Zonder vrijwilligers zouden bestuurders, conducteurs, restaurateurs, technici en planners als betaalde krachten moeten worden begroot.
Wie op de Dam tussen de drukte van toeristen, taxi’s en winkelend publiek een historische tram ziet verschijnen, kijkt niet naar een gewone Amsterdamse tramlijn. Lijn 20 is een rijdend stuk erfgoed dat bezoekers meeneemt voor een rondrit door het centrum van de hoofdstad. Achter die nostalgische rit van ongeveer een halfuur gaat een bijzondere organisatie schuil. De trams worden namelijk volledig door vrijwilligers bemand en de inkomsten uit de kaartjes zijn belangrijk voor het behoud van het historische materieel.
Lijn 20 moet dan ook niet worden verward met een reguliere GVB-lijn of een hop-on-hop-offtram. Passagiers vertrekken vanaf de Dam, blijven gedurende de hele tocht aan boord en worden uiteindelijk weer op de Dam afgezet. Onderweg uitstappen om later een andere tram te nemen is niet mogelijk. Voor een volwassene kost de rondrit 10 euro. Kinderen van 4 tot en met 11 jaar betalen 5 euro en kinderen tot 4 jaar mogen gratis mee. Ook voor een hond of kat die niet op schoot wordt gehouden, wordt 5 euro gerekend. Kleine huisdieren die wel op schoot kunnen blijven, reizen gratis mee.
elektrische museumtramlijn
De historische wortels van de organisatie gaan veel verder terug dan de huidige toeristische rondrit. Vanaf 1915 vertrokken vanaf het huidige Haarlemmermeerstation stoomtreinen over de spoorlijn van de Hollandsche Electrische-Spoorweg-Maatschappij. Het reizigersvervoer kwam in 1950 ten einde, waarna in 1972 ook het goederenvervoer stopte. Vervolgens ontstond het idee om een gedeelte van de oude spoorlijn te behouden als elektrische museumtramlijn.
Dat resulteerde in 1975 in de eerste ritten met museumtrams vanaf het Haarlemmermeerstation. De museumlijn werd later uitgebreid richting Amstelveen en uiteindelijk Bovenkerk. Bij de start was er sprake van gemeentelijke steun. Rond de opening in 1975 werd een eenmalige gemeentelijke bijdrage verstrekt, mede vanwege het 700-jarig bestaan van Amsterdam en het 75-jarig bestaan van de gemeentetram. Het GVB betaalde en realiseerde bovendien de eerste bovenleiding.
De stadsrondrit die tegenwoordig als lijn 20 bekendstaat, kwam pas veel later. Het nummer 20 werd vanaf ongeveer 2011 administratief gebruikt om stadsritten te onderscheiden van de ritten van museumlijn 30. De rondrit met de Dam als vast vertrekpunt wordt vanaf ongeveer 2018 in de huidige vorm beschreven. Op de historische trams kan overigens een ander lijnnummer zichtbaar zijn. De voertuigen dragen soms het authentieke nummer dat bij hun historische uitvoering hoort.
Daarmee is deze lijn 20 ook geen voortzetting van de vroegere reguliere Amsterdamse tramlijn 20. Amsterdam kende tussen 1922 en 1932 al een gewone tramlijn met dat nummer en later werd het nummer opnieuw voor andere GVB-diensten gebruikt. De huidige 20 is vooral de organisatorische aanduiding voor de historische rondrit.
ANBI-organisaties
Achter de trams staan drie nauw verbonden culturele ANBI-organisaties. Stichting Electrische Museumtramlijn Amsterdam houdt zich bezig met het beheer van de spoorlijn en de exploitatie van museumritten en bijzondere ritten. Vereniging Rijdend Electrisch Tram Museum verenigt onder meer vrijwilligers, vrienden en donateurs. Stichting Beheer Collectie Amsterdams Vervoer Museum richt zich op het beheer en behoud van de historische tramcollectie.
Vrijwilligers vormen daarbij de motor van het geheel. De organisatie omschrijft zichzelf als “100% vrijwilligersgedreven”. Dat betekent veel meer dan alleen een vrijwilliger achter de bedieningshendel van de tram of een conducteur die kaartjes verkoopt. Mensen werken als rangeerder, restaurateur en technisch monteur, onderhouden voertuigen, spoor en bovenleiding en verrichten groen- en baanonderhoud. Daarnaast zijn er vrijwilligers actief in de tramwinkel, administratie, planning, opleidingen en het bestuur.
Bestuurders, conducteurs en rangeerders worden intern opgeleid en geïnstrueerd voordat zij zelfstandig aan het werk mogen. Juist die vrijwillige inzet is financieel van groot belang. Wanneer bestuurders, conducteurs, technici, restaurateurs en planners allemaal als betaalde werknemers op de loonlijst zouden staan, zou het financiële plaatje er totaal anders uitzien. De kosten die daadwerkelijk in een boekhouding verschijnen, vertellen daardoor niet het volledige verhaal over wat het werkelijk kost om de historische trams rijdend te houden.
Wie bij het woord vrijwilligersorganisatie vooral denkt aan een groep oudere tramliefhebbers die hun vrije tijd besteden aan het koesteren van herinneringen uit het verleden, heeft het mis. Tijdens gesprekken met de conducteurs aan boord wordt duidelijk dat juist steeds meer jongeren zich bij de historische tram aansluiten. De aanwas van een nieuwe generatie vrijwilligers groeit en daarmee lijkt ook de toekomst van de nostalgische rit door Amsterdam verzekerd.
De financiering bestaat uit verschillende bronnen. Kaartverkoop voor lijn 20 en museumlijn 30 levert rechtstreeks geld op, maar daarnaast worden historische trams verhuurd voor besloten ritten, groepen, huwelijken, evenementen en film- en andere producties. Donaties, periodieke giften en bijdragen van vrienden en donateurs vormen eveneens een inkomstenbron. Voor omvangrijke aankopen en restauratieprojecten kan crowdfunding of afzonderlijke fondsenwerving noodzakelijk zijn.
permanente huisvesting
De organisatie stelt daarbij geen structurele subsidie voor de normale exploitatie te ontvangen. Dat betekent echter niet dat de overheid volledig buiten beeld blijft. De gemeente Amsterdam is rond de ontwikkeling van het Havenstraatterrein betrokken bij permanente huisvesting voor de historische trams, waaronder een nieuwe tramloods en de daarbij behorende infrastructuur.
De ritten en het dagelijkse onderhoud moeten vooral worden gedragen door eigen inkomsten, vrijwilligers en particuliere steun; voor grote infrastructurele en huisvestingsvraagstukken bestaat daarnaast samenwerking met de gemeente en andere publieke partijen. Voor passagiers begint het avontuur ondertussen gewoon midden in Amsterdam. De tram vertrekt vanaf de Dam, nabij huisnummer 4, tussen de Nieuwendijk en de Nieuwe Kerk. Een reservering voor de reguliere rondritten is niet noodzakelijk en kaartjes worden bij de tram verkocht. Betalen kan volgens de beschikbare informatie contant, met een betaalkaart of contactloos.
mooie route
Daarna trekt het historische voertuig door een groot gedeelte van de binnenstad. Vanaf de Dam gaat de tocht langs de Nieuwezijds Voorburgwal en Magna Plaza, waarna onder meer de Raadhuisstraat, Westermarkt, Westerkerk en het Anne Frank Huis worden gepasseerd. Vervolgens gaat het via de Rozengracht en Marnixstraat richting Leidseplein.
Ook de Weteringschans en het Rijksmuseum liggen langs de route. Daarna volgen onder meer het Frederiksplein, de Hoge Sluis, Koninklijk Theater Carré en het Amstel Hotel. Via de Plantage en Artis gaat de tram verder richting Waterlooplein en Stopera, waarna ook het Rembrandtplein, Muntplein en Rokin worden aangedaan voordat de tram terugkeert naar de Dam. De exacte route kan door werkzaamheden, evenementen, verkeersmaatregelen en omleidingen veranderen. Amsterdam wordt door de organisatie niet voor niets een “levendige stad” genoemd.
De Museumtramlijn wordt gedragen door drie nauw met elkaar verbonden culturele ANBI-organisaties, die ieder een eigen verantwoordelijkheid hebben. Stichting Electrische Museumtramlijn Amsterdam (EMA) beheert de spoorlijn en verzorgt de exploitatie van de reguliere museumritten en bijzondere ritten. Vereniging Rijdend Electrisch Tram Museum (RETM) vormt de organisatie van vrijwilligers, vrienden, donateurs en andere ondersteuners die de Museumtramlijn mogelijk maken. Stichting Beheer Collectie Amsterdams Vervoer Museum (SBCAVM) draagt zorg voor het beheer en behoud van de historische collectie. Samen zorgen deze drie organisaties voor het behoud, de exploitatie en de toekomst van het rijdende Amsterdamse tramerfgoed.
Voor het seizoen 2026 staan ritten op zaterdagen en zondagen gepland, aangevuld met enkele extra rijdagen rond feestdagen en in december. Volgens de normale dienstregeling vertrekken de trams ongeveer ieder halfuur, vanaf circa 11.00 uur tot en met 17.00 uur. Voor de rondrit moet ongeveer 30 tot 35 minuten worden uitgetrokken.
tarieven
Wie met twee volwassenen instapt, is daarmee 20 euro kwijt. Een gezin met twee volwassenen en één kind tussen 4 en 11 jaar betaalt 25 euro. Met twee kinderen in die leeftijdscategorie wordt dat 30 euro. Een gezin met twee volwassenen, één kind tussen 4 en 11 jaar en een kind jonger dan 4 jaar betaalt eveneens 25 euro. Omgerekend kost de rit een volwassene bij een reisduur van 30 tot 35 minuten ongeveer 29 tot 33 cent per minuut.
Toch kan uit die toegangsprijs van 10 euro niet worden afgeleid wat een rondrit werkelijk kost. Een afzonderlijke en controleerbare kostprijs per rit of reiziger is niet beschikbaar. Bij zo’n berekening zouden niet alleen elektriciteit en dagelijks onderhoud moeten worden meegenomen, maar ook materialen, onderdelen, gereedschap, restauraties, groot onderhoud, huisvesting, technische installaties, organisatie en de economische waarde van alle vrijwilligersuren.
De gesprekken met de conducteurs maken vooral duidelijk dat het vrijwilligersbestand niet langzaam vergrijst zonder opvolging. Integendeel: de groeiende belangstelling onder jongeren geeft de organisatie nieuw perspectief. Zolang nieuwe generaties bereid blijven tijd en energie in de historische trams te steken, lijkt de kans groot dat reizigers ook de komende jaren op de Dam kunnen instappen voor een nostalgische rit door Amsterdam.
Daar zit precies de bijzondere constructie achter lijn 20. Het tientje dat een passagier betaalt, koopt niet alleen een nostalgisch tochtje langs bekende Amsterdamse plekken. De inkomsten dragen ook bij aan een veel groter geheel van onderhoud, restauratie, opleiding en behoud van historische voertuigen. De tram is daardoor tegelijkertijd toeristische attractie en een manier om mobiel erfgoed op de rails te houden.
De afhankelijkheid van vrijwilligers maakt dat mogelijk, maar zorgt tegelijkertijd voor kwetsbaarheid. Oude trams en historische infrastructuur vragen specialistisch en voortdurend onderhoud. Daar komt bij dat inkomsten uit kaartverkoop kunnen worden beïnvloed door het seizoen, het weer, het aantal toeristen, de beschikbaarheid van vrijwilligers en beperkingen op de route.
Toch blijven de oude trams rijden. Meer dan een halve eeuw nadat in 1975 de eerste museumtrams vertrokken, vormt lijn 20 inmiddels een opvallende verschijning midden tussen het moderne Amsterdamse verkeer. Voor 10 euro krijgen passagiers ongeveer een halfuur Amsterdam vanuit een historische tram voorgeschoteld. Achter die korte tocht zitten tientallen jaren geschiedenis en vooral de inzet van vrijwilligers die ervoor zorgen dat het Amsterdamse tramerfgoed niet uitsluitend achter museumdeuren te bewonderen is, maar nog altijd door de straten rijdt.

