie resultaten. Maar er is meer aandacht nodig voor het structurele belang van onze infrastructuur. We staan voor een enorme opgave om de infra in stand te houden en weerbaar te maken. Scherpe keuzes zijn nodig voor een sterk en weerbaar Nederland en zodat er meer nieuwe woningen gebouwd kunnen worden, onze economie kan groeien en mensen snel en betrouwbaar kunnen reizen.”

Foto: © Pitane Blue – A2

Het beeld dat uit de MIRT-overleggen naar voren komt is duidelijk. Nederland staat voor een enorme opgave om bestaande infrastructuur op peil te houden, terwijl nieuwe projecten noodzakelijk blijven voor woningbouw en economische groei. De uiteindelijke keuzes hierover worden doorgeschoven naar een volgend kabinet, maar de druk op het netwerk is nu al voelbaar.

Op korte termijn wordt 280 miljoen euro uitgetrokken om de doorstroming op rijkswegen te verbeteren. Het gaat om relatief kleine, maar volgens het ministerie cruciale ingrepen zoals betere afritten, ongelijkvloerse aansluitingen, aangepaste kruispunten en verbeterde regionale verbindingswegen. Zo draagt het Rijk 17 miljoen euro bij aan een fly-over bij verkeersplein Gieten en 19 miljoen euro aan het veiliger maken van afrit 55 van de A2 bij Maastricht.

MIRT-verkenning

Verder worden stappen gezet in projecten als de A27 tussen Zeewolde en Eemnes, waar een eerder gepauzeerde MIRT-verkenning opnieuw wordt opgestart, en de A6 tussen Almere en Lelystad, die op een later moment moet worden hervat. Voor de N33 Noord tussen Appingedam en de Eemshaven start eveneens een verkenning, met een beschikbaar budget van 252,5 miljoen euro om verbreding en een betere oeververbinding te onderzoeken.

Ook op het gebied van spoor en binnenvaart zijn afspraken gemaakt. Ondernemers worden via verlenging van de Modal Shift Regeling gestimuleerd om goederenvervoer te verplaatsen van de weg naar spoor en binnenvaart. Daarnaast gaat 30 miljoen euro naar ondersteuning van het wagenladingtransport op het spoor bij Verdeelcentrum Kijfhoek en wordt 43 miljoen euro gereserveerd voor extra truckparkings.

Afsluitdijk

Bij de Afsluitdijk blijkt uit onderzoek van Rijkswaterstaat dat het renoveren van de bestaande spuimiddelen bij Den Oever en Kornwerderzand grote risico’s kent en niet toekomstbestendig is. Tegelijkertijd komt er goed nieuws voor fietsers, want na afronding van de huidige werkzaamheden worden tijdelijke fietsbruggen geplaatst, waardoor naar verwachting in 2027 de volledige dijk weer per fiets te overbruggen is.

Investeringen blijven ook nodig rond stations en woningbouwlocaties. Zo wordt bijna 106 miljoen euro extra vrijgemaakt voor het stationsgebied in Den Bosch, terwijl in de Brainportregio Eindhoven projecten als de bus op de vluchtstrook en Eindhoven XL worden voortgezet. Voor spoorverbindingen als de Veluwelijn en de Lelylijn liggen eveneens plannen op tafel, waarbij Lelylijn-gezant Klaas Knot binnenkort met zijn advies komt over de financiering van deze miljardeninvestering.

Lees ook: beperkte mogelijkheden

Prorail: John Voppen wil steviger stempel drukken op grensoverschrijdend spoor

Nederlandse spoorambities krijgen duw richting Europa.

Een aankondiging die in Warschau meteen de aandacht trok, kwam van Prorail-topman John Voppen. Hij maakte bekend dat hij zich beschikbaar stelt als co-voorzitter van het European Network for Infrastructure Managers, het samenwerkingsverband dat binnen de Europese spoorsector steeds meer gewicht in de schaal legt. De mededeling, gedaan op 20 november tijdens een internationale bijeenkomst, onderstreepte zijn bereidheid om samen met Johannes Pluy van de Oostenrijkse ÖBB leiding te geven aan het netwerk. De formele beslissing valt pas in 2026, maar de richting die Voppen hiermee inzet, laat weinig twijfel bestaan over de ambities van de Nederlandse spoorbeheerder binnen het Europese krachtenveld.

cruciale spil

Het netwerk waarbij Voppen zich wil aansluiten, ENIM, wordt door insiders al langer beschouwd als een cruciale spil in de uitvoering van de Europese capaciteitsverordening die eraan komt. Deze verordening zal spoorbeheerders verplichten om nationale processen beter op elkaar af te stemmen, zodat internationale treinverbindingen soepeler en betrouwbaarder kunnen worden gepland. De verwachting is dat dit op termijn het Europese treinverkeer aanzienlijk zal versnellen, niet alleen voor reizigers maar ook voor de goederenstroom die over het spoor steeds belangrijker wordt.

De rol van ENIM is daarbij essentieel. Door infrastructuurbeheerders bijeen te brengen en afspraken te maken over harmonisatie van capaciteitsplanning en afstemming van werkzaamheden, ontstaat een structuur waarin internationale treinen niet langer hoeven te struikelen over landsgrenzen. Volgens betrokkenen moet dit leiden tot een Europees spoornetwerk dat beter functioneert als geheel, met minder vertragingen en meer ruimte voor treinen die verschillende landen doorkruisen.

actieplan

De Europese Commissie heeft onlangs een actieplan gepresenteerd dat deze ambities verder moet ondersteunen. Het plan is gericht op het aantrekkelijker maken van de trein als vervoersmiddel voor internationale reizen en bevat voorstellen voor uitbreiding van hogesnelheidslijnen tussen grote Europese steden. Daarnaast wordt gewerkt aan de introductie van één centraal boekingsplatform waarmee reizigers grensoverschrijdende treintickets eenvoudiger kunnen aanschaffen. Ook wordt ingezet op stimulering van de trein als schoon alternatief voor korte afstandsvluchten, een thema dat in veel lidstaten steeds hoger op de agenda staat.

Foto: © Pitane Blue – hogesnelheidstrein Eurostar

Voor Nederland opent dit nieuwe perspectieven. ProRail ziet kansen om het land nog steviger te verbinden met grote Europese bestemmingen zoals Brussel, Parijs, Londen, Frankfurt, Düsseldorf en Berlijn. De inzet is om op korte termijn de bestaande infrastructuur intensiever te benutten, zodat het aantal internationale treinverbindingen verder kan groeien. Het streven is helder: meer treinen naar het buitenland betekent minder korte afstandsvluchten, en dat draagt bij aan de nationale én Europese klimaatdoelen.

ERTMS

Parallel daaraan werkt ProRail samen met buitenlandse partners aan de verdere uitrol van ERTMS, het beveiligingssysteem dat in heel Europa de standaard moet worden. Ook worden stappen gezet richting verbeteringen aan de HSL Zuid en investeringen in een robuustere energievoorziening. Door via ENIM actief mee te praten over Europese standaarden, wil ProRail ervoor zorgen dat deze aansluiten op de eigen ambities en op de Nederlandse positie binnen het internationale spoorverkeer.

Het voornemen van Voppen om het co-voorzitterschap op zich te nemen, plaatst Nederland nadrukkelijker in het centrum van de Europese discussie over de toekomst van de trein. Het is een signaal dat ProRail niet alleen wil volgen wat er in Brussel wordt besloten, maar nadrukkelijk wil meebouwen aan de contouren van een moderner, efficiënter en duurzamer spoornetwerk voor heel Europa.

Verbouwing: Prorail verplaatst station Vught naar bedrijventerrein Bestevaer

De komende vier jaar staat het spoor rond Vught volledig in het teken van een grootschalige verbouwing.

ProRail gaat aan de slag met het spoortraject en station, zodat er in de toekomst aanzienlijk meer treinen kunnen rijden tussen Geldermalsen en Boxtel. Het project is onderdeel van het landelijke Programma Hoogfrequent Spoorvervoer, dat gericht is op het vergroten van de capaciteit en het verbeteren van de doorstroming op drukke trajecten.

Voor de reizigers in Vught betekent dit dat zij vanaf 20 oktober gebruik zullen maken van een tijdelijk station. Dat tijdelijke station ligt ongeveer 500 meter verderop, op bedrijventerrein Bestevaer. ProRail heeft daar in de afgelopen periode zowel een tijdelijk spoor als een compleet station aangelegd, inclusief alle noodzakelijke voorzieningen. Het nieuwe, tijdelijke station krijgt twee perrons die zowel met een trap als met een lift toegankelijk zijn. Ook zijn er wachthuisjes, check-in palen, stationsbebording, een AED en een watertappunt aanwezig. Een groot deel van deze voorzieningen is afkomstig van het huidige station en wordt hergebruikt. Daarnaast worden er weer OV-fietsen en fietskluizen beschikbaar gesteld voor reizigers.

tijdelijk spoor

Voordat het tijdelijke station daadwerkelijk in gebruik kan worden genomen, moet er nog flink gewerkt worden. Van 4 tot en met 19 oktober sluit ProRail het huidige spoor aan op het tijdelijke spoor en worden de laatste werkzaamheden verricht. Dit betekent wel dat er gedurende zestien dagen helemaal geen treinverkeer mogelijk is tussen Den Bosch en Boxtel en tussen Den Bosch en Tilburg. Gedurende deze periode zet NS bussen in, die rijden vanaf het huidige P+R terrein bij station Vught. Reizigers worden met behulp van duidelijke bewegwijzering naar de bushaltes geleid. NS adviseert reizigers bovendien om, indien mogelijk, de spits te mijden, omdat bussen aanzienlijk minder capaciteit hebben dan treinen.

Foto: © Pitane Blue – Sprinter Lighttrain

De afsluiting van het spoor heeft ook gevolgen voor de voorzieningen op het huidige station. De OV-fietsen en fietskluizen zijn in deze periode niet bereikbaar, evenals de AED en het watertappunt. De bestaande fietsenstalling wordt afgesloten en er wordt nog onderzocht of er een tijdelijke oplossing kan komen voor het stallen van fietsen. Voor veel van de circa 1.500 reizigers die dagelijks gebruikmaken van station Vught zal dit de nodige aanpassing vragen, al probeert ProRail de overgang zo soepel mogelijk te laten verlopen.

verhuizing

Het project in Vught is meer dan alleen een tijdelijke verhuizing. Uiteindelijk wordt het spoor in Vught deels verdiept aangelegd. Deze ingreep moet niet alleen bijdragen aan een betere doorstroming van het treinverkeer, maar ook aan de leefbaarheid en veiligheid in de directe omgeving. Door de verdiepte ligging wordt de overlast van geluid en spoorwegovergangen verminderd, wat voor bewoners een flinke verbetering zal betekenen. De komende jaren zullen reizigers echter eerst moeten wennen aan het tijdelijke station en de bijkomende omleidingen.

Vanaf 20 oktober is het tijdelijke station officieel operationeel en zullen reizigers hun weg moeten vinden naar de nieuwe locatie bij Bestevaer. Wie de komende weken nog vanuit het huidige station reist, doet er goed aan rekening te houden met de geplande buitendienststelling en de beperkte capaciteit van de bussen. ProRail benadrukt dat dit alles nodig is om in de toekomst een betrouwbaarder en sneller treintraject te kunnen aanbieden, waar zowel reizigers als omwonenden uiteindelijk de vruchten van zullen plukken.

De ware toekomst van MaaS: van glimmende apps naar harde infrastructuur

Op de UITP-conferentie van afgelopen maand werd een duidelijke boodschap keer op keer herhaald: “Acht jaar geleden beloofden we bundels. Vandaag bouwen we ruggengraten.”

Met die woorden vat Guillermo Campoamor, CEO en Co-founder of Meep, niet alleen de eigen ontwikkeling samen, maar ook de evolutie van de gehele MaaS-sector. Waar de eerste jaren volledig in het teken stonden van gelikte apps en een perfecte gebruikerservaring, draait het nu om de digitale infrastructuur die onder de oppervlakte schuilgaat.

onweerstaanbaar

Het contrast met de beginperiode is groot. Tussen 2016 en 2018 geloofde vrijwel de hele sector in het idee van één allesomvattende app. Een app waarin je met één druk op de knop een busreis kon plannen, een fiets kon reserveren en een taxi kon bestellen. Voor investeerders leek dit scenario onweerstaanbaar: de belofte van een wereldwijde opschaling en indrukwekkende groeicurves was te mooi om te negeren. 

Toch bleek de praktijk heel anders. Achter de fraaie interfaces zat een onsamenhangend geheel van systemen die niet met elkaar communiceerden. Openbaarvervoerbedrijven, deelstepaanbieders en vervoersautoriteiten gebruikten eigen, vaak gesloten, platformen. Data werd afgeschermd alsof het staatsgeheimen betrof en de consument bleef zitten met apps die simpelweg niet deden wat ze beloofden.

seamless experience

Roelof Hellemans, secretaris-generaal van de MaaS Alliance, benadrukte onlangs in een vooruitblik voor ITS International dat de toekomst van MaaS ligt in naadloze integratie. Die constatering klopt, maar volgens Meep gaat de discussie vaak voorbij aan de kern. Te veel aandacht gaat nog altijd uit naar de ‘seamless experience’, terwijl juist de complexe integratietechniek bepaalt of MaaS daadwerkelijk werkt.

De investeringswereld werd jarenlang verleid door mooie cijfers over gebruikersaantallen, transacties en sessieduur. Maar die zogenoemde vanity metrics maskeerden fundamentele problemen. Wie na een routeplanning alsnog een aparte app moest downloaden om een step te ontgrendelen, haakte snel af. Gebrek aan gedeelde realtime-data leidde bovendien tot onbetrouwbare aanbevelingen, waardoor gebruikers naar concurrenten overstapten. Het resultaat: gefrustreerde consumenten, silo’s bij operators, congestie in steden en investeerders die zich stukbeten op apps die niet schaalbaar bleken.

ruggengraat

Voor Meep kwam de grote omslag in 2019. Het bedrijf besloot niet langer te concurreren met consumenten-apps zoals Uber of Google Maps, maar koos ervoor de technologische ruggengraat te bouwen waarop andere partijen konden voortbouwen. In plaats van een glanzend eindproduct voor de consument, werd Meep de stille kracht achter de schermen: de gestandaardiseerde laag die zorgt dat alles samenwerkt. De vergelijking die het bedrijf zelf maakt, is veelzeggend. Het verschil tussen een enkel restaurant runnen of de keukenapparatuur leveren waarop honderden restaurants kunnen draaien.

MaaS, plannen, boeken, betalen en reizen

De verschuiving van bundels naar backbone laat zien dat de belofte van MaaS veel groter is dan een handige app. Het gaat om de stille technologie onder de oppervlakte die mobiliteit écht laat samenwerken en daarmee steden en vervoerders toekomstbestendig maakt.

Deze aanpak sloeg aan bij investeerders. Niet langer werd er geld verbrand aan dure marketing en onzekere verdienmodellen, maar er ontstond vanaf dag één een stabiele inkomstenstroom uit licentie- en integratiecontracten. Iedere nieuwe stad en iedere nieuwe vervoerder die aansluit, betekent niet alleen extra omzet, maar ook hogere overstapkosten en steeds waardevollere databronnen.

één platform

Vandaag de dag draait Meep in meer dan dertig steden en werkt het met ruim 150 integraties. Van openbaar vervoer en micromobiliteit tot parkeren en ride-hailing, alles wordt samengebracht op één platform. Grote partners zoals Alsa en Avanza zijn inmiddels aangesloten, evenals verschillende stedelijke autoriteiten die hun complete mobiliteit via Meep laten orkestreren.

Daarnaast biedt het bedrijf met zijn dataplatform MeePath waardevolle inzichten aan steden. Zo kunnen routes worden geoptimaliseerd, congestie worden aangepakt en de impact op duurzaamheid beter worden gemeten. Hiermee ontstaat niet alleen een extra inkomstenbron, maar ook een groeiende kennisbasis die met elke nieuwe aansluiting waardevoller wordt. Het klassieke netwerk-effect, maar dan toegepast op B2B-infrastructuur in plaats van op sociale media.

Lokale politiek blijft achter: stedelijke inrichting kan verschil maken voor veiligheid

Cijfers tonen aan dat onveiligheidsgevoel structureel aanwezig is, vrouwen mijden buurten door angstgevoelens.

De gruwelijke dood van de Nederlandse tiener Lisa (17) heeft niet alleen diepe sporen nagelaten in de samenleving, maar ook een scherp debat losgemaakt over hoe onze publieke ruimte veiliger kan worden gemaakt, vooral voor vrouwen. Professor architectuur Els De Vos van de Universiteit Antwerpen stelt in een gesprek met VRT NWS dat de manier waarop straten, pleinen en parken worden ingericht, rechtstreeks kan bijdragen aan het veiligheidsgevoel. Volgens haar zijn er concrete ingrepen mogelijk die vrouwen kunnen helpen zich met minder angst in de openbare ruimte te begeven.

Het probleem is volgens De Vos veel dieper geworteld dan vaak wordt aangenomen. “Mannen beseffen het niet altijd, maar voor vrouwen is het vaak een realiteit waarmee ze rekening moeten houden: het onveiligheidsgevoel op straat en in de publieke ruimte in het algemeen,” zegt ze bij VRT NWS. Dat gevoel vertaalt zich in dagdagelijkse gedragingen die veel vrouwen noodgedwongen aannemen. Voor je vertrekt, denk je twee keer na over je outfit. Kies je voor een rok of toch liever een lange broek? Tijdens een avondwandeling houd je je sleutelbos stevig in de hand of zorg je dat je telefoon altijd binnen handbereik is.

politieke agenda

Uit de Veiligheidsmonitor blijkt dat twintig procent van de bevolking zich vaak onveilig voelt in de publieke ruimte. Bij vrouwen loopt dat cijfer zelfs op tot 27 procent. Een studie van het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen toont bovendien aan dat veertig procent van de vrouwen bewust bepaalde buurten mijdt, nadat ze er negatieve ervaringen hebben opgedaan.

Hoewel het maatschappelijke debat vaak draait rond de verantwoordelijkheid en rol van mannen in dit soort geweld, werden er in 2024 al aanbevelingen gedaan over hoe lokale besturen grensoverschrijdend gedrag kunnen aanpakken. Toch lijkt het thema amper door te dringen tot de politieke agenda, merkt De Vos op.

Volgens haar zijn er nochtans heel wat praktische maatregelen mogelijk om steden vrouwvriendelijker te maken. Goede verlichting is een eerste basisvereiste. Straten, parken en pleinen die donker en afgesloten zijn, vergroten het gevoel van dreiging. Daarnaast speelt openheid een belangrijke rol. In een park maakt een dicht struikgewas het voor vrouwen moeilijk om gezien te worden, terwijl een open vijverpartij net het tegenovergestelde effect heeft. Ook zichtbaarheid vanuit woningen en appartementen kan bijdragen aan een groter gevoel van veiligheid

Illustratie: © Pitane Blue – veiligheid in de parkeergarage

Hoewel er in 2024 concrete aanbevelingen zijn gedaan over hoe lokale besturen grensoverschrijdend gedrag kunnen aanpakken, merkt De Vos op dat het onderwerp nog onvoldoende doordringt tot de politieke agenda.

[radio_player id=15]

Het mengen van functies binnen een wijk is een ander belangrijk element. Monotone kantoorwijken zonder bewoners of verkeersvrije winkelstraten waar ’s avonds niemand woont, creëren verlaten en dus onveilige plekken. Een diversiteit aan functies zorgt ervoor dat er op elk moment van de dag mensen aanwezig zijn.

parkeergarages

Ook parkeergarages verdienen bijzondere aandacht. Ondergrondse complexen voelen vaak beklemmend aan en nodigen uit tot onveilig gedrag. Een halfopen structuur kan dat gevoel doorbreken. Daarnaast is het voorzien van speciale parkeerplaatsen voor vrouwen dicht bij de uitgang een maatregel die al in verschillende steden wordt toegepast. Opvallend is ook het experiment met klassieke muziek in parkeergarages. Onderzoek toont aan dat dit verslaafden en overlastplegers weert, wat het veiligheidsgevoel aanzienlijk verhoogt.

Een ander idee is het zichtbaar maken van vrouwen in de publieke ruimte zelf. Beelden of foto’s van gewone vrouwen uit de buurt in bijvoorbeeld metrostations kunnen ervoor zorgen dat vrouwen zich meer welkom en erkend voelen.

noodpalen

Over technologische oplossingen is De Vos genuanceerd. Camera’s zouden volgens haar weinig bijdragen aan het gevoel van veiligheid, omdat ze geen directe menselijke aanwezigheid vertegenwoordigen. Ze pleit eerder voor noodpalen die in verbinding staan met de politie. Toch geeft ze toe dat de tragedie rond Lisa aantoont dat ook snelle interventies niet altijd tijdig kunnen gebeuren.

Het gesprek over de veiligheid van vrouwen in de openbare ruimte lijkt onvermijdelijk. De Vos benadrukt bij VRT NWS dat er geen enkele wonderoplossing bestaat, maar dat een combinatie van doordachte stedelijke inrichting, sociale controle en beleidsaandacht een groot verschil kan maken.

Danique de Jong organiseert deze actie.

“Wij eisen de nacht op, laat vrouwen veilig thuiskomen.”

In ons nieuwste rokje. Op onze hoogste pumps. Of hardloopschoenen. Middenin de nacht. Lopend. Fietsend. Joggend. Over stille straten. Door een park. Of in de stad. Wat we ook dragen, waar we ook zijn, hoe laat het ook is: laat vrouwen veilig thuiskomen. Deze boodschap wil De Jong, in het dagelijks leven campagne- en mediastrateeg voor sociaal-maatschappelijke onderwerpen,  zo snel mogelijk overal in Nederland zien. Zondagmorgen was er al € 206.213 gedoneerd. De Jong hoopt met de actie permanente steun te geven aan meisjes en vrouwen die met seksueel geweld, mishandeling en femicide te maken krijgen en te voorkomen dat iedereen „nu verontwaardigd is, maar straks weer aan andere dingen denkt”.   Aansluiten bij dit goede idee? Steun de campagne.

Laadinfrastructuur: emissievrije taxi’s in de knel door stroomtekort

Schone taxi’s winnen terrein maar dreigen vast te lopen op trage netcapaciteit.

Binnen de Nederlandse taxisector rijden steeds meer taxi’s volledig emissievrij. Toch dreigt de transitie te stagneren door een overbelast elektriciteitsnet en een tekort aan laadvoorzieningen, waarschuwen brancheorganisaties.

Uit onderzoek van de International Road Transport Union (IRU) blijkt dat inmiddels 23 procent van de circa 39.000 taxi’s in Nederland volledig elektrisch rijdt. Bij contractvervoer, zoals ritten voor gemeenten en de zorgsector, ligt dat aandeel zelfs op 32 procent. Daarmee behoort Nederland tot de koplopers in Europa. Deze snelle groei is vooral te danken aan een combinatie van slimme aanbestedingen, financiële regelingen en gerichte investeringen in laadinfrastructuur.

aanbestedingen

Zowel lokale overheden als zorginstellingen eisen steeds vaker emissievrije voertuigen bij nieuwe aanbestedingen. Tegelijkertijd heeft de overheid via de milieu-investeringsaftrek (MIA) en gemeentelijke subsidies het voor ondernemers aantrekkelijker gemaakt om te investeren in schone voertuigen. Tot 2024 konden ondernemers fiscaal voordeel behalen op de aanschaf van milieuvriendelijke voertuigen. Ook zijn er de afgelopen jaren honderden laadpunten bijgekomen, vooral in stedelijke gebieden.

Sinds juli 2025 kwam er bovendien extra ruimte in regelgeving. Taxichauffeurs met een rijbewijs B mogen dan voertuigen tot 4.250 kilo besturen, waaronder elektrische rolstoeltaxi’s. Dat maakt de inzet van zwaardere, aangepaste voertuigen eenvoudiger, met als gevolg een breder en toegankelijker aanbod van schone taxi’s.

Foto: © Pitane Blue – Fred Teeven – voorzitter KNV

Toch zijn de uitdagingen aanzienlijk. Fred Teeven, voorzitter van de Koninklijke Nederlandse Vereniging voor het personenvervoer (KNV), ziet de knelpunten toenemen. “In verschillende regio’s staan bedrijven voor lange wachttijden voordat ze nieuwe laadpunten kunnen aansluiten of bestaande kunnen uitbreiden vanwege knelpunten in het elektriciteitsnet,” stelt hij onomwonden.

Volgens Teeven lopen de duurzaamheidsambities in sommige regio’s vooruit op de realiteit. Ook het gebrek aan snelladers vormt een grote belemmering. “Duurzaamheid hangt niet alleen af van de beschikbaarheid van voertuigen, maar ook van een robuust en toegankelijk laadnetwerk, vooral voor taxisectoren met intensief gebruik,” aldus Teeven. Juist taxibedrijven zijn afhankelijk van een netwerk dat snel laden op centrale plekken mogelijk maakt, zoals bij ziekenhuizen, stations of luchthavens.

struikelblok

Daarnaast blijven de kosten voor elektrische voertuigen een struikelblok. Hoewel deze op termijn goedkoper kunnen zijn door lagere brandstof- en onderhoudskosten, is de aanschafprijs nog altijd fors hoger dan die van een conventionele taxi. “Niet alle ondernemers hebben evenveel investeringsruimte. Financiële instrumenten moeten blijven ondersteunen, ook kleinere bedrijven moeten aanhaken,” benadrukt Teeven.

Brancheorganisaties pleiten daarom voor een versnelde uitbreiding van het elektriciteitsnet en extra subsidies. Vooral buiten de Randstad lopen ondernemers tegen onoverkomelijke obstakels aan. Zonder ingrijpen dreigt de transitie naar 100 procent emissievrije taxi’s in 2030 te mislukken. De ongelijkheid tussen stedelijke en landelijke gebieden wordt daardoor alleen maar groter.

Alle betrokken partijen – van de rijksoverheid tot netbeheerders – zullen volgens KNV gezamenlijk moeten optrekken om de omslag naar emissievrij vervoer mogelijk te maken. Want alleen met een goed gecoördineerde aanpak van infrastructuur en financiering, blijft Nederland in de Europese voorhoede.

Infrastructuur: Pro-rail baas Voppen ziet geen enkel spoorprobleem

Het Nederlandse spoorwegnet is technisch meer dan toereikend voor een forse uitbreiding van internationale treinverbindingen.

Het Nederlandse spoor heeft volgens ProRail-topman John Voppen de capaciteit om twee tot drie keer zoveel internationale treinen te verwerken als nu het geval is. Deze opmerkelijke uitspraak deed Voppen tijdens een gesprek met de Tweede Kamer, waar hij tekst en uitleg gaf over de mogelijkheden en belemmeringen rondom grensoverschrijdend treinverkeer. De infrastructuur vormt dus geen rem, maar bureaucratische rompslomp en versnipperde regelgeving werpen forse obstakels op. Terwijl de roep om duurzamer grensoverschrijdend vervoer luider klinkt, blijft de praktijk achter bij de ambities.

Tijdens een bijeenkomst georganiseerd door Railforum in Utrecht gingen experts uit de spoorsector uitgebreid in op de drempels die uitbreiding van internationale treinreizen belemmeren. Opvallend is dat de technologische mogelijkheden ruim voorhanden zijn: moderne locomotieven kunnen vaak al overweg met de verschillende spanningssystemen en signaleringstechnieken die in Europa worden gebruikt. Toch blijken andere factoren veel hardnekkiger. “Het spoor kan het makkelijk aan,” stelde Voppen, “maar we lopen vast op vergunningen en coördinatie tussen landen.”

struikelblokken

Een van de belangrijkste struikelblokken is het ingewikkelde vergunningenstelsel. Iedere grensoverschrijdende route vereist goedkeuring van nationale toezichthouders, en dat voor zowel materieel als personeel. Het gevolg is dat het verkrijgen van de benodigde papieren vaak meer dan een jaar duurt. Dat is een kostbare en tijdrovende aangelegenheid voor vervoerders die willen investeren in nieuwe routes. Elk land hanteert zijn eigen procedures, eisen en controles, waardoor het opzetten van een eenvoudige directe verbinding tussen bijvoorbeeld Amsterdam en Frankfurt een complex project wordt dat maandenlange afstemming vereist.

Daarnaast speelt het contractuele en tarieftechnische aspect een grote rol. Internationale treinverbindingen worden per traject, per land en soms per station apart afgerekend, wat leidt tot een kluwen van afspraken, onderhandelingen en onduidelijkheid. Spoorbedrijven moeten onderling overeenstemming bereiken over rijpaden, vergoeding per kilometer en inkomstenverdeling, wat de commerciële haalbaarheid onder druk zet. “Het wordt vaak ondoorzichtig en riskant voor nieuwe aanbieders,” aldus een anonieme betrokken expert tijdens het debat.

Foto: © Pitane Blue – Nightjet

Toch is er ondanks deze belemmeringen hoop. Nieuwe initiatieven dienen zich aan. De startup GoVolta heeft plannen ingediend voor drie nieuwe internationale verbindingen die vanaf begin 2027 van start zouden moeten gaan. Dit toont aan dat de markt wil bewegen, maar gebaat is bij snellere procedures en heldere regelgeving. Ook politici, waaronder Europese transportcommissaris Adina Vălean, benadrukken het belang van grensoverschrijdende treinverbindingen als alternatief voor korteafstandsvluchten.

potentie

Volgens cijfers van de Europese Commissie is het aandeel internationale treinen in het totaal aantal reizigersverplaatsingen nog marginaal: minder dan 7 procent van de treinreizigers passeert een grens. Dit ondanks het feit dat de Europese Green Deal inzet op verduurzaming van mobiliteit en juist het spoor daarin een hoofdrol moet vervullen. De potentie is enorm, vooral op trajecten tussen Nederland en België, Duitsland en Frankrijk. Snelle verbindingen van Eindhoven naar Düsseldorf of van Groningen naar Bremen zouden relatief eenvoudig kunnen worden gerealiseerd – technisch althans.

Wat nu vooral nodig is, is politieke daadkracht. Echte vooruitgang vereist samenwerking tussen nationale overheden, spoorvervoerders, toezichthouders en infrastructuurbeheerders. Europese wetgeving kan hier versnelling brengen, door standaarden te harmoniseren en certificeringsprocedures te vereenvoudigen. De technologie is er, de vraag groeit, nu nog de wil om het daadwerkelijk mogelijk te maken.

Angst bij laadstations: veel vrouwen voelen zich onveilig bij opladen elektrische auto

Vrouwelijke bestuurders van elektrische voertuigen voelen zich vaak onveilig wanneer ze hun auto ’s avonds opladen bij laadstations langs snelwegen.

Die laadlocaties bevinden zich geregeld op afgelegen parkeerterreinen achter tankstations, waar de zichtbaarheid beperkt is en sociale controle vrijwel ontbreekt. De ervaring van vele vrouwen komt niet uit de lucht vallen. De combinatie van eenzaamheid, slechte verlichting rondom het terrein en de afwezigheid van personeel zorgt ervoor dat het opladen niet als een neutrale handeling voelt, maar als een risicovol moment.

Fastned, één van de grootste aanbieders van snellaadstations in Nederland, erkent de zorgen. Volgens een woordvoerder is de ligging van hun laadstations afhankelijk van de ruimte die beschikbaar is op bestaande verzorgingsplaatsen langs snelwegen. Dat zijn vaak plekken die overblijven na de plaatsing van tankstations en horecagelegenheden. Daardoor krijgt Fastned zelden de voorkeurslocaties toegewezen. “We zorgen voor goede verlichting en camerabewaking op onze stations, maar de directe omgeving daaromheen ligt buiten onze controle,” aldus de woordvoerder.

provincie

Die verantwoordelijkheid ligt bij andere partijen. Bij provinciale wegen is de provincie aan zet. De provincie Gelderland laat weten dat ze bij de inrichting van verzorgingsplaatsen onder meer letten op zichtlijnen en begroeiing. “Te hoge struiken die het zicht belemmeren, zijn een risico. We roepen mensen op om onveilige situaties te melden bij het Provincieloket,” zegt een provinciewoordvoerder. Op rijkswegen is het Rijkswaterstaat die de inrichting van verzorgingsplaatsen verzorgt. Zij stellen dat laadpalen zo veel mogelijk worden geplaatst binnen de contouren van bestaande tankstations. Alleen als dat technisch of planologisch niet lukt, wijken ze daarvan af.

Desondanks blijven veel vrouwelijke EV-rijders zich kwetsbaar voelen. Voor sommige vrouwen gaat het inmiddels verder dan ongemak. Ze nemen maatregelen om zichzelf te kunnen verdedigen. Een bestuurster vertelt dat ze na enkele onprettige ervaringen een busje ‘bear mace’ in Duitsland heeft aangeschaft – een krachtige pepperspray bedoeld om wilde dieren af te schrikken. “Ik weet dat het in Nederland niet is toegestaan, maar ik voel me veiliger met iets bij me. Liever dat risico, dan me volledig machteloos voelen als er iets gebeurt,” zegt ze.

Foto: © Pitane Blue – Fastned laadstation

De angst is niet ongegrond. In de afgelopen jaren zijn er diverse meldingen gedaan van intimidatie bij laadplekken, met name op afgelegen verzorgingsplaatsen. Toch ontbreken tot op heden concrete cijfers over incidenten op dit soort locaties. Dat maakt het lastig om gericht beleid te voeren, al wordt de roep om betere registratie en preventie luider.

Fastned zegt te werken aan oplossingen die verder gaan dan verlichting en camera’s. Het bedrijf kijkt onder andere naar samenwerkingen met andere voorzieningen op verzorgingsplaatsen, zoals horecagelegenheden die tot laat open zijn, zodat er meer sociale controle is. Ook denkt men aan het ontwikkelen van een app waarmee gebruikers onveilige situaties direct kunnen melden of hulp kunnen inschakelen.

samenwerking

Ondertussen groeit het aantal elektrische voertuigen op de Nederlandse wegen snel. In 2024 reden er volgens de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland meer dan 500.000 volledig elektrische auto’s in Nederland, en dat aantal stijgt maandelijks. Daarmee neemt ook de druk op bestaande laadvoorzieningen toe. Als die locaties niet alleen toegankelijk, maar ook veilig moeten zijn voor iedereen, zal samenwerking tussen overheden, exploitanten en wegbeheerders essentieel zijn.

Het onderwerp staat inmiddels op de radar bij verschillende provincies en het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, waar wordt nagedacht over aanvullende richtlijnen voor de plaatsing en inrichting van laadstations. Of en wanneer dat zal leiden tot concrete aanpassingen op de verzorgingsplaatsen, is vooralsnog niet duidelijk. Voor veel vrouwen blijft het tot die tijd een kwestie van extra alertheid, en soms ook zelfverdediging.

Markten dreigen leeg te lopen door streng autobeleid: ‘het gaat kapot’

De invoering van strenge milieuzones in steden als Amsterdam en Utrecht zorgt voor steeds grotere verdeeldheid.

Terwijl voorstanders de maatregelen zien als een noodzakelijke stap naar schonere lucht en een beter leefklimaat, klinkt er vanuit verschillende hoeken kritiek. Vooral de impact op autobezitters, marktkooplui en bezoekers van de stad wordt als problematisch ervaren. Volgens critici leidt het beleid tot sociale ongelijkheid en de aantasting van de traditionele levendigheid van de stad.

buitengesloten

Met de invoering van de milieuzones worden veel oudere dieselvoertuigen uit het stadscentrum geweerd. In Amsterdam en Utrecht geldt bijvoorbeeld dat diesels van vóór 2010 niet langer welkom zijn. Dit betekent dat veel autobezitters, vooral mensen die zich geen nieuwer voertuig kunnen veroorloven, de stad niet meer in kunnen.

Daar komt bij dat er strenge controles plaatsvinden en de boetes niet mals zijn. Wie zich niet aan de regels houdt, riskeert een boete van 120 euro per overtreding. Dit leidt tot frustratie bij mensen die afhankelijk zijn van hun auto voor werk of familiebezoek. De stijgende parkeertarieven maken de situatie er niet beter op. In delen van Amsterdam kan parkeren inmiddels oplopen tot acht euro per uur, een prijs die veel mensen ontmoedigt om de stad nog in te rijden.

Volgens Eerste Kamerlid Annabel Nanninga (JA21) dreigen de maatregelen de “ziel van de stad” weg te rukken. Zij wijst erop dat de levendigheid van de stad juist wordt bepaald door de interactie tussen bewoners, bezoekers en ondernemers. Door het moeilijker en duurder te maken om de stad te bereiken, wordt de sociale dynamiek ernstig verstoord.

Marktkooplieden merken een forse terugloop in het aantal bezoekers. Waar gezinnen voorheen wekelijks inkopen deden op de markt, blijven ze nu vaker weg. De combinatie van hoge parkeerkosten en de moeilijkheid om met de auto te komen, maakt dat steeds minder mensen de markt bezoeken.

Foto: © Pitane Blue – Markt

Marktkooplui luiden de noodklok. Hun inkomsten dalen en het wordt steeds moeilijker om het hoofd boven water te houden. Veel van hen beschikken niet over de middelen om over te stappen op elektrische voertuigen, waardoor ze praktisch worden uitgesloten van de markt. Dit leidt niet alleen tot economische problemen, maar tast ook de sociale functie van de markt aan.

ontheffingen

Voor mensen die afhankelijk zijn van hun auto, zoals ouderen en mensen met een beperking, zouden er ontheffingen moeten zijn. Maar in de praktijk blijkt het aanvragen van een ontheffing een moeizaam proces. De criteria zijn streng en vaak onduidelijk, waardoor veel aanvragen worden afgewezen. Dit zorgt voor extra frustratie bij mensen die niet zomaar een alternatief hebben.

Volgens critici raakt het beleid vooral de kwetsbare groepen in de samenleving. Wie geld heeft, kan zich een elektrische auto veroorloven of parkeren in dure garages, terwijl anderen gedwongen worden om buiten de stad te blijven. Dit creëert een tweedeling waarbij de stad steeds minder toegankelijk wordt voor mensen met een lager inkomen.

sociale gevolgen

De maatregelen zijn ingevoerd met het doel de luchtkwaliteit te verbeteren, maar tegenstanders stellen dat de negatieve effecten voor burgers en ondernemers zwaarder wegen. De vraag blijft of de balans tussen klimaatdoelen en de leefbaarheid van de stad wel goed wordt bewaakt.

Voor nu lijkt de trend van strengere milieuregels door te zetten. De grote vraag is of gemeentes gehoor zullen geven aan de groeiende kritiek en aanpassingen zullen doen om de toegankelijkheid van de stad te waarborgen. Want als de maatregelen de levendigheid van de stad uithollen, is de vraag of de stad nog wel echt een stad blijft.

Verschillen in kwaliteit: Nederlandse snelwegen de beste van Europa

De kwaliteit van snelwegen in Europa verschilt sterk per land, afhankelijk van investeringen, onderhoud en verkeersdrukte.

Waar Nederland vaak wordt geroemd om zijn uitstekende infrastructuur, blijven andere landen achter. Deze verschillen illustreren hoe sterk beleid en financiële prioriteiten de staat van het Europese wegennet beïnvloeden.

Nederland scoort met een 6,4 op een schaal van 7 volgens een rapport van het World Economic Forum, als beste van Europa. Het goed onderhouden asfalt, de duidelijke bewegwijzering en de efficiënte verkeersdoorstroming maken de Nederlandse snelwegen tot een voorbeeld voor andere landen. Dankzij consistente investeringen in infrastructuur wordt niet alleen de kwaliteit gewaarborgd, maar ook de veiligheid van weggebruikers verhoogd.

In Duitsland is de situatie anders. De Autobahnen, beroemd om delen zonder snelheidslimiet, trekken zowel lof als kritiek. Hoewel deze wegen doorgaans van goede kwaliteit zijn, zorgen frequente werkzaamheden en een hoge verkeersdruk vaak voor files. TomTom-gegevens laten zien dat de gemiddelde snelheid op Duitse snelwegen rond de 125 km/u ligt, net onder de aanbevolen snelheid van 130 km/u. Toch blijft de infrastructuur robuust, en de afwezigheid van een landelijke snelheidslimiet maakt Duitsland uniek in Europa.

Foto: © Pitane Blue – Frankrijk

Frankrijk heeft een uitgebreid netwerk van tolwegen, de zogenaamde autoroutes, die bekend staan om hun rustige en goed onderhouden trajecten. De tol kan echter flink oplopen, wat sommige automobilisten doet kiezen voor secundaire wegen. Met een maximumsnelheid van 130 km/u, en 110 km/u bij regen, blijven Franse snelwegen aantrekkelijk, maar de hoge kosten zijn een punt van discussie onder reizigers.

Spanje heeft de afgelopen decennia fors geïnvesteerd in zijn wegennetwerk, wat resulteert in moderne en goed onderhouden snelwegen. Het land onderscheidt zich met tolwegen (autopistas) en tolvrije wegen (autovías). Met een maximumsnelheid van 120 km/u zijn deze wegen veilig en efficiënt, al blijft de betaalbaarheid van tolwegen een heikel punt voor sommige Spaanse bestuurders.

In Oost-Europa laat de kwaliteit van snelwegen vaak te wensen over. Moldavië, met een score van slechts 2,6 op 7, is een van de slechtst beoordeelde landen op het continent. Ook in landen zoals Roemenië en Oekraïne is er veel ruimte voor verbetering. Slecht onderhoud en beperkte investeringen belemmeren hier een snelle modernisering van de infrastructuur. Deze verschillen benadrukken de kloof tussen West- en Oost-Europa op het gebied van wegennetkwaliteit.

Om de kloof te dichten en de kwaliteit van het Europese wegennet te harmoniseren, speelt de Europese Unie een actieve rol. Het Trans-Europese Transportnetwerk (TEN-T) is een ambitieus project dat de belangrijkste wegen, spoorlijnen, luchthavens en waterwegen wil verbinden en verbeteren. Een opvallend initiatief binnen dit programma is de installatie van snellaadhubs voor elektrische voertuigen, die tegen 2035 op elke 60 kilometer van het snelwegennet moeten verschijnen. Dit plan onderstreept de focus op duurzaamheid en innovatie binnen de Europese mobiliteitssector.

Ook zijn in 2019 nieuwe EU-regels ingevoerd om de verkeersveiligheid te vergroten. Deze richtlijnen, die nu ook autosnelwegen en hoofdwegen buiten het TEN-T-netwerk omvatten, zijn gericht op een beter ontwerp en onderhoud van wegen, tunnels en bruggen. Door deze maatregelen hoopt de EU het aantal verkeersdoden en zwaargewonden op Europese wegen drastisch te verminderen.

Terwijl landen zoals Nederland en Zwitserland de lat hoog leggen met hun infrastructuur, hebben andere regio’s nog een lange weg te gaan. Europese samenwerkingen zoals TEN-T en de aangescherpte richtlijnen spelen een cruciale rol in het verkleinen van de verschillen en het bouwen van een veiliger, duurzamer en efficiënter wegennetwerk.

Terugblik: Lydia Peeters haalt 2,2 miljard euro investeringen naar Limburg

Belangrijke projecten omvatten de Noord-Zuidverbinding, met tunnelwerken die in 2026 starten, en aanzienlijke investeringen in fietsinfrastructuur, waaronder nieuwe fietspaden, tunnels en bruggen.

Vlaams minister Lydia Peeters heeft tijdens haar legislatuur indrukwekkende resultaten geboekt voor de provincie Limburg. Onder haar beleid als Vlaams minister van Mobiliteit en Openbare Werken heeft de regio meer dan 2,2 miljard euro aan investeringsmiddelen ontvangen. Deze substantiële toename in financiering markeert een historische verschuiving voor Limburg, dat in de vorige legislatuur slechts 368 miljoen euro aan investeringen ontving. “Historisch gezien is de provincie Limburg vaak onderbedeeld geweest op vlak van Vlaamse investeringen in mobiliteit en infrastructuurwerken. Ik heb daar, zoals beloofd, bij aanvang van deze legislatuur verandering in gebracht,” aldus Peeters.

NZL

Een van de meest opvallende projecten onder Peeters’ leiding is de Noord-Zuidverbinding in Limburg. De Vlaamse Regering heeft onlangs haar goedkeuring gegeven aan het Ontwerp Projectbesluit NZL – Fase 1. Dit besluit volgt twee jaar na de tracébeslissing en betekent dat de detailplannen en vergunningen nu klaar liggen. “Dat is het resultaat van een intensieve samenwerking tussen heel wat partijen. De uitvoering zal verlopen via een Publiek-Private Samenwerking en een DBFM-contract. Het wordt een duurzaam mobiliteitsproject dat als hefboom en katalysator voor Limburg zal dienen,” verklaarde Peeters. De tunnelwerken staan gepland om in 2026 te beginnen.

Lydia Peeters heeft ook grote stappen gezet op het gebied van fietsinfrastructuur. Tijdens haar legislatuur werd meer dan 217 miljoen euro geïnvesteerd in fietsinfrastructuur in Limburg, met nog eens 35 miljoen euro gepland voor 2024. Projecten zoals de verbreding van fietspaden langs de Grote Baan in Houthalen-Helchteren en de N76 in Kortessem-Wellen-Borgloon zijn voltooid. Lopende projecten omvatten onder andere de fietspaden langs de N730 Asserweg in Zutendaal en de N722 in Alken. Daarnaast hebben nieuwe fietstunnels en -bruggen bijgedragen aan veilige kruisingen, zoals de fietstunnel onder de Bilzersteenweg N730 in Tongeren en de fietsbrug over de Grote Baan in Helchteren-Noord.

Foto:Minister Lydia Peeters en VSV lanceren nieuwe campagne.

De focus op verkeersveiligheid is een ander belangrijk aspect van Peeters’ beleid. Er werd 3,3 miljoen euro geïnvesteerd in de veiligheid van schoolomgevingen en routes in Limburg. Dit bedrag heeft bijgedragen aan de verhoogde verkeersveiligheid in 252 schoolomgevingen en op 28 schoolroutes. Daarnaast zijn 117 knelpunten op schoolroutes aangepakt, en zijn nog eens 10 projecten in uitvoering of gepland. Het project Mobiliteit Innovatief Aanpakken (MIA) heeft ook 9,6 miljoen euro bijgedragen aan het verbeteren van de verkeersveiligheid door middel van technologieën zoals drones en camera’s.

onderhoud

Peeters heeft zich ook gericht op de onderhoudsachterstand van bruggen in Vlaanderen. Sinds 2020 zijn er al 109 bruggen vernieuwd, en bij 104 bruggen zijn de werkzaamheden gaande of in voorbereiding. In Limburg werd onder andere het viaduct van Boorsem in Maasmechelen onder handen genomen, en er staan renovaties gepland voor zeven bruggen tussen 2026 en 2028 binnen het PPS-project ‘OverBruggen’. Voor regulier onderhoud van gewest- en autosnelwegen, fietspaden en bermen werd 133 miljoen euro uitgetrokken, waarvan 36 miljoen euro specifiek voor Limburg.

De provincie Limburg heeft ook aanzienlijke verbeteringen gezien op de E313, met de aanleg van 7 kilometer aan spitsstroken en geluidsminderende maatregelen. Begin juni zijn de werkzaamheden gestart voor een spitsstrook van Lummen tot Hasselt-West, goed voor een investering van bijna 32 miljoen euro. Voor 2024 is er ook 5,8 miljoen euro gereserveerd voor de plaatsing van 2 kilometer aan geluidsschermen langs de E314 in Genk.

Het HOV-project voor een trambusverbinding tussen Hasselt, campus Diepenbeek, Genk en Maasmechelen vordert gestaag. De eerste 17 elektrische trambussen zijn besteld en zullen in het najaar van 2024 geleverd worden. Ondertussen zijn al drie cruciale stukken vrije busbaan geopend en zijn de werkzaamheden aan de eindhalte in Terhills in Maasmechelen gestart. In 2025 start de herinrichting van de 11de Liniestraat met een investering van meer dan 20 miljoen euro.

De Lijn

Onder Peeters’ beleid is de vergroening van de busvloot van De Lijn in gang gezet. Daarnaast is er gewerkt aan de uitbouw van het netwerk van Hoppinpunten, met 75 van deze punten in Limburg. Verder zijn snelwegparkings aangelegd, zoals die bij het op- en afrittencomplex van Tongeren, en zijn de werkzaamheden gestart voor de snelwegparkings langs beide zijden van de E313 in Diepenbeek, die eind 2024 voltooid moeten zijn.

Op het gebied van laadinfrastructuur heeft Peeters haar doelstellingen overtroffen. De provincie Limburg heeft momenteel 4814 laadpunten, en in heel Vlaanderen zijn er 41.105 laadequivalenten (CPE). De doelstelling om langs de snelwegen en grote verkeersassen elke 25 km (ultra)snellaadinfrastructuur te hebben, is eveneens gerealiseerd.

Door extra middelen beschikbaar te stellen, werden de bruggen over het Albertkanaal verhoogd, waardoor 4-lagige containerschepen naar en van de Antwerpse haven kunnen varen. Dit project heeft niet alleen het watertransport rendabeler gemaakt, maar ook de weginfrastructuur verbeterd.

Ondanks dat Vlaanderen niet bevoegd is voor het spoor, heeft Peeters door co-investeringen het traject Hasselt-Mol kunnen elektrificeren. Dit betekent dat het hele Limburgse spoornet nu elektrisch is, een belangrijke mijlpaal voor de regio.

Spionage en handel: de dunne lijn tussen China en Europa

In een scherpe uitspraak heeft politicus Bart Groothuis (VVD) de recente beslissingen van openbaar vervoersbedrijven, zoals De Lijn, aan de kaak gesteld voor het plaatsen van bestellingen bij de Chinese busbouwer BYD.

Groothuis, bekend om zijn kritische blik op internationale handelsrelaties en veiligheidsbeleid, benadrukt de noodzaak van gerichte actie tegen wat hij beschouwt als oneerlijke concurrentie en potentiële bedreigingen voor nationale veiligheid en intellectuele eigendomsrechten.

aanbestedingsbeleid

Groothuis, actief in het signaleren van ongelijkheden in internationale handelspraktijken, wijst op de discrepantie tussen de behandeling van verschillende landen binnen het Europese aanbestedingsbeleid. Hij vindt het problematisch dat Europese wetgeving niet specifiek gericht is op landen als China, die volgens hem een geheel andere werkwijze hanteren dan bijvoorbeeld Europese landen. De politicus bekritiseert de generieke aanpak van de huidige wetgeving, die geen onderscheid maakt tussen landen met verschillende intenties en praktijken.

De bezorgdheid van Groothuis strekt zich verder uit naar de veiligheidsrisico’s die samenhangen met de betrokkenheid van Chinese bedrijven in Europese infrastructuur. Hij benadrukt dat China, naast enkele andere landen zoals Rusland, Iran, en Noord-Korea, actieve spionageprogramma’s onderhoudt en intellectuele eigendom probeert te stelen. Dit vereist volgens hem een specifiekere benadering dan de huidige algemene wetgeving biedt.

Groothuis’ argumenten raken ook aan de bredere discussie over de balans tussen handelsbelangen en nationale veiligheid. De politicus wijst op de aanzienlijke handelsrelaties tussen Europese landen en China, zoals de Duitse export die jaarlijks oploopt tot 96 miljard euro, als een mogelijke verklaring voor de terughoudendheid in het nemen van strenge maatregelen tegen China. Hij suggereert dat economische belangen soms de overhand krijgen boven veiligheidsoverwegingen, wat leidt tot een beleid dat niet effectief is in het beschermen tegen de unieke uitdagingen die sommige landen stellen.

Foto: © Pitane Blue – Bart Groothuis (VVD)

In tegenstelling tot veel van zijn collega’s in Brussel, die vaak een achtergrond hebben als minister-president, minister of staatssecretaris, met name uit Oost-Europese landen, benadrukt Groothuis dat Nederland een andere benadering heeft ten aanzien van haar vertegenwoordiging in Europa. “In Nederland hebben we een hele andere traditie van omgaan met Europa. Hier stuurt men iemand zoals ik,” grapt hij tijdens een bijeenkomst in Brussel met een delegatie uit Eindhoven Brainport.

Europa staat op een cruciaal kruispunt waar de toekomstige welvaart van het continent steeds meer afhankelijk wordt van de capaciteit om zijn industrie te behouden en verder te ontwikkelen. Dit is de stellige overtuiging van Bart Groothuis, lid van de VVD, die met zijn uitgebreide ervaring in zowel Brussel als Straatsburg, de nuances van de Europese politiek doorgrondt en de Nederlandse belangen behendig weet te navigeren door het complexe landschap van Europese instellingen.

cyberveiligheid

Groothuis, met een achtergrond die hem bijzonder geschikt maakt om de digitale en industriële uitdagingen van het continent te beoordelen, legt nadruk op de essentiële rol die cyberveiligheid speelt in de bescherming van de Europese welvaart. Zijn inzichten zijn niet alleen gebaseerd op theoretische kennis, maar ook op de realiteit van de huidige dreigingslandschap die Europa en zijn essentiële infrastructuur teisteren.

De Europese Unie, met haar rijke historie in het faciliteren van handel, culturele uitwisseling, en politieke samenwerking, staat nu voor een ongekende uitdaging: het beschermen van haar cruciale infrastructuur tegen cyberaanvallen. Deze digitale dreigingen, vaak onzichtbaar voor het blote oog, hebben het potentieel om de fysieke wereld waarin we leven ernstig te ontwrichten. Groothuis benadrukt dat, ondanks aanzienlijke inspanningen op het gebied van cyberveiligheid, vooral binnen de IT-sector, de bescherming van operationele systemen – zoals energie, gas, elektriciteit, en water – nog steeds kwetsbaar is.

Foto: © Pitane Blue – Bart Groothuis (VVD)

De dynamiek tussen nationale politiek en Europese besluitvorming blijft een intrigerend onderwerp van gesprek in de politieke arena van Nederland. Een treffende illustratie hiervan is een uitspraak die onlangs de ronde deed in de wandelgangen van het Binnenhof: “Er is een ijzeren politieke wet in Den Haag, en die heet… Alles wat goed gaat, doet Den Haag. Alles wat fout gaat, doet Brussel.”

Wanneer gevraagd wordt naar een cijfer om de huidige staat van cyberveiligheid in Europa te beoordelen, geeft Groothuis een voorzichtige 6,5. Dit cijfer reflecteert een situatie waarin significante vooruitgang is geboekt, maar waarin ook erkend wordt dat er nog een lange weg te gaan is. “Er is heel veel te doen over de cybersecurity,” verklaart hij, “met name op het gebied van IT, maar onze eigenlijke levenssystemen… die worden ook ernstig bedreigd door cybercriminologie.”

passie

Bart Groothuis, een voormalige student geschiedenis en economie met een uitgesproken passie voor computers en technologie, heeft zich ontpopt als een belangrijke speler op het Europese politieke toneel, vooral op het gebied van cyberveiligheid, digitale transformatie, defensie, geopolitiek, en technologie. Zijn liefde voor computers is niet iets van de laatste tijd; het gaat terug tot zijn studentenjaren. “Ik deed de computers in mijn studentenhuis zelf. Ik legde netwerken aan. Ik heb in een computerwinkel gewerkt. Ik heb mijn hele leven lang niets anders dan computers gedaan. Dat is een liefde voor computers. Maar dat is wel niet gezegd dat je verstand hebt van computers, dat je dan ook automatisch een goede politicus bent,” reflecteert Groothuis op zijn unieke pad naar de politiek.

Foto: © Pitane Blue – Berlaymont Brussel

Infrastructuurplannen op de rem, focus op onderhoud en truckparkings

Nederland pauzeert 17 grote infrastructuurprojecten voor onderhoud en renovatie, focust op meer truckparkings en ondersteunt kleine transportondernemingen met subsidies en infrastructuurverbeteringen.

Op het gebied van infrastructuur en transport heeft de Nederlandse overheid een opvallende beslissing genomen waardoor maar liefst 17 grote infrastructuurprojecten worden tijdelijk op pauze gezet. Dit ingrijpende besluit, genomen na een langdurig debat in de Tweede Kamer, is een reactie op een reeks uitdagingen waaronder gestegen bouwkosten, personeelstekorten, en de stikstofproblematiek. Het debat, dat zeven uur in beslag nam, maakte duidelijk dat minister Harbers van Infrastructuur en Waterstaat geen optimistisch nieuws kon brengen over de voortgang van deze projecten.

De focus wordt nu verlegd naar onderhoud en renovatie van bestaande infrastructuur. Dit is een strategische keuze om de beschikbare middelen efficiënter te gebruiken in het licht van de huidige problemen. Projecten zoals de aanpak van de A2 Deil-’s-Hertogenbosch-Vught, de verbetering van de A9 bij het Rottepolderplein, en de doorstroming van het Knooppunt Hoevelaken bij de A1/A28, staan nu op een laag pitje.

discussie

De discussie in de Tweede Kamer weerspiegelde ook de politieke verdeeldheid over deze kwestie. Linkse partijen toonden meer begrip voor de verschuiving van middelen naar onderhoud, terwijl rechtse partijen benadrukten dat nieuwe wegen essentieel zijn om Nederland bereikbaar te houden. Deze meningsverschillen onderstrepen de complexiteit van infrastructuurplanning in een tijd waarin zowel economische als ecologische factoren een rol spelen.

parkings

Een ander belangrijk onderwerp dat tijdens het debat naar voren kwam, was het tekort aan truckparkings in Nederland. Dit probleem heeft de aandacht van zowel politici als de transportsector. Het ministerie heeft stappen ondernomen om dit probleem aan te pakken, onder meer door EU-subsidies aan te vragen voor vijf nieuwe locaties en een pilotproject in Limburg te starten. Dit zou kunnen resulteren in 800 extra parkeerplaatsen. Bovendien wordt er samengewerkt met Duitsland voor de realisatie van een groot parkeerterrein voor vrachtwagens vlak over de grens bij Arnhem/Zevenaar.

Een ander belangrijk onderwerp dat tijdens het debat naar voren kwam, was het tekort aan truckparkings in Nederland.

Ook werd de ontwikkeling van een reserveringsapp voor truckparkings besproken. Deze app, die nog in de kinderschoenen staat, zou chauffeurs helpen bij het vinden van beschikbare parkeerplaatsen. Het ministerie zet zich in om de benodigde data van truckparkings te verzamelen en overweegt handhaving in te zetten om deze data beschikbaar te krijgen.

Tot slot kwam de ondersteuning voor kleine transportondernemingen (KTO’ers) aan bod. De Tweede Kamer vroeg de minister om een mkb-loket of expertisecentrum op te richten om steunmaatregelen voor deze ondernemers inzichtelijker te maken. Het ministerie werkt aan een subsidieregeling voor laadinfrastructuur en biedt via de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) ondersteuning aan kleine ondernemers. Daarnaast omvat de regeling een subsidie voor maatwerkadvies over laadinfrastructuur.