Het leerlingenvervoer in het buitengewoon onderwijs staat voor een ingrijpende hervorming. De Vlaamse Regering wil vanaf het schooljaar 2028-2029 niet langer automatisch vertrekken van de klassieke schoolbus, maar veel meer kijken naar wat een individuele leerling daadwerkelijk nodig heeft. Naast collectief busvervoer komen daardoor ook kleinschalige oplossingen nadrukkelijker in beeld. De taxisector ziet daarin een belangrijke rol voor personenwagens en minibussen tot negen zitplaatsen.
De Vlaamse Regering keurde op 10 juli 2026, op voorstel van Vlaams minister van Onderwijs Zuhal Demir, een visienota goed waarin de nieuwe koers wordt vastgelegd. Het uitgangspunt is duidelijk: niet langer het vervoermiddel, maar de leerling moet centraal staan. De regering wil evolueren van een recht op leerlingenvervoer naar een recht op mobiliteitsondersteuning. Daarbij moet per leerling worden gezocht naar een veilige, haalbare en ontwikkelingsbevorderende manier om van en naar school te gaan.
goedgekeurde rechten
De cijfers maken duidelijk hoe groot de operatie is. Tijdens het schooljaar 2025-2026 waren er 55.519 leerlingen ingeschreven in het buitengewoon onderwijs. Voor 41.273 leerlingen, of 74 procent, was het recht op collectief vervoer geactiveerd. Daarnaast waren er 12.490 goedgekeurde rechten op individueel vervoer, goed voor 22 procent. Bij die laatste groep gaat het volgens de visienota om goedgekeurde rechten, wat niet automatisch betekent dat ze ook daadwerkelijk werden gebruikt.
Ook financieel weegt het huidige systeem zwaar. De gemiddelde jaarlijkse kostprijs van collectief busvervoer bedraagt ongeveer 4.700 euro per leerling. In 2025 liep de totale kost van het collectieve vervoer, inclusief busbegeleiding, op tot ruim 200 miljoen euro. Daarmee vertegenwoordigde het collectief busvervoer 98 procent van alle uitgaven voor leerlingenvervoer.
Tegelijkertijd blijkt uit de cijfers hoe divers de situatie van de leerlingen is. Zo woonden tijdens het schooljaar 2025-2026 maar liefst 8.052 leerlingen met recht op collectief vervoer op minder dan vier kilometer van hun school. Dat is 20 procent van de betrokken leerlingen. Voor 1.555 leerlingen lag de school zelfs op minder dan anderhalve kilometer afstand.
De Vlaamse Regering wil daarom af van een systeem waarbij collectief busvervoer vrijwel vanzelfsprekend de norm vormt. Voor iedere leerling die in het buitengewoon onderwijs zit of zich daar inschrijft, moet vanuit Onderwijs een mobiliteitsprofiel worden opgesteld. Objectieve criteria, beschikbare overheidsgegevens en kennis vanuit het beleidsdomein Welzijn moeten daarbij worden gecombineerd. Vervolgens moet de school samen met de leerling en de ouders bekijken welke vorm van ondersteuning het meest geschikt is.
kleinschalige vervoersoplossingen
Collectief busvervoer verdwijnt daarbij uitdrukkelijk niet. Voor leerlingen die daar baat bij hebben, blijft het bestaan. Maar daarnaast noemt de regering onder meer openbaar vervoer, fiets- en wandelpools, individuele begeleiding en kleinschalige vervoersoplossingen voor korte en snelle trajecten.
Juist bij dat laatste ziet de Belgische Federatie voor Taxi’s en Limousines, GTL, mogelijkheden. De organisatie benadrukt dat de discussie volgens haar niet moet worden herleid tot een keuze tussen bus of taxi. Voor grotere groepen en routes waarvoor collectief vervoer geschikt is, blijft de bus volgens GTL een logische oplossing. Maar wanneer een busrit grote omwegen veroorzaakt, zeer lang duurt of onvoldoende aansluit bij de situatie van een leerling, kan professioneel vervoer met een personenwagen of minibus tot maximaal negen zitplaatsen volgens de sector beter passen.
Voor GTL ligt de essentie uiteindelijk bij maatwerk. De organisatie verwelkomt dat Vlaanderen de leerling centraal wil zetten, maar wil dat daarbij alle professionele vervoersmogelijkheden serieus worden bekeken. De schoolbus blijft volgens de federatie essentieel, terwijl een taxi of minibus voor bepaalde leerlingen juist een kortere, kleinschaligere en beter aangepaste rit kan opleveren. De komende uitwerking zal moeten bepalen hoe groot die rol daadwerkelijk wordt.
Taxi- en andere professionele ondernemingen voor bezoldigd personenvervoer beschikken volgens GTL bovendien al over voertuigen, chauffeurs, ervaring met aangepast vervoer en kennis van individueel en kleinschalig vervoer. De federatie vraagt daarom dat deze bedrijven niet pas aan het einde van de hervorming worden ingeschakeld, maar als volwaardige partner bij de verdere uitwerking worden betrokken.
kleinschalig personenvervoer
Die oproep is gericht aan onder anderen ministers Zuhal Demir en Annick De Ridder. GTL wil dat de professionele sector van het kleinschalig bezoldigd personenvervoer een plaats krijgt in het participatietraject rond de hervorming. Dat traject wordt voorbereid door een projectteam onder coördinatie van het departement Onderwijs. Ook Mobiliteit, Welzijn, Binnenlands Bestuur, ouders, scholen, CLB’s, lokale besturen en andere relevante partners worden bij de verdere uitwerking betrokken.
Vanaf het schooljaar 2027-2028 moet bovendien meer ruimte ontstaan voor regionale oplossingen. Samenwerkingsverbanden kunnen dan projectsubsidies aanvragen om lokale mobiliteitsoplossingen te ontwikkelen. Daarbij kunnen onder meer begeleiding, opvang, betere opstapplaatsen en kleinschalige vervoersvormen aan bod komen. GTL vindt het belangrijk dat professionele vervoerders ook aan dergelijke projecten kunnen deelnemen.
negen zitplaatsen
Een ander gevoelig punt is volgens de taxisector het ontbreken van cijfers over het vervoer dat vandaag al met kleinere voertuigen wordt uitgevoerd. Terwijl de visienota uitgebreide gegevens bevat over collectief busvervoer en individueel vervoer door ouders of via het openbaar vervoer, ontbreekt volgens GTL een afzonderlijke vergelijkbare cijferreeks over professioneel leerlingenvervoer met voertuigen van maximaal negen zitplaatsen, bestuurder inbegrepen.
GTL vraagt de Vlaamse overheid daarom transparantie over onder meer het aantal leerlingen dat op deze manier wordt vervoerd, het aantal ritten en voertuigen, de betrokken ondernemingen, het aantal gereden kilometers, de reistijden, regionale verschillen en de kostprijs en financiering. Alleen met die gegevens kunnen volgens de federatie de verschillende vervoersvormen correct met elkaar worden vergeleken.
De grote omslag moet uiterlijk bij het begin van het schooljaar 2028-2029 werkelijkheid worden. Tot de nieuwe regelgeving van kracht is, blijft het bestaande systeem gelden en blijft De Lijn verantwoordelijk voor de organisatie. De Vlaamse Regering stelt bovendien dat tijdens deze overgangsperiode geen besparingsmaatregelen binnen het leerlingenvervoer worden doorgevoerd.


