Bijna kwart van Nederlandse bedrijven stelt investeringen uit of schrapt ze, blijkt uit cijfers van het CBS. Jarenlange kosten voor certificering en kwaliteitstoetsen staan tegenover een afwachtende taximarkt.
Nederlandse bedrijven houden steeds vaker de hand op de knip. Bijna een kwart van de ondernemingen heeft investeringen uitgesteld of volledig geschrapt. Vooral onzekerheid over regelgeving, financiële beperkingen en het economisch klimaat zorgen voor terughoudendheid. Ook binnen de taxibranche zijn de gevolgen merkbaar. Terwijl taxiondernemers wachten met de overstap naar de Centrale Database Taxivervoer (CDT), die per 1 januari 2028 verplicht wordt, hebben ICT-dienstverleners en softwareleveranciers al jarenlang fors geïnvesteerd om aan alle eisen te voldoen.
Uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt dat 24,2 procent van de Nederlandse bedrijven de afgelopen twaalf maanden geplande investeringen heeft uitgesteld, geschrapt of beide heeft gedaan. Tegelijkertijd ondervindt ruim 48 procent van de ondernemers belemmeringen wanneer zij willen investeren. De cijfers zijn afkomstig uit de Conjunctuurenquête Nederland van oktober 2026, die wordt uitgevoerd door het CBS in samenwerking met onder meer de Kamer van Koophandel, het Economisch Instituut voor de Bouw, MKB-Nederland en VNO-NCW.
Van alle ondervraagde ondernemingen heeft 14,1 procent investeringen voorlopig uitgesteld. Nog eens 2,5 procent besloot eerder geplande uitgaven volledig te schrappen. Daarnaast heeft 7,6 procent zowel investeringen uitgesteld als plannen laten vallen. Een op de tien bedrijven had helemaal geen investeringsplannen. De terughoudendheid is ook binnen de Nederlandse taxibranche voelbaar. Taxiondernemingen staan voor een belangrijke verandering door de invoering van de Centrale Database Taxivervoer (CDT). Vanaf 1 januari 2028 wordt het gebruik van dit nieuwe systeem verplicht, maar de overstap laat bij veel ondernemers nog op zich wachten.
intensief voorbereid
Dat uitstel heeft niet alleen gevolgen voor taxiondernemingen zelf, maar ook voor de leveranciers van de benodigde systemen en diensten. Deze bedrijven hebben zich de afgelopen jaren intensief voorbereid op de nieuwe regelgeving en daarvoor aanzienlijke investeringen gedaan. Zo is er geïnvesteerd in ISO-certificeringen, het aanpassen van bestaande hardware en het ontwikkelen van technische oplossingen die aansluiten op de nieuwe eisen. Daarnaast moesten leveranciers de nodige kwaliteitstoetsen bij de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) doorlopen.
Deze voorbereidingen brengen aanzienlijke kosten met zich mee, terwijl leveranciers voor het terugverdienen daarvan afhankelijk zijn van taxiondernemers die daadwerkelijk overstappen naar de nieuwe systemen. Juist daar ontstaat een probleem. Waar leveranciers al jarenlang kosten maken om tijdig aan de verplichtingen te voldoen, stellen taxiondernemers hun investeringsbeslissingen uit. Daardoor blijft de verwachte afname van CDT-oplossingen achter. Voor leveranciers ontstaat zo een lastige situatie. Zij moeten investeren om aan wettelijke en technische eisen te voldoen, terwijl hun potentiële klanten de aanschaf van nieuwe apparatuur en bijbehorende diensten voor zich uitschuiven.
vastgoed en horeca
De naderende verplichting van 1 januari 2028 maakt deze situatie extra opvallend. Hoewel de overgangsperiode steeds korter wordt, lijkt een deel van de taxibranche voorlopig nog af te wachten. De taxibranche staat niet alleen in haar terughoudendheid. Volgens het CBS zijn vooral bedrijven in de verhuur en handel van onroerend goed voorzichtig geworden met hun investeringen. Bijna de helft van de ondernemingen in deze sector heeft geplande uitgaven uitgesteld of geschrapt. Maar liefst 36,5 procent besloot investeringen voorlopig niet door te zetten, terwijl 9 procent zowel investeringen uitstelde als plannen liet vallen.
Ook in de horeca is de situatie zorgelijk. Bijna 37 procent van de horecabedrijven heeft investeringsplannen aangepast. Ruim 23 procent stelde investeringen uit en 11,3 procent combineerde uitstel met het schrappen van geplande uitgaven. Binnen de industrie heeft ongeveer een derde van de ondernemingen investeringen uitgesteld of volledig geschrapt. Andere sectoren laten een minder somber beeld zien. Bij informatie- en communicatiebedrijven gaat het om ongeveer 15 procent van de ondernemingen. Binnen de zakelijke dienstverlening bedraagt dat aandeel circa 17 procent.
De oorzaken van de terughoudendheid lopen uiteen. Financiële beperkingen vormen volgens het CBS de meest genoemde investeringsbelemmering. Bijna 17 procent van de ondernemers geeft aan dat onvoldoende financiële middelen investeringen bemoeilijken. Daarnaast maakt 13,7 procent zich zorgen over toekomstig economisch beleid en mogelijke veranderingen in wet- en regelgeving. Bestaande regels, vergunningen en beperkingen van de infrastructuur worden door 11,1 procent als obstakel genoemd.
Vooral in de vastgoedsector zijn de gevolgen groot. Daar zegt 52,2 procent van de ondernemers dat bestaande regelgeving, vergunningen of infrastructuur investeringen belemmeren. Ook in de landbouw, bosbouw en visserij speelt onzekerheid over het toekomstige overheidsbeleid een belangrijke rol. Van de ondernemers in deze sector noemt 29,1 procent dit als investeringsbelemmering. Binnen de industrie bedraagt dat percentage 20,8 procent. Financiële beperkingen worden relatief vaak genoemd door ondernemers in de cultuur-, sport- en recreatiesector. Daar ervaart 30,3 procent problemen met de financiering van investeringen. Binnen de horeca gaat het om 25,3 procent.
leveranciers dragen de kosten
De ontwikkelingen rond de CDT laten zien dat uitgestelde investeringen ook andere bedrijven kunnen raken dan de ondernemingen die hun uitgaven voor zich uitschuiven. Voor leveranciers van CDT-systemen is de voorbereiding op de nieuwe regelgeving immers geen vrijblijvende keuze geweest. Het verkrijgen van ISO-certificeringen, het technisch aanpassen van hardware en het doorlopen van kwaliteitstoetsen bij de ILT vereisen tijd, geld en specialistische kennis.
Deze investeringen zijn bovendien niet beperkt gebleven tot één jaar. Leveranciers hebben gedurende meerdere opeenvolgende jaren kosten gemaakt om hun producten en diensten geschikt te maken voor de nieuwe situatie. Tegenover die uitgaven staat een markt waarin veel taxiondernemers de overstap nog niet hebben gemaakt. Dat betekent dat leveranciers hun investeringen al hebben gedaan, terwijl de inkomsten uit de verwachte overstap naar CDT-oplossingen op zich laten wachten.
De situatie maakt duidelijk dat wettelijke verplichtingen niet automatisch leiden tot directe investeringen door ondernemers. Zelfs wanneer een uiterste invoeringsdatum bekend is, kunnen bedrijven besluiten hun uitgaven zo lang mogelijk uit te stellen. Voor de leveranciers betekent dit dat zij de financiële lasten van hun voorbereidingen moeten dragen zonder zekerheid over het moment waarop de vraag daadwerkelijk aantrekt.
Voor leveranciers van CDT-oplossingen is die terughoudendheid inmiddels al jarenlang voelbaar. Zij hebben de financiële verplichtingen voor hun rekening genomen, maar wachten nog altijd op een bredere overstap vanuit de markt.
Ondanks de terughoudendheid blijven veel Nederlandse bedrijven investeren in technologische ontwikkelingen. Volgens het CBS richt 46,5 procent van de ondernemingen zich bij investeringen vooral op technologie om toekomstbestendig te blijven. Het gaat daarbij onder meer om digitalisering en het automatiseren van bedrijfsprocessen. De informatie- en communicatiesector loopt voorop. Bijna 65 procent van de bedrijven in deze branche investeert vooral in technologie. Binnen de groothandel en handelsbemiddeling ligt dat aandeel rond de 60 procent.
Andere bedrijfstakken geven juist prioriteit aan hun personeel. Zo investeert 37,4 procent van de bedrijven in de autohandel en autoreparatie vooral in opleidingen en cursussen. Binnen de bouw bedraagt dat percentage 28,4 procent. De industrie richt zich relatief sterk op productontwikkeling en onderzoek. Ruim 26 procent van de industriële ondernemingen noemt productinnovatie of onderzoek en ontwikkeling als belangrijkste investeringsgebied. Opvallend is dat 31 procent van de horecabedrijven aangeeft niet specifiek te investeren om toekomstbestendig te blijven. Gemiddeld geldt dat voor 9,4 procent van alle onderzochte ondernemingen.
ondernemersvertrouwen negatief
De terughoudendheid bij investeringen komt op een moment waarop het vertrouwen onder Nederlandse ondernemers nog altijd onder druk staat. Aan het begin van het vierde kwartaal van 2026 bedraagt de indicator voor het ondernemersvertrouwen -5,3. Dat is hetzelfde niveau als drie maanden eerder. Begin januari stond de indicator nog op -1,8. Vervolgens daalde het vertrouwen in april scherp naar -14,8. Sinds juli is sprake van enig herstel, maar een positieve stemming onder ondernemers blijft uit.
Ondernemers beoordelen de economische ontwikkelingen van de afgelopen drie maanden bovendien negatiever dan hun verwachtingen voor de komende periode. De indicator voor de afgelopen maanden bedraagt -6,6, tegenover -4,0 voor de verwachtingen. Tussen de bedrijfstakken bestaan aanzienlijke verschillen. Ondernemers in de informatie- en communicatiesector zijn het meest positief, terwijl de stemming in de landbouw, bosbouw en visserij het somberst is. Het vertrouwen verbeterde het sterkst binnen de groothandel en handelsbemiddeling. In de sector vervoer en opslag was juist de grootste verslechtering zichtbaar.
personeelstekort
Naast de investeringsproblemen blijft het tekort aan personeel een belangrijke belemmering voor Nederlandse bedrijven. Volgens het CBS noemt 32 procent van de ondernemingen het gebrek aan arbeidskrachten als belangrijkste probleem voor de dagelijkse bedrijfsvoering. Een kwartaal eerder lag dat aandeel nog op 33 procent. Voor 19 procent van de bedrijven vormt onvoldoende vraag naar producten of diensten de grootste belemmering. Daarnaast noemt 17 procent andere oorzaken, waaronder wet- en regelgeving, geopolitieke onzekerheid en hoge energiekosten. De combinatie van personeelstekorten, financiële beperkingen en onzekerheid over toekomstige regelgeving zorgt ervoor dat ondernemers voorzichtig blijven met grote uitgaven.
Voor de taxibranche krijgt die voorzichtigheid een extra dimensie. Waar ondernemers in sommige sectoren zelf kunnen bepalen wanneer zij investeren, hebben taxiondernemingen te maken met een vastgestelde verplichting. Vanaf 1 januari 2028 wordt de CDT verplicht. De noodzakelijke voorbereidingen bij leveranciers zijn echter al veel eerder begonnen. Dat zorgt voor een ongelijke verdeling van de financiële lasten. Leveranciers hebben jarenlang geïnvesteerd in certificering, technische aanpassingen en kwaliteitstoetsen, terwijl veel taxiondernemers de aanschaf van de benodigde systemen nog uitstellen.
Naarmate de invoeringsdatum dichterbij komt, wordt de beschikbare tijd om de overstap te maken korter. Tegelijkertijd blijft voor leveranciers onzeker wanneer de investeringen die zij de afgelopen jaren hebben gedaan daadwerkelijk inkomsten gaan opleveren. De situatie binnen de taxibranche vormt daarmee een concreet voorbeeld van de bredere ontwikkeling die het CBS signaleert. Bedrijven blijven terughoudend met investeringen, ook wanneer technologische veranderingen en wettelijke verplichtingen uiteindelijk om nieuwe uitgaven vragen.
Bronnen: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Conjunctuurenquête Nederland, oktober 2026.

