Bedrijfsleven waarschuwt digitale software maakt je nog geen platform, KNV, CBL en RND willen veel scherpere grens tussen gewone bedrijven en digitale arbeidsplatforms.
De komst van de Wet platformwerk zorgt voor stevige zorgen bij uiteenlopende Nederlandse sectoren. Vervoersbedrijven, grote retailers en organisaties die zelfstandigen via digitale infrastructuren bij opdrachtgevers brengen, onderschrijven het doel om kwetsbare platformwerkers beter te beschermen. Tegelijkertijd waarschuwen zij dat de voorgestelde regels zo ruim kunnen worden uitgelegd dat ook reguliere ondernemingen die gebruikmaken van moderne software plotseling als digitaal arbeidsplatform kunnen worden beschouwd.
Het wetsvoorstel vloeit voort uit de Europese Richtlijn Platformwerk en moet de arbeidsomstandigheden en bescherming van persoonsgegevens van platformwerkers verbeteren. Daarbij draait het onder meer om het makkelijker vaststellen van de juiste arbeidsrelatie, bescherming tegen ondoorzichtige algoritmische besluitvorming en meer menselijk toezicht. Nederland neemt de Europese richtlijn zo nauwkeurig mogelijk over, maar op verschillende punten moet de wetgever zelf keuzes maken.
onduidelijkheid
Juist bij die Nederlandse uitwerking klinken waarschuwingen. Koninklijk Nederlands Vervoer (KNV), de ondernemersorganisatie voor het beroepspersonenvervoer, vreest vooral onduidelijkheid over welke bedrijven straks precies onder de wet vallen. De organisatie vertegenwoordigt via KNV Zorgvervoer en Taxi en Busvervoer Nederland een sector waarin wekelijks 22.000 werknemers en 9.000 zelfstandigen ongeveer een miljoen mensen vervoeren. Zo’n 75 procent van alle taxidiensten in Nederland bestaat volgens KNV uit zorgvervoer.
KNV benadrukt het belang van bescherming van platformwerkers én klanten, maar vindt dat de voorgestelde wet te veel ruimte voor interpretatie laat. „KNV neemt daarom stelling voor een betere en nauwere omschrijving van de reikwijdte van de wet”, schrijft de organisatie.
digitaal arbeidsplatform
Vooral de definitie van een digitaal arbeidsplatform vormt volgens KNV een probleem. Een vervoersbedrijf kan ritten digitaal binnenkrijgen en tegelijkertijd software gebruiken om de bedrijfsvoering te ondersteunen. Dat betekent volgens de organisatie nog niet dat zo’n onderneming een digitaal arbeidsplatform is. „De kern van de aanvraag van een rit is dat men van A naar B wordt vervoerd, niet dat er arbeid wordt georganiseerd”, stelt KNV. De brancheorganisatie vergelijkt dat met het kopen van een vliegticket, aanvragen van een chartervliegtuig of boeken van een touringcar.
Ook het criterium rond geautomatiseerde monitoring roept vragen op. Een GPS-tracker zou volgens KNV niet automatisch mogen betekenen dat een bedrijf aan dat criterium voldoet. Moderne auto’s beschikken immers vaak over GPS, bijvoorbeeld om een gestolen voertuig terug te vinden. Taxi’s hebben daarnaast een boordcomputer en zware voertuigen een tachograaf. Dergelijke systemen zijn deels noodzakelijk vanwege wettelijke verplichtingen en zouden volgens KNV niet zonder meer als bewijs van algoritmisch toezicht op werknemers moeten gelden.
De brancheorganisatie heeft bovendien bedenkingen bij het rechtsvermoeden van werknemerschap. Wanneer aan twee van vijf criteria wordt voldaan, kan volgens het voorstel een rechtsvermoeden ontstaan dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. KNV verwacht dat dit bij zelfstandige taxichauffeurs tot onnodige rechtszaken kan leiden. Chauffeurs kunnen immers ondernemersrisico dragen, een eigen voertuig hebben en naast aangeboden ritten eigen klanten bedienen. KNV wil daarom dat het rechtsvermoeden pas ontstaat wanneer aan drie van de vijf criteria wordt voldaan.
De zorgen beperken zich niet tot de vervoerswereld. Ook het Centraal Bureau Levensmiddelen (CBL) en de Raad Nederlandse Detailhandel (RND), die gezamenlijk grootwinkelbedrijven in food en non-food vertegenwoordigen, waarschuwen voor onbedoelde gevolgen. In de detailhandel werken volgens de organisaties bijna een miljoen mensen.
CBL en RND onderschrijven „ten volle” het doel om de positie en arbeidsvoorwaarden van kwetsbare platformwerkers te versterken. De vrees is echter dat gewone winkels, supermarktketens, distributiecentra en bezorgdiensten door hun vergaande digitalisering eveneens binnen de wet terechtkomen. Moderne retailers gebruiken software voor onder meer personeelsplanning, routeoptimalisatie, digitale urenregistratie en logistieke processen. Dat zijn volgens CBL en RND hulpmiddelen voor de bedrijfsvoering en geen bewijs dat een retailer een digitaal arbeidsplatform is.
personeelsroosters
Bij personeelsroosters speelt volgens de organisaties bovendien doorgaans nog altijd een mens een doorslaggevende rol. Een systeem kan een rooster genereren, maar een storemanager moet vervolgens handelingen verrichten voordat dat rooster definitief wordt. CBL en RND willen daarom dat duidelijk wordt vastgelegd dat ondersteunende HR- en roostertools met substantiële menselijke tussenkomst niet als algoritmisch beheer worden behandeld.
Dezelfde discussie speelt bij distributiecentra. Daar kunnen geavanceerde systemen automatisch ritten plannen, taken verdelen en operationele prestaties meten. CBL en RND benadrukken echter dat logistieke en bezorgactiviteiten van retailers rechtstreeks verbonden zijn met de verkoop van fysieke goederen. Zij willen daarom wettelijk vastleggen dat dergelijke logistiek als een „louter bijkomstig onderdeel” van de bedrijfsvoering kan worden beschouwd.
consultatiereactie
Ook willen de organisaties onderscheid tussen toezicht op een logistiek proces en toezicht op een individuele werknemer. Zij stellen letterlijk voor: „Bij de beoordeling of er sprake is van aanwijzingen van zeggenschap en leiding, worden digitale systemen die uitsluitend gericht zijn op de technische en logistieke optimalisatie van het bedrijfsproces (zoals routeplanning, diefstalsignalering of fraudepreventie) buiten beschouwing gelaten, mits deze niet primair tot doel hebben de individuele arbeidsvoorwaarden, de tarieven of de persoonlijke prestaties van de werkende te reguleren.”
Vanuit een andere hoek komt een vergelijkbare oproep van Vereniging ZWiZ, platform Vocazzp en compliancetool ZZP Ja/Nee. Zij presenteren in hun consultatiereactie het zogenoemde Dutch Compliance Platform Model. Vocazzp is sinds 2021 actief en telt volgens de indieners ruim 2.000 aangesloten zelfstandigen en ongeveer honderd opdrachtgevers in onder meer zorg, onderwijs, kinderopvang, mondzorg, bouw en ICT.
Hun uitgangspunt is dat niet iedere digitale omgeving waarin opdrachtgevers en zelfstandigen elkaar vinden automatisch een arbeidsplatform moet zijn. Bij Vocazzp zouden opdrachtgevers en zelfstandigen rechtstreeks afspraken maken. Het platform bepaalt volgens de indieners geen tarieven, deelt geen opdrachten automatisch toe, legt geen sancties op wanneer een opdracht wordt geweigerd en stelt geen bindende regels over de uitvoering van het werk.
overeenkomst
De organisaties vragen nadrukkelijk niet om een algemene vrijstelling van het arbeidsrecht. „Waar de feiten op werknemerschap wijzen, moet die bescherming volgen, ook binnen het DCPM”, schrijven zij. Ook stellen zij: „Een compliance-platform is geen methode om werknemerschap weg te contracteren en geen garantie dat elke opdracht juridisch als overeenkomst van opdracht kwalificeert.”
Wel willen zij dat onderscheid wordt gemaakt tussen platforms die arbeid daadwerkelijk organiseren en digitale infrastructuren die voornamelijk matching, contractering en verantwoording mogelijk maken. Daarvoor stellen zij zelfs een concrete toevoeging aan de wet voor: „Als digitaal arbeidsplatform in de zin van deze wet wordt niet aangemerkt een digitale infrastructuur die uitsluitend of in hoofdzaak matching tussen opdrachtgever en zelfstandige, en ondersteuning bij het contracteren, uitvoering of verantwoording van hun samenwerking faciliteert, mits geen sprake is van toewijzing, aansturing, tariefbepaling of geautomatiseerde beoordeling van de arbeid of de arbeidsprestatie.”
Ondanks de verschillende achtergronden van de indieners tekent zich daarmee een duidelijke overeenkomst af. De vervoerssector, retail en de organisaties achter Vocazzp vrezen allemaal dat het gebruik van digitale technologie te snel kan leiden tot het etiket digitaal arbeidsplatform.
juridische kwalificatie
Daarbij gaat het niet alleen om de juridische kwalificatie. KNV waarschuwt voor extra administratieve lasten en vraagt zich onder meer af hoeveel nieuwe verplichtingen rond gegevensbescherming toevoegen aan bestaande regelgeving. Ook de verplichting voor een platform om platformwerkers de mogelijkheid te bieden privé met elkaar te communiceren roept vragen op. Volgens KNV bestaat het risico dat bedrijven daarvoor voorzieningen moeten optuigen terwijl werknemers of zelfstandigen uiteindelijk gewoon voor een eigen WhatsApp-groep kiezen.
CBL en RND vrezen op hun beurt „disproportionele regeldruk, hoge nalevingskosten en een rem op digitale innovatie binnen de fysieke retailsector”. Zij vragen behalve wetswijzigingen om een sectorspecifieke leidraad met duidelijke praktijkvoorbeelden. ZWiZ, Vocazzp en ZZP Ja/Nee wijzen eveneens op proportionaliteit, vooral voor kleine en middelgrote ondernemingen. Tegelijkertijd benadrukken zij dat bescherming overeind moet blijven wanneer een platform feitelijk wél tarieven bepaalt, opdrachten toewijst, prestaties beoordeelt of toegang tot werk beïnvloedt.
Daarmee komt tijdens de consultatie een fundamentele vraag boven tafel. Niet óf platformwerkers beter beschermd moeten worden, maar waar straks precies de grens wordt getrokken tussen een digitaal arbeidsplatform en een regulier bedrijf dat simpelweg steeds digitaler werkt. Juist die grens willen de reagerende organisaties veel scherper terugzien voordat de Wet platformwerk definitief wordt.


