Lokale boeren bieden onverwachte redding voor Caribisch voedselprobleem, vooral eieren en groenten bieden perspectief voor toekomst.
De voedselvoorziening op de Caribische eilanden van het Koninkrijk staat onder druk door een grote afhankelijkheid van import. Dat blijkt uit een uitgebreide nulmeting naar lokale voedselproductie op Aruba, Bonaire, Curaçao, Saba, Sint Eustatius en Sint Maarten. Tegelijkertijd laat het rapport zien dat lokale productie, hoewel nog beperkt, wel degelijk een rol speelt en zelfs in sommige sectoren verrassend groot is.
De studie, uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, schetst een helder maar ook kwetsbaar beeld. De eilanden zijn door hun ligging, beperkte ruimte en klimaat sterk aangewezen op internationale handelsstromen. “Import vormt daarbij het logische fundament van de voorziening”, zo staat in de samenvatting van het rapport. Tegelijkertijd wordt benadrukt dat lokale productie een steeds belangrijkere aanvulling vormt, vooral als het gaat om stabiliteit en beschikbaarheid van voedsel.
grote verschillen
De mate waarin eilanden zichzelf kunnen voorzien van voedsel loopt sterk uiteen. Zo is Sint Maarten met slechts 0,72 procent vrijwel volledig afhankelijk van import, terwijl Sint Eustatius met 13,88 procent nog het meest zelfvoorzienend is. Curaçao en Bonaire zitten daar tussenin met respectievelijk 8,78 en 8,25 procent. Aruba blijft steken op 6,57 procent en Saba op 4,62 procent.
Deze cijfers laten zien dat volledige onafhankelijkheid van import voorlopig niet realistisch is. Toch nuanceert het rapport het beeld dat lokale productie nauwelijks iets voorstelt. Voor bepaalde productgroepen blijkt de bijdrage namelijk aanzienlijk hoger te liggen.
🎧 Pitane Blue Nieuwsradio
Vooral de productie van eieren valt op. Meer dan de helft van de vraag, namelijk 52,32 procent, wordt lokaal geproduceerd. Ook groenten en vis laten met ongeveer 13 procent een bescheiden maar betekenisvolle bijdrage zien. Fruit, vlees en zuivel blijven daarentegen sterk achter met respectievelijk 1,48 procent, 1,39 procent en zelfs slechts 0,26 procent.
Volgens het rapport heeft dat te maken met de fysieke beperkingen van de eilanden. Voor producten als zuivel en vlees zijn de omstandigheden simpelweg minder geschikt, waardoor opschaling moeilijk is. Voor groenten, fruit en eieren liggen er daarentegen meer kansen.
Een ander opvallend punt is hoe kwetsbaar de voedselvoorziening in de praktijk is. De eilanden beschikken gemiddeld over slechts 3,4 dagen voorraad als alleen naar import wordt gekeken. Lokale productie voegt daar gemiddeld één dag aan toe, en kan in sommige gevallen zelfs zorgen voor een verdubbeling van de beschikbare buffer. Dat betekent dat verstoringen in de aanvoer, bijvoorbeeld door logistieke problemen of internationale crises, snel gevolgen kunnen hebben. Juist daarom wordt lokale productie gezien als een belangrijke factor voor meer veerkracht.
informele productie
De onderzoekers benadrukken dat de cijfers met enige voorzichtigheid moeten worden geïnterpreteerd. Niet alle productie is namelijk goed geregistreerd. Vooral kleinschalige en informele productie, zoals eigen moestuinen of kleinschalige visserij, blijft grotendeels buiten beeld. Toch is het aannemelijk dat deze vormen van productie wel degelijk bijdragen aan de voedselvoorziening. Om toch een betrouwbaar beeld te krijgen, is gebruikgemaakt van een rekenmethode op basis van beschikbare gegevens en referentiewaarden. Daarmee ontstaat een consistent, maar indicatief overzicht van de situatie.
De conclusie van het rapport is duidelijk: volledig zelfvoorzienend worden is geen realistisch doel voor de eilanden. De focus moet liggen op slimme versterking van sectoren waar groei wél mogelijk is. Daarbij spelen niet alleen productie, maar ook factoren als landgebruik, water en energie een grote rol. Lokale voedselproductie vraagt namelijk om schaarse middelen. Meer produceren betekent automatisch meer druk op land, water en energie. Dat maakt het noodzakelijk om keuzes te maken in wat lokaal wordt geproduceerd en hoe dat gebeurt. De nulmeting vormt daarmee een startpunt voor toekomstig beleid. Door de cijfers periodiek te herhalen, kunnen ontwikkelingen worden gevolgd en kan beter worden ingespeeld op kansen en risico’s.


and then