GoVolta heeft van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) een belangrijke formele stap gezet richting nieuwe internationale treinverbindingen vanuit Nederland. De toezichthouder heeft bepaald dat de spoorwegonderneming toegang moet krijgen tot de spoorweginfrastructuur voor verschillende nieuwe diensten richting onder meer Luxemburg, Straatsburg, Keulen en Parijs. Ook krijgt GoVolta toestemming voor binnenlands vervoer op eerder gemelde verbindingen richting Berlijn en Parijs.
economische evenwicht
Het besluit volgt op een verzoek van de Nederlandse Spoorwegen (NS), die de ACM had gevraagd een zogenoemde economisch evenwichtstoets uit te voeren. Met zo’n toets wordt onderzocht of nieuwe commerciële treindiensten zonder concessie het economische evenwicht van een bestaande spoorconcessie in gevaar brengen. In dit geval draaide het om de Hoofdrailnetconcessie voor de periode 2025-2033. De ACM concludeert dat daarvan geen sprake is.
GoVolta meldde de nieuwe plannen op 28 juli 2026 bij de toezichthouder. Een van de voorgenomen verbindingen loopt van Den Haag Centraal naar Luxemburg en Straatsburg en terug. Volgens de melding moet deze trein twee keer per dag gaan rijden. Daarnaast wil GoVolta van Den Haag Centraal naar Keulen rijden. Voor deze route gaat het om drie treinen per dag van maandag tot en met vrijdag.
‘oude lijn’
Ook tussen Amsterdam en Parijs liggen nieuwe plannen op tafel. GoVolta wil drie keer per dag vanaf Amsterdam Centraal over de hogesnelheidslijn naar de Franse hoofdstad rijden en vice versa. Daarnaast had het bedrijf al diensten van Amsterdam naar Berlijn en van Amsterdam naar Parijs via het reguliere spoor, door de ACM aangeduid als de ‘oude lijn’, gemeld. Voor die verbindingen heeft GoVolta nu ook binnenlands medegebruik aangemeld.
De plannen raken gedeeltelijk aan trajecten waarop NS al treinen exploiteert op basis van de Hoofdrailnetconcessie. Dat geldt zowel voor binnenlandse als internationale treinen. Bij de internationale verbindingen gaat het voor de concessie uitsluitend om het Nederlandse gedeelte van het traject.
NS stapte daarom op 26 augustus 2026 naar de ACM met het verzoek de economische gevolgen te onderzoeken. Daarbij wilde NS niet alleen dat naar de nieuwste plannen van GoVolta werd gekeken. De spoorvervoerder vroeg om een cumulatieve beoordeling, waarbij ook rekening zou worden gehouden met andere nationale en internationale treindiensten die eerder voor open toegang waren gemeld.
De ACM ging daar slechts gedeeltelijk in mee. Volgens de toezichthouder mogen voor de cumulatieve beoordeling binnen de huidige concessieperiode alleen diensten worden meegeteld die zijn gemeld nadat de Hoofdrailnetconcessie 2025-2033 was verleend. Eerdere meldingen vallen volgens de gebruikte methodiek buiten deze berekening.
Daardoor werden naast de nieuwe GoVolta-plannen onder meer eerder gemelde verbindingen Amsterdam-Brugge van GoVolta, Brussel-Milaan van European Sleeper en Den Haag/Amersfoort-Parijs van Arriva meegenomen. De precieze financiële gevolgen zijn in het openbare besluit niet zichtbaar. De bedragen en percentages in de tabel op pagina 5 zijn als vertrouwelijk aangemerkt.
Wel maakt de ACM duidelijk dat de door NS berekende afname van het interne rendement voor de nieuwe GoVolta-diensten onder 0,2 procentpunt blijft. De toezichthouder heeft daarbij niet vastgesteld of de schattingen van NS zelf juist zijn. Volgens de methodiek van de ACM geldt een afname onder die grens in de regel niet als een aanzienlijk negatief effect. Ook wanneer de relevante opentoegangsdiensten gezamenlijk worden bekeken, blijft de door NS geraamde afname volgens het besluit onder die grens.
voordelen voor reizigers
Daar komt volgens de ACM nog een ander aspect bij: de voordelen voor reizigers. De toezichthouder wijst erop dat de nieuwe GoVolta-verbindingen hoofdzakelijk internationale diensten zijn die verbindingen bieden die momenteel niet als concessiedienst worden aangeboden. Daardoor ontstaat volgens de ACM nieuw vervoer en worden extra passagierskilometers gemaakt.
De toezichthouder schrijft dat deze voordelen relatief groot zijn ten opzichte van het verlies aan passagierskilometers bij treinen die onder de Hoofdrailnetconcessie vallen. Het meewegen daarvan verkleint volgens de ACM het risico voor het economische evenwicht verder. De toezichthouder merkt zelfs op dat een geraamde rendementsimpact van meer dan 0,2 procentpunt daardoor niet automatisch zou betekenen dat het economische evenwicht van de concessie in gevaar komt.
De eindconclusie van het op 9 september 2026 gedateerde besluit is dan ook duidelijk. Het economische evenwicht van de Hoofdrailnetconcessie 2025-2033 komt volgens de ACM niet in gevaar door de diensten die GoVolta op 28 juli heeft gemeld. De toezichthouder bepaalt daarom dat toegang tot de spoorweginfrastructuur moet worden verleend voor Den Haag-Luxemburg/Straatsburg, Den Haag-Keulen en Amsterdam-Parijs via de HSL. Hetzelfde geldt voor het binnenlandse vervoer op de gemelde treinen Amsterdam-Berlijn en Amsterdam-Parijs via het reguliere spoor.
Daarmee staat echter nog niet vast dat reizigers deze treinen daadwerkelijk op het spoor zullen zien. De ACM benadrukt uitdrukkelijk dat het besluit geen oordeel bevat over de verdeling van de beschikbare infrastructuurcapaciteit. Het besluit gaat uitsluitend over de vraag of GoVolta vanuit het oogpunt van het economische evenwicht toegang tot het spoor moet krijgen. Voor het daadwerkelijk rijden van de treinen moet vervolgens capaciteit op het spoor beschikbaar zijn.

