Tag archieven: rechtbank

Tilburg op vingers getikt: moeder strijdt tegen gemeente om taxivervoer voor dochter

Gemeente moet opnieuw kijken naar vervoer leerling met beperking.

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft in Breda een tussenuitspraak gedaan in een slepende kwestie over leerlingenvervoer, waarin een moeder uit de regio Tilburg botst met het college van burgemeester en wethouders over de vergoeding van taxivervoer voor haar dochter met een autismespectrumstoornis. De zaak werpt opnieuw licht op de spanningen tussen gemeentelijk beleid en de dagelijkse realiteit van gezinnen die afhankelijk zijn van passend vervoer naar school.

leerlingenvervoer

De moeder had op 16 december 2024 een aanvraag ingediend voor een vergoeding van de kosten van leerlingenvervoer voor het schooljaar 2024-2025. Het ging om haar dochter, die is gediagnosticeerd met een autismespectrumstoornis en speciaal onderwijs volgt. Begin januari 2025 werd die aanvraag door de gemeente Tilburg afgewezen, met als reden dat de afstand tussen de woning en de school minder dan zes kilometer bedraagt. Volgens de geldende verordening zou daarmee geen recht bestaan op vergoeding van aangepast vervoer, zoals taxivervoer.

Na bezwaar kwam de gemeente gedeeltelijk terug op dat besluit. In april 2025 verklaarde het college het bezwaar gegrond en werd alsnog een reiskostenvergoeding toegekend, gebaseerd op de kosten van het openbaar vervoer voor het kind en een begeleider. De moeder bleef echter met lege handen staan waar het ging om taxivervoer. Volgens het college voldeed zij niet aan de voorwaarden van de Verordening leerlingenvervoer gemeente Tilburg 2020, waarin is vastgelegd wanneer aangepast vervoer moet worden vergoed.

afwijzing

Die afwijzing liet de moeder niet los. In beroep voerde zij aan dat haar dochter, gezien haar psychische beperking, niet in staat is om ook niet onder begeleiding gebruik te maken van het openbaar vervoer. Daarmee zou volgens haar zijn voldaan aan de voorwaarden die de verordening stelt. Daarnaast wees zij op de zware belasting voor het gezin. Door de situatie rond haar dochter moet haar andere kind iedere ochtend naar de voorschoolse opvang, een extra kostenpost waar in de toegekende vergoeding geen rekening mee wordt gehouden. Ook stelde zij dat de gemeente te laat was met het nemen van een beslissing op bezwaar en dat daar consequenties aan verbonden zouden moeten worden.

Als de leerling door zijn structurele handicap niet in staat is, zelfs niet onder begeleiding, van het openbaar
vervoer gebruik te maken, verstrekt het college een voorziening in de vorm van aangepast vervoer. De
vraag of een leerling al dan niet als gehandicapt valt aan te merken is hierbij niet van belang. Het gaat om
de vraag of de leerling, door zijn handicap, al dan niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan
maken.

Tijdens de zitting in november 2025 bleek dat de kern van het geschil draait om de vraag of de dochter, gelet op haar handicap, daadwerkelijk in staat is om met het openbaar vervoer te reizen. Het college stelde zich op het standpunt dat uit het overgelegde psychologisch onderzoek uit 2023 niet volgt dat sprake is van een onhoudbare situatie bij reizen met bus of trein. Daarbij werd aangevoerd dat ook taxivervoer prikkels met zich meebrengt, bijvoorbeeld doordat een taxi wordt gedeeld met andere kinderen of in de file kan komen te staan.

tussenuitspraak

De rechtbank zette daar stevige vraagtekens bij. In de tussenuitspraak oordeelt de rechter dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de relevante bepaling uit de verordening niet van toepassing zou zijn. In de toelichting bij de regels staat juist dat verklaringen van deskundigen zwaar moeten meewegen en dat de gemeente, als die verklaringen onduidelijk of onvolledig zijn, zelf een onafhankelijk deskundig advies kan inwinnen. De moeder had niet alleen een psychologisch rapport ingebracht, maar ook een verklaring van de begeleider van haar dochter. Dat de gemeente die stukken terzijde schoof zonder aanvullend deskundig onderzoek, noemt de rechtbank een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek.

motivering

Om die reden krijgt het college nu de opdracht om het gebrek te herstellen. Binnen twee weken moet de gemeente laten weten of zij van die mogelijkheid gebruikmaakt en vervolgens heeft zij zes weken de tijd om alsnog een deugdelijke motivering te geven of een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Dat kan betekenen dat een onafhankelijk sociaal-medisch advies wordt ingewonnen, zoals de verordening voorschrijft. Tot die tijd houdt de rechtbank iedere verdere beslissing aan en is er nog geen oordeel over proceskosten of griffierecht.

De zaak laat zien hoe strikt beleid en menselijke maat elkaar kunnen raken. Voor de betrokken moeder staat niet alleen een juridische interpretatie op het spel, maar vooral de dagelijkse haalbaarheid van het schooltraject van haar dochter en de impact daarvan op het hele gezin. De definitieve uitspraak wordt pas verwacht nadat de gemeente haar huiswerk opnieuw heeft gedaan.

Utrechtse busstrijd beslist: rechter maakt korte metten met bezwaren Qbuzz

Reiziger merkt zondag niets van juridische strijd maar de rechter geeft definitief groen licht aan Transdev.

De Utrechtse twist rond het openbaar vervoer is tot een einde gekomen na een felle juridische strijd die wekenlang de gemoederen bezighield. De rechtbank heeft bepaald dat Transdev, ondanks felle bezwaren van huidig vervoerder Qbuzz, vanaf aanstaande zondag toch de nieuwe concessie voor bus- en tramvervoer in de regio Utrecht mag uitvoeren. Daarmee komt een geschil ten einde dat tot op het laatste moment onzekerheid veroorzaakte onder reizigers én personeel.

Vijf dagen voor de ingangsdatum van het nieuwe contract heeft de rechter uitgesproken dat alle bezwaren van Qbuzz ongegrond zijn. Qbuzz stelde dat Transdev tijdens de aanbesteding een reeks beloften zou hebben gedaan die niet haalbaar zouden zijn. Volgens de vervoerder zou Transdev onrealistische verwachtingen hebben geschept, vooral over de ambitie om vanaf 2028 volledig elektrisch te rijden. Daarnaast trok Qbuzz de deskundigheid van de beoordelingscommissie in twijfel, stellende dat deze volgens hen niet voldoende onderlegd was om een oordeel te vellen over de omvangrijke concessie.

niet overtuigend

De rechtbank ging niet mee in die redenering. In de uitspraak staat dat de provincie Utrecht zorgvuldig heeft gehandeld en dat het haar vrijstond om de concessie aan Transdev te gunnen. De beschuldigingen rond onhaalbare beloftes zijn volgens de rechter niet overtuigend onderbouwd. Daardoor blijft de gunning overeind en is het oordeel definitief. Er is geen ruimte meer voor verder beroep, wat betekent dat er vanaf zondag daadwerkelijk bussen met Transdev-logo’s door Utrecht, Houten, Zeist, De Bilt, Nieuwegein en omliggende gemeenten gaan rijden.

Foto: © Pitane Blue – openbaar vervoer Utrecht

De uitspraak brengt rust voor reizigers die zich de afgelopen weken hebben afgevraagd of de overstap tussen vervoerders nog op het allerlaatste moment zou kunnen veranderen. Zij zullen, zo bevestigt de rechtbank, vanaf zondag gewoon kunnen instappen bij de nieuwe vervoerder. Toch gaat de overgang niet zonder hobbels. Al in een eerder stadium werd duidelijk dat de beloofde groei van 12 tot 14 procent in het aanbod niet haalbaar is op de korte termijn. In werkelijkheid wordt het aanbod voorlopig met slechts 2 tot 3 procent uitgebreid.

vertragingen

Volgens betrokkenen heeft dit vooral te maken met twee problemen die de gehele sector bezighouden. Allereerst is er een tekort aan chauffeurs, een kwestie die al geruime tijd speelt en door veel vervoerders wordt ervaren. Daarnaast kampen de fabrikanten van de nieuwe elektrische bussen met forse productieproblemen. Het gaat om een vloot van ongeveer driehonderd voertuigen waarvan een deel in de komende maanden had moeten instromen. Door vertragingen in de levering arriveert een belangrijk deel van die bussen pas later, wat Transdev direct voor een uitdaging stelt.

De vervoerder verwacht in het eerste kwartaal van volgend jaar wél op te kunnen schalen naar het niveau dat in de concessie is afgesproken. Naar eigen zeggen zijn de plannen voor de verdere uitrol van het elektrische wagenpark niet geschrapt maar slechts verschoven. Ongeveer veertig van de vertraagde e-bussen zouden in die periode alsnog moeten arriveren. Pas dan kan Transdev volledig gaan rijden volgens de frequenties die aan de provincie zijn beloofd. Voor reizigers betekent het dat de gewenste verbetering merkbaar zal zijn, maar iets later dan oorspronkelijk was aangekondigd.

De uitspraak van de rechtbank markeert daarmee niet alleen een belangrijk moment voor de provincie Utrecht, maar ook voor de bredere discussie over de haalbaarheid van grootschalige verduurzaming binnen het openbaar vervoer. Voorlopig overheerst echter vooral de opluchting dat de juridische onzekerheid voorbij is en dat de nieuwe vervoerder komend weekend daadwerkelijk van start kan gaan.

OV-chipkaart ruzie escaleert: Rover en Translink naar rechter

Translink spreekt van duidelijk signaal aan hardnekkige exploitant.

Reizigersorganisaties Rover en vervoerbedrijf Translink zetten een harde juridische stap om een einde te maken aan een handvol websites die de OV-chipkaart tegen buitensporige tarieven aanbieden. De kwestie speelt al langere tijd, maar na eerdere successen in het overtuigen van diverse aanbieders om hun praktijken te staken, blijft één exploitant – het bedrijf Kings Online – volharden met twee omstreden websites. Op 6 januari 2026 volgt daarom een kort geding bij de Rechtbank Midden-Nederland in Lelystad.

Het probleem waar duizenden reizigers onbewust tegenaan lopen, begint zodra zij via een zoekmachine op zoek gaan naar een plek om een persoonlijke OV-chipkaart te bestellen. Bovenaan verschijnen dan opvallend vaak commerciële websites die de indruk wekken officiële verkoopkanalen te zijn. De vormgeving komt volgens gedupeerde reizigers akelig dicht in de buurt van de huisstijl van NS of Translink. Daardoor ontstaat gemakkelijk verwarring en wordt er zonder extra dienstverlening soms tientallen euro’s te veel betaald voor een kaart die bij Translink zelf simpelweg €7,50 kost.

hoge kosten

Rover geeft aan dat inmiddels meer dan zeshonderd reizigers melding hebben gedaan van te hoge kosten. Veel van hen zeggen pas na betaling ontdekt te hebben dat zij niet bij de officiële uitgever bestelden. De bedragen die gemoeid zijn met deze bestellingen lopen behoorlijk uiteen, maar de rode draad is dat consumenten zich misleid voelen en vinden dat de websites een oneerlijke vorm van handel voeren.

Rover en Translink geven aan dat zij eerder drie aanbieders, die met soortgelijke websites opereerden, succesvol hebben weten te overtuigen te stoppen na duidelijke sommaties. Beide organisaties wilden daarmee vooral een einde maken aan onnodige kosten voor reizigers, die vaak al weinig zicht hebben op de officiële procedures rondom hun OV-chipkaart. Voor de laatste twee websites, beide beheerd door Kings Online, bleek dat anders te liggen. De exploitant weigert de activiteiten zelf stil te leggen en blijft de kaarten aanbieden voor tarieven die volgens Rover en Translink in geen verhouding staan tot de geboden dienst.

Foto: © Pitane Blue – Translink

De inzet is voor Rover en Translink helder: een transparante markt waar reizigers op een betrouwbare manier en tegen een eerlijke prijs aan een OV-chipkaart kunnen komen zonder dat zij via slimme zoekresultaten of misleidende huisstijlen onnodig worden opgelicht

“Het is positief dat meerdere websites inmiddels zijn gestopt na onze eerdere acties,” verklaart Rover-directeur Freek Bos letterlijk. Hij benadrukt dat de organisaties pas tevreden zijn als alle misleidende praktijken van tafel zijn. “Maar zolang niet alle partijen bereid zijn hun oneerlijke handelspraktijken te beëindigen, blijven wij ons inzetten om reizigers te beschermen. Met de dagvaarding zetten we een noodzakelijke vervolgstap.”

Ook bij Translink is het geduld inmiddels op. Directeur Peter van Dijk laat weten dat de stap onvermijdelijk is geworden om duidelijkheid te creëren voor reizigers en misstanden tegen te gaan. Hij zegt: “Met deze stap geven we een duidelijk signaal: onnodig hoge kosten voor reizigers accepteren we niet. Iedereen moet eenvoudig en betrouwbaar een OV-chipkaart kunnen bestellen – via de website van OV-chipkaart of bij servicepunten van de vervoerders, gewoon voor de adviesprijs van €7,50.”

Bij de rechtbank in Lelystad zal op dinsdag 6 januari 2026 om 13.00 uur het kort geding dienen. De zitting is openbaar, wat betekent dat belangstellenden fysiek kunnen komen kijken hoe de zaak zich ontvouwt. Rover roept reizigers op om zich te blijven melden bij hun meldpunt wanneer zij geconfronteerd zijn met onredelijke kosten. De verklaringen kunnen volgens de organisatie van belang zijn in het verdere verloop van de zaak en vormen bovendien een belangrijk signaal richting bedrijven die volgens hen misbruik maken van de onwetendheid van consumenten.

Transdev blijft vervoerder : rechter fluit Qbuzz opnieuw terug in concessiestrijd

De juridische strijd om het busvervoer in de provincie Utrecht heeft geen onverwachte wending gekregen.

De voorzieningenrechter in Den Haag heeft het verzoek van Qbuzz om de concessieverlening aan Transdev voorlopig op te schorten, resoluut van tafel geveegd. Daarmee blijft de concessie voor het openbaar vervoer in het gebied Utrecht Binnen in handen van Transdev, ondanks hernieuwde pogingen van Qbuzz om dat besluit onderuit te halen.

Qbuzz, dat de gunning in eerste instantie verloor, stelde dat de inschrijving van Transdev gebaseerd zou zijn op plannen die in de praktijk niet uitvoerbaar zijn. Het zou onder meer gaan om onhaalbare tijdschema’s, problemen met laadinfrastructuur en vergunningen die volgens Qbuzz niet tijdig gerealiseerd konden worden. Volgens de vervoerder heeft Transdev bovendien op meerdere punten haar oorspronkelijke plannen aangepast, iets wat volgens hen in strijd is met de aanbestedingsregels.

argumentatie

De voorzieningenrechter liet zich niet overtuigen door deze argumentatie. Volgens de uitspraak, die op 6 augustus 2025 openbaar werd gemaakt, is er geen sprake van wezenlijke wijzigingen in het aanbod van Transdev. De rechter concludeerde dat de aanpassingen die Transdev heeft doorgevoerd – zoals het wijzigen van de locatie van de busremise en het terugbrengen van het aantal laadpunten – passen binnen de toegestane bandbreedte van de aanbestedingsleidraad.

“De aanbestedingsleidraad biedt expliciet ruimte voor onvoorziene omstandigheden, mits de inschrijving in de kern blijft voldoen aan de gestelde eisen,” aldus de voorzieningenrechter. Qbuzz voerde onder andere aan dat Transdev niet beschikte over de benodigde vergunningen op het moment van inschrijving en dat het realiseren van de benodigde laadinfrastructuur binnen de gestelde termijn niet haalbaar zou zijn. Maar volgens de rechter is het niet aan hem, maar aan de beoordelingscommissie om te beoordelen of een inschrijving uitvoerbaar is.

De rechter herhaalde bovendien dat in een eerdere uitspraak van 16 januari 2025 al was vastgesteld dat de inschrijving van Transdev aan de eisen voldeed. De nieuwe informatie die Qbuzz had ingebracht – waaronder recente vergunningen en wijzigingen in het plan van aanpak – gaf volgens de rechter geen aanleiding om dat oordeel te herzien.

In de uitspraak wordt ook verwezen naar de bredere context waarin Transdev opereert. Het bedrijf kampt, net als andere vervoerders, met structurele uitdagingen op het gebied van personeelstekorten en verduurzaming. Toch heeft Transdev volgens de rechter voldoende onderbouwd hoe zij met deze risico’s omgaat. “Het enkele feit dat een inschrijving ambitieus is, maakt die nog niet irreëel,” staat in de uitspraak te lezen.

geen sprake van

Een opvallend punt in de juridische strijd is dat Qbuzz eerder al naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven stapte. Ook die beroepsprocedure leverde Qbuzz niets op. In een uitspraak van het CBb van 6 augustus 2025 werd vastgesteld dat de provincie Utrecht de aanbestedingsprocedure correct heeft uitgevoerd en dat er geen sprake is van discriminatie of willekeur in de gunning aan Transdev.

Transdev heeft inmiddels laten weten blij te zijn met de bevestiging van de rechter. “Wij kunnen ons nu volledig richten op de uitvoering van het openbaar vervoer in Utrecht, in samenwerking met de provincie,” aldus een woordvoerder van het vervoersbedrijf. De provincie Utrecht zelf spreekt van een “duidelijke uitspraak die rust brengt in het concessieproces.”

nederlaag

Voor Qbuzz is het een nieuwe nederlaag in een langslepende strijd. Het bedrijf overweegt nog of verdere stappen volgen, al lijkt de juridische ruimte daarvoor uiterst beperkt nu zowel de voorzieningenrechter als het CBb geen reden zien om de gunning aan Transdev ongedaan te maken.

Met de uitspraak lijkt de weg definitief vrij voor Transdev om de concessie voor de komende jaren gestalte te geven. Daarmee komt er voorlopig een einde aan een hoogoplopende strijd om een miljardencontract dat van groot belang is voor de toekomst van duurzaam en betrouwbaar openbaar vervoer in de provincie Utrecht.

Symboolpolitiek: reclameverbod voor vliegreizen drijft Den Haag in morele spagaat

Het verbod op reclame voor vliegreizen in Den Haag heeft geleid tot een scherp debat over de grenzen van gemeentelijke bevoegdheden, vrijheid van meningsuiting en de effectiviteit van symbolisch klimaatbeleid.

De uitspraak van de rechtbank, die het gemeentelijk verbod op fossiele reclames – waaronder vliegreclames – ondersteunt, wordt door de reis- en luchtvaartsector met argwaan bekeken. Niet alleen roept het juridische vragen op, het werpt ook een schaduw over het publieke debat over duurzaamheid, waarin nuance steeds vaker het onderspit delft.

De rechtbank erkent dat het gemeentelijk verbod op fossiele reclames een bijdrage kan leveren aan de bescherming van de volksgezondheid en het terugdringen van klimaatverandering. Tegelijkertijd onderstreept de uitspraak de mate waarin lokale overheden zich moreel bevoegd achten tot het vormgeven van het gedrag van burgers via communicatiekanalen. Het gegeven dat dit beleid zich nu toespitst op commerciële uitingen, en dus indirect op de keuzes van consumenten, zet de deur open voor bredere restricties op informatievoorziening.

kort geding

Reisorganisaties en brancheverenigingen, die zich verenigd hadden in een kort geding tegen het verbod, betwijfelen de juridische houdbaarheid van het vonnis. Zij wijzen erop dat het verbieden van reclame een inbreuk betekent op het recht van bedrijven om hun diensten aan te bieden aan het publiek, en op het recht van consumenten om geïnformeerde keuzes te maken. Daarnaast wordt het argument dat vliegreclames negatieve gevolgen zouden hebben voor de gezondheid als juridisch wankel beschouwd, zeker wanneer tegenovergestelde inzichten – zoals het stressverlagende effect van vakanties – volledig buiten beschouwing worden gelaten.

Wat ooit begon als klimaatbewustzijn, dreigt te verworden tot ideologische censuur.

De gemeente Den Haag stelt dat het verbod uitsluitend gericht is op fossiele producten en niet op andere sectoren. Toch leidt dit tot een merkwaardig spanningsveld, want de stad organiseert gelijktijdig internationale topontmoetingen waarbij het vliegverkeer juist toeneemt. De morele logica lijkt selectief toegepast: waar de individuele vakantieganger aan banden wordt gelegd, blijft institutioneel vliegverkeer buiten schot. Dat ondermijnt het draagvlak voor het beleid en wekt de indruk van hypocrisie.

Foto: © Pitane Blue
– luchthaven Schiphol

Critici wijzen bovendien op de vage formuleringen in het vonnis. Het argument dat ‘alle kleine beetjes helpen’ als rechtvaardiging volstaat voor het beperken van reclame, kan gemakkelijk worden ingezet voor toekomstige beperkingen. Als elk miniem effect voldoende is voor een ingreep, komt de grens van wat toelaatbaar is gevaarlijk dicht bij willekeur te liggen. Dat het hier gaat om handelsreclame, en dus volgens de rechter niet onder de grondwettelijke vrijheid van meningsuiting valt, is een juridisch-technisch punt dat voorbijgaat aan de maatschappelijke waarde van vrije informatieverspreiding in het algemeen.

precedent

De uitspraak wordt door gemeenten die soortgelijke maatregelen overwegen gezien als een precedent. Dit versterkt het vermoeden dat de rechterlijke macht in toenemende mate de poort opent naar normerend beleid op basis van politieke motieven, verpakt als volksgezondheidsmaatregel. 

De discussie over fossiele reclame raakt dan ook een veel fundamentelere kwestie: de verhouding tussen overheidsmacht en individuele vrijheid. Wanneer de overheid zich gaat bemoeien met wat burgers wel of niet mogen zien, horen of kopen, is waakzaamheid geboden. Niet omdat duurzaamheid onbelangrijk is, maar omdat het middel proportioneel moet blijven tot het doel. En in dit geval rijst de vraag of het werkelijk gaat om het milieu, of om het moraliseren van consumptiegedrag door de overheid.

College Rotterdam terechtgewezen: leerling had recht op taxivervoer

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 15 januari 2025 een belangrijke uitspraak gedaan in een geschil over aangepast leerlingenvervoer in Rotterdam.

De zaak betrof een moeder die bij het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam een aanvraag had ingediend voor aangepast vervoer voor haar zoon naar speciaal basisonderwijs, maar deze aanvraag werd aanvankelijk afgewezen. De Raad van State heeft de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigd, wat betekent dat het college onterecht heeft gehandeld bij het afwijzen van de aanvraag.

De kern van de zaak draaide om de vraag of de zoon van de moeder recht had op aangepast vervoer, zoals taxivervoer, omdat hij door een verstandelijke en lichamelijke handicap niet zelfstandig of met begeleiding gebruik kon maken van openbaar vervoer. De afstand tussen de woning van het gezin en de school bedraagt 5,17 kilometer, en de moeder stelde dat deze reis niet haalbaar was zonder aangepast vervoer.

aanvraag en afwijzing

Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees de aanvraag in september 2021 af, evenals het bezwaar dat de moeder daarna indiende. Volgens het college was er geen sprake van een situatie waarin de leerling, op basis van artikel 12 van de Verordening leerlingenvervoer Rotterdam 2015, recht zou hebben op aangepast vervoer. Het college vond dat de leerling wel onder begeleiding met het openbaar vervoer naar school kon reizen, ondanks de medische en psychologische problemen die door de moeder en deskundigen werden aangevoerd.

De moeder ging tegen deze beslissing in beroep bij de rechtbank Rotterdam. In april 2023 oordeelde de rechtbank dat het college niet correct had gehandeld en dat de aanvraag voor aangepast vervoer ten onrechte was afgewezen. De rechtbank baseerde zich op verschillende medische verklaringen, waaronder een rapport van een orthopedagoog en een psycholoog, waaruit bleek dat de zoon door een autismespectrumstoornis, een licht verstandelijke beperking en posttraumatische stressstoornis niet in staat was om zelfstandig of met begeleiding van het openbaar vervoer gebruik te maken. De rechtbank gaf het college de opdracht om een nieuw besluit te nemen en daarbij de uitspraak mee te nemen.

Foto: © Pitane Blue – Raad van State

Het college bleef echter volhouden dat niet aan alle voorwaarden van de verordening was voldaan en ging in hoger beroep bij de Raad van State.

De Raad van State oordeelde dat het college opnieuw in de fout was gegaan en dat het besluit om aangepast vervoer te weigeren onterecht was. De hoogste bestuursrechter baseerde zich op een medisch advies uit augustus 2023, waarin expliciet werd geconcludeerd dat de zoon vanwege zijn beperkingen zelfs onder begeleiding niet in staat was om gebruik te maken van het openbaar vervoer. Ook werd vastgesteld dat de problematiek van de zoon al tijdens het schooljaar 2021-2022 aanwezig was en dat er sprake was van structurele reisbeperkingen. Het argument van het college dat de beperkingen pas later relevant zouden zijn geworden, werd door de Raad van State verworpen.

De Raad van State ging verder dan de rechtbank door te bepalen dat de moeder recht had op een vergoeding van €1.540 voor de reiskosten in het schooljaar 2021-2022. Deze vergoeding is gebaseerd op de werkelijke benzinekosten die de moeder maakte, aangezien het college destijds geen aangepast vervoer had toegekend. Het eerdere bedrag van €580, dat het college had toegekend op basis van de kosten van openbaar vervoer, werd als onvoldoende beschouwd.

bredere impact

Deze uitspraak heeft niet alleen gevolgen voor de betrokken familie, maar biedt ook een precedent voor andere ouders die met vergelijkbare situaties kampen. De Raad van State benadrukte dat bij de beoordeling van aanvragen voor aangepast vervoer medische en sociale omstandigheden van de leerling zwaar moeten meewegen. Het college van Rotterdam is verplicht om bij toekomstige aanvragen zorgvuldiger te toetsen en medische adviezen serieuzer mee te nemen in de besluitvorming.

De uitspraak onderstreept daarnaast het belang van duidelijke communicatie en adequate ondersteuning van ouders in complexe procedures rondom leerlingenvervoer. Het college werd ook veroordeeld tot het betalen van de proceskosten van de moeder, die werden vastgesteld op €1.312,50.

Hoger beroep: strijd over aangetekende post eindigt in overwinning PostNL

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) heeft op 17 december 2024 uitspraak gedaan in een langlopende zaak rond de bezorgkwaliteit van aangetekende poststukken.

De klacht van een particulier over de bezorging van medische hulpmiddelen en aangetekende stukken door PostNL is ongegrond verklaard. Het CBb oordeelde dat de klager geen belanghebbende is en dat de Autoriteit Consument & Markt (ACM) onterecht maatregelen tegen PostNL heeft getroffen. Daarmee komt er een einde aan een juridische strijd die al sinds 2021 speelt.

medische hulpmiddelen

De zaak begon toen een particulier de ACM verzocht om handhavend op te treden tegen PostNL. Hij of zij stelde dat aangetekende poststukken, waaronder medische hulpmiddelen, structureel niet correct werden bezorgd. De klachten omvatten onder meer onbeheerd achtergelaten post, onrechtmatig zetten van handtekeningen door bezorgers en afleveringen bij buren zonder toestemming.

De klager betoogde dat dit tot ernstige gevolgen leidde, omdat een gezinslid afhankelijk is van medische hulpmiddelen die per post worden verzonden. Hij benadrukte dat hij als verzender van aangetekende stukken bovendien financieel werd geraakt wanneer zendingen niet correct aankwamen. De klachten waren volgens hem structureel en niet incidenteel, wat hij onderbouwde met stukken en correspondentie met PostNL.

eerdere uitspraak 

In eerste instantie oordeelde de rechtbank Rotterdam dat de klager wel als belanghebbende kon worden beschouwd. De rechtbank vond dat hij door de bezorgproblemen persoonlijk werd geraakt in zijn belangen. Dit gold zowel voor zijn rol als ontvanger van medische hulpmiddelen als voor zijn rol als verzender van aangetekende stukken, waaronder proefschriften. De rechtbank droeg de ACM vervolgens op om het handhavingsverzoek van de klager opnieuw te beoordelen.

De ACM legde PostNL daarop een last onder dwangsom op. PostNL werd verplicht om de kwaliteit van aangetekende zendingen te verbeteren en te voldoen aan een norm van 99% correcte bezorging vanaf maart 2024. Voor iedere dag dat PostNL niet aan deze norm voldeed, zou een dwangsom van 50.000 euro volgen, met een maximum van 1 miljoen euro.

Levering zorgproducten PostNL aan huis

In hoger beroep werd het oordeel van de rechtbank echter vernietigd. Het CBb oordeelde dat de klager geen belanghebbende is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Een belanghebbende moet een persoonlijk, actueel en voldoende onderscheidend belang hebben. Het feit dat het hier ging om medische hulpmiddelen gaf de klager volgens het CBb geen onderscheidend belang ten opzichte van andere ontvangers van aangetekende post.

Het CBb overwoog daarbij dat aangetekende poststukken per definitie waardevol of belangrijk zijn, wat ook de reden is dat afzenders kiezen voor deze duurdere dienst. De problemen die de klager ervoer, hoe ernstig ook, maken zijn belang niet uniek of bijzonder ten opzichte van andere klanten van PostNL.

Daarnaast stelde het CBb vast dat de meeste medische hulpmiddelen en zakelijke zendingen niet via de Universele Postdienst (UPD) werden verstuurd, maar als partijenpost. Partijenpost valt buiten de reikwijdte van de Postwet 2009 en kan daarom niet leiden tot handhaving door de ACM.

handhaving zonder grondslag

Een ander belangrijk onderdeel van de uitspraak betreft de bevoegdheid van de ACM om de bezorgkwaliteit van aangetekende UPD-post te handhaven. Het CBb stelde vast dat artikel 16, zesde lid, van de Postwet 2009 geen grondslag biedt voor het handhavend optreden van de ACM in deze zaak. Volgens het CBb bevat de Postwet weliswaar een algemene kwaliteitsnorm, maar ontbreekt een concrete wettelijke norm waaraan aangetekende post moet voldoen. De ACM mag zelf geen kwaliteitseisen formuleren of operationaliseren, zoals het instellen van een ondergrens van 99% correcte bezorging. Dat zou via een algemene maatregel van bestuur (AMvB) moeten gebeuren, wat hier niet het geval was.

Met deze uitspraak komt de last onder dwangsom die de ACM aan PostNL had opgelegd te vervallen. Het CBb vernietigde bovendien alle eerdere besluiten van de ACM in deze zaak, inclusief het herstelbesluit van september 2022 en de nadere besluitvorming van mei 2023.

reactie PostNL en ACM

PostNL toonde zich tevreden met de uitspraak. Het bedrijf benadrukte dat het continu werkt aan de verbetering van de bezorgkwaliteit, maar dat incidentele fouten nooit volledig kunnen worden uitgesloten. De bezorging van aangetekende poststukken blijft volgens PostNL een intensief en zorgvuldig proces.

De ACM gaf aan kennis te nemen van de uitspraak en zich te beraden op mogelijke vervolgstappen. Hoewel de uitspraak duidelijk maakt dat er momenteel geen grondslag is voor handhaving, blijft de toezichthouder betrokken bij de naleving van de regels binnen de postsector.

Met deze uitspraak komt er een einde aan een juridische strijd die ruim drie jaar duurde. De klager, die in eerste instantie nog gelijk kreeg bij de rechtbank, zag zijn hoger beroep ongegrond verklaard en zijn bezwaren verworpen. De uitspraak van het CBb heeft grote gevolgen voor toezicht op de kwaliteit van de aangetekende UPD-post. Zolang er geen concrete wettelijke norm wordt vastgesteld, kan de ACM hier niet handhavend optreden.

Rechtbank: vervoersbedrijf Qbuzz mag miljoenenorder annuleren bij Ebusco

De rechtbank in Utrecht heeft bepaald dat vervoersbedrijf Qbuzz een bestelling van 45 elektrische bussen bij Ebusco mag annuleren, wat de toekomst van de Deurnese busfabrikant ernstig in gevaar brengt.

Ebusco had gehoopt via een kort geding Qbuzz te dwingen de bestelling af te nemen, maar de rechter oordeelde dat de bussenbouwer zich niet aan de afspraken heeft gehouden door de bussen niet op tijd te leveren. Dit nieuws kwam op een kritiek moment voor Ebusco, dat al kampt met ernstige financiële problemen en tegen de rand van een faillissement lijkt te balanceren.

Qbuzz had de bussen oorspronkelijk in maart van dit jaar moeten ontvangen, maar door verschillende vertragingen waren ze nog steeds niet geleverd. De rechter vond dat Qbuzz zich redelijk had opgesteld door eerder coulance te tonen, maar dat Ebusco onvoldoende kon bewijzen dat de bussen voor de uiterlijke leverdatum van 1 december alsnog geleverd zouden kunnen worden. Daardoor mocht Qbuzz de bestelling, die een waarde vertegenwoordigde van miljoenen euro’s, annuleren.

beslag

De annulering kwam maandag officieel naar buiten, toen Ebusco aan haar aandeelhouders bekendmaakte dat een klant een bestelling van 59 bussen had geannuleerd. Het bleek om Qbuzz te gaan, dat al eerder beslag had laten leggen op bankrekeningen van Ebusco. Dit beslag was een gevolg van een niet-betaalde schadevergoeding van 1,2 miljoen euro, die was toegekend vanwege de eerdere vertragingen in de levering. Ebusco stapte naar de rechter om de annulering en het beslag op de bankrekeningen ongedaan te maken, maar kreeg nul op het rekest. De rechter oordeelde dat het beslag op de bankrekeningen gerechtvaardigd was en dat Qbuzz rechtmatig handelde door de bestelling te annuleren.

Het verlies van deze grote order is een enorme klap voor Ebusco, dat de afgelopen maanden al met diverse problemen te maken had. Onder andere Connect Bus en Keolis hadden eerder al hun bestellingen bij het bedrijf geannuleerd vanwege niet nagekomen leveringen. Het feit dat Qbuzz nu ook is afgehaakt, zet de toekomst van het bedrijf verder op losse schroeven. Tijdens het kort geding gaf de advocaat van Ebusco aan dat het bedrijf op dit moment niet in staat is om salarissen uit te betalen, mede door het beslag op de bankrekeningen.

De Deurnese fabrikant van elektrische bussen, Ebusco, kampt met zware verliezen als gevolg van aanhoudende problemen in de productie. Een groot deel van deze problemen is ontstaan door een stagnerende aanvoer van onderdelen, een nasleep van de wereldwijde verstoringen die volgden op de coronapandemie. Hierdoor kan het bedrijf veel minder bussen leveren dan gepland, wat een ernstige impact heeft op zowel de bedrijfsvoering als het vertrouwen van klanten.
Dit productieprobleem heeft geleid tot het verlies van meerdere grote orders. Zo hebben zowel Connect Bus als Keolis hun contracten voor tientallen bussen met Ebusco geannuleerd. Voor Connect Bus betrof het een order waarvan Ebusco zegt dat 47 bussen al in een vergevorderd stadium van productie verkeren. Het bedrijf is momenteel in gesprek met verschillende andere partijen om te kijken of deze bussen alsnog verkocht kunnen worden. Ondertussen is er met Keolis een definitieve overeenkomst bereikt over het stopzetten van een order van 50 bussen.

Ebusco worstelt al langer met de productie van haar bussen. Het bedrijf gaf aan dat 45 van de 59 bestelde bussen inmiddels waren geproduceerd en dat er 30 klaarstonden voor levering. Desondanks heeft Ebusco te maken met ernstige vertragingen door een tekort aan personeel en problemen met de levering van onderdelen. Deze logistieke problemen hebben de productie van de bussen ernstig vertraagd, waardoor klanten steeds langer moeten wachten op hun bestellingen.

aandeelhouders

De situatie van Ebusco is nu zo ernstig dat de aandeelhouders zich ernstig zorgen maken over de financiële toekomst van het bedrijf. Vandaag zullen aandeelhouders tijdens een bijeenkomst worden geïnformeerd over de stand van zaken, waarna er gestemd zal worden over een plan om nog eens 36 miljoen euro op te halen via de uitgifte van nieuwe aandelen. Eind vorig jaar hadden aandeelhouders al ongeveer 60 miljoen euro extra geïnvesteerd om het bedrijf overeind te houden, maar het is nog onduidelijk of ze opnieuw bereid zijn om extra kapitaal in te brengen. Vooralsnog heeft geen enkele grote aandeelhouder publiekelijk aangegeven akkoord te gaan met het plan om nieuwe aandelen uit te geven.

Het verlies van Qbuzz als klant betekent niet alleen een financiële aderlating voor Ebusco, maar ook een forse deuk in het vertrouwen van andere potentiële klanten. Het vertrouwen in de levering van Ebusco-bussen lijkt flink te zijn beschadigd. De advocaat van Qbuzz gaf in de rechtszaal aan dat het vervoersbedrijf het vertrouwen in Ebusco volledig was verloren, wat de annulering van de bestelling onvermijdelijk maakte. De vraag is nu of andere vervoersbedrijven in de toekomst nog wel zaken willen doen met Ebusco, zeker gezien de financiële onzekerheden die het bedrijf momenteel omringen.

toekomst

De toekomst van Ebusco lijkt dus meer dan ooit op het spel te staan. Mocht het niet lukken om nieuwe investeringen aan te trekken, dan zou dit wel eens het begin van het einde kunnen betekenen voor de Nederlandse bussenbouwer. Of de aandeelhouders morgen bereid zullen zijn om opnieuw de portemonnee te trekken, zal veel zeggen over de levensvatbaarheid van Ebusco in de komende maanden.

Rechtbank: ACM hoeft niet in te grijpen bij klachten over postbezorging door PostNL

De rechtbank in Rotterdam heeft uitspraak gedaan in een zaak die draaide om de vraag of de Autoriteit Consument & Markt (ACM) handhavend zou moeten optreden tegen PostNL voor het niet bezorgen van niet-aangetekende post.

De eiser had verzocht om ingrijpen van de ACM, omdat hij van mening was dat PostNL in gebreke bleef bij het leveren van poststukken. De rechtbank oordeelde echter dat de ACM niet bevoegd is om in dit geval handhavend op te treden. Dit komt omdat de wet de ACM niet de mogelijkheid biedt om zelfstandig nieuwe kwaliteitseisen op te stellen naast de al bestaande regels uit het Postbesluit 2009.

De zaak vond plaats op 13 september 2024, onder zaaknummer ROT 23/7398, en werd behandeld door de enkelvoudige kamer van de rechtbank Rotterdam. De eiser, wiens naam niet openbaar is gemaakt, was persoonlijk aanwezig bij de rechtszitting. Namens de ACM verschenen de advocaten mr. T. Sahabi en mr. S.A. van der Does, terwijl PostNL vertegenwoordigd werd door mr. D.P. Kuipers en andere juridische vertegenwoordigers.

niet bezorgen

De aanleiding voor deze zaak ligt in een eerder verzoek van de eiser waarin hij de ACM verzocht om PostNL aan te pakken vanwege het niet bezorgen van aangetekende post. De ACM had dat verzoek aanvankelijk afgewezen, maar de rechtbank oordeelde op 20 juni 2022 dat de eiser een persoonlijk belang had in de zaak. Zijn gezinslid was afhankelijk van medische hulpmiddelen, wat de zaak voor hem urgenter maakte dan voor een willekeurige ontvanger van aangetekende post. Na deze uitspraak kreeg de ACM de opdracht om het besluit te herzien. Desondanks oordeelde de ACM in een later besluit dat de Postwet en het Postbesluit 2009 geen specifieke eisen stellen aan de afhandeling van aangetekende post en dat er geen overtreding was begaan.

In de huidige zaak ging het niet om aangetekende, maar om niet-aangetekende post. De eiser beweerde dat PostNL ook hierbij niet voldeed aan de kwaliteitseisen van artikel 5 van het Postbesluit 2009, dat gaat over de universele postdienst (UPD). De rechtbank oordeelde echter dat de ACM niet bevoegd is om de naleving van de algemene voorwaarden van PostNL af te dwingen, zelfs als deze niet volledig in overeenstemming zijn met artikel 5. De rechtbank wees ook de stelling van de eiser af dat elke klacht na 2 september 2022 een nieuwe aanvraag om handhaving zou zijn.

De ACM stelde dat de door de eiser aangedragen voorbeelden van verkeerd bezorgde post onvoldoende waren om te concluderen dat er sprake was van een structurele overtreding door PostNL. Volgens de rechtbank heeft de ACM gelijk met deze redenering, omdat de incidenten die de eiser aanhaalde – enkele verkeerd bezorgde poststukken – geen bewijs vormen van een breder probleem.

De rechtbank benadrukte daarnaast dat de ACM volgens de Postwet 2009 en het Postbesluit 2009 weliswaar toeziet op de naleving van de regels voor de UPD, maar dat zij niet zelf nieuwe normen mag opstellen. De regels zijn vastgelegd in wet- en regelgeving en de ACM kan alleen optreden als er een specifieke overtreding van die regels wordt vastgesteld.

De rechtbank oordeelde verder dat de ACM niet te laat had gereageerd op de aanvragen van de eiser en dat er dus geen dwangsom aan hem verschuldigd was. De rechtbank wees de overige argumenten van de eiser tegen het besluit van de ACM af en verklaarde het beroep ongegrond. Dit betekent dat de ACM geen verdere actie hoeft te ondernemen tegen PostNL voor de bezorgingsproblemen die de eiser heeft ondervonden.

Taxiorganisatie botst met minister over covid-subsidie

College van Beroep voor het bedrijfsleven wijst immateriële schadevergoeding af in subsidiezaak.

In september 2021 wees de minister de aanvraag van Rotterdam Taxi Service Vereniging voor de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) subsidie af. Het betrof financiële steun bedoeld om bedrijven te helpen die door de coronapandemie waren getroffen. Na bezwaar werd deze beslissing in februari 2022 gehandhaafd. Echter, in januari 2023, herzag de minister deze beslissing, trok de eerdere afwijzing in en kende alsnog een TVL-subsidie toe van € 35.591,65.

De taxiorganisatie vroeg vervolgens het CBB om een schadevergoeding wegens de geleden immateriële en materiële schade. Deze schade omvatte griffierechten, wettelijke rente, en compensatie voor emotionele en lichamelijke stress gerelateerd aan de oorspronkelijke afwijzing van de subsidie.

Het College besloot het beroep niet-ontvankelijk te verklaren, aangezien de minister al volledig tegemoet was gekomen aan het bezwaar van de ondernemer. De griffierechten moesten wel worden vergoed door de minister, aangezien de minister pas in beroep terugkwam van zijn besluit. De minister werd ook opgedragen de wettelijke rente van € 730,20 te betalen, overeenkomstig de regelgeving.

Echter, het verzoek om vergoeding voor immateriële schade werd afgewezen. De ondernemer stelde last te hebben gehad van stress, slapeloze nachten, en zelfs aangezichtsverlamming als gevolg van de afwijzing. Desondanks oordeelde het College dat er geen direct causaal verband kon worden aangetoond tussen de klachten en het afwijzingsbesluit. De minister werd daarom niet verplicht tot vergoeding van deze immateriële schade.