Tag archieven: bestuursrechter

Minister krijgt tik op de vingers: Schipholplan sneuvelt bij hoogste bestuursrechter

Naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak heeft de minister zijn besluit niet toereikend gemotiveerd.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft een streep gezet door het besluit van de minister van Infrastructuur en Waterstaat om het aantal vluchten op Schiphol te beperken. Volgens de hoogste bestuursrechter is het zogenoemde Luchthavenverkeerbesluit niet zorgvuldig genomen en bovendien onvoldoende gemotiveerd. Daardoor kan het besluit niet in stand blijven. De uitspraak werd gedaan op 11 maart 2026 en heeft directe gevolgen voor het beleid rond de luchthaven.

juridisch kader

Het Luchthavenverkeerbesluit vormt een belangrijk juridisch kader voor het gebruik van Schiphol. In dit besluit staan regels vastgelegd over onder meer vliegtuiggeluid en het aantal vluchten dat in de nacht mag plaatsvinden. Ook wordt bepaald hoeveel geluid maximaal is toegestaan rond de luchthaven, zowel voor het gehele gebied als bij specifieke handhavingspunten in de omgeving van Schiphol.

De minister besloot in mei van vorig jaar het bestaande Luchthavenverkeerbesluit aan te passen. Met deze wijziging wilde het kabinet de geluidsoverlast voor omwonenden terugdringen. Het plan was om het aantal vluchten op Schiphol vanaf 1 november 2025 te beperken tot maximaal 478.000 per jaar. Daarbij werd vastgelegd dat in de nachtelijke periode tussen 23.00 uur en 07.00 uur niet meer dan 27.000 vluchten mochten plaatsvinden.

verdeeldheid

Die maatregel leidde vrijwel onmiddellijk tot verdeeldheid. Luchtvaartmaatschappijen verzetten zich fel tegen het plan. Volgens hen was de beperking van het aantal vluchten van en naar Schiphol onaanvaardbaar en zou die grote gevolgen hebben voor de internationale positie van de luchthaven en de luchtvaartsector.

Aan de andere kant stonden drie omliggende gemeenten, verschillende natuurorganisaties en groepen omwonenden. Zij vonden dat het besluit juist niet ver genoeg ging. Volgens deze partijen zorgt het vliegverkeer al jarenlang voor ernstige geluidsoverlast en zou een verdere beperking van het aantal vluchten noodzakelijk zijn om de leefomgeving rond de luchthaven te verbeteren.

De Raad van State heeft zich nu over het besluit gebogen en concludeert dat de minister zijn keuze onvoldoende heeft onderbouwd. Volgens de Afdeling bestuursrechtspraak heeft de minister vooral gesteld dat het maximumaantal vluchten per jaar mede bepaalt hoeveel geluid er uiteindelijk rond Schiphol wordt geproduceerd. Vanuit die gedachte werd het maximale aantal vluchten gezien als een grens voor de geluidbelasting.

Foto: © Pitane Blue – Schiphol

De rechters gaan daar niet in mee. Zij wijzen erop dat een maximumaantal vluchten niet automatisch een duidelijke grens vormt voor de totale hoeveelheid geluid. Niet ieder vliegtuig produceert immers dezelfde hoeveelheid geluid. Sommige toestellen zijn aanzienlijk stiller dan andere. Daardoor zegt een optelsom van alleen het aantal vluchten weinig over de daadwerkelijke totale geluidsbelasting in een jaar.

onderbouwing

Volgens de Raad van State miskent de redenering van de minister hoe de wetgever de geluidsgrens heeft bedoeld. Die grens is namelijk gebaseerd op een maximum van de bij elkaar opgetelde geluidsbelasting van individuele vluchten gedurende een jaar. Wanneer alleen een plafond voor het aantal vluchten wordt vastgesteld, zonder die totale geluidsbelasting precies vast te leggen, kan de werkelijke geluidsoverlast nog steeds variëren.

Omdat deze onderbouwing ontbreekt, oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak dat het besluit niet voldoende is gemotiveerd. Daarmee vervalt het aangepaste Luchthavenverkeerbesluit.

Het gevolg van de uitspraak is dat het eerdere Luchthavenverkeerbesluit uit 2008 voorlopig weer van kracht blijft. In dat oudere besluit is geen totaal maximumaantal vluchten per jaar vastgelegd. Dat betekent dat het geplande plafond van 478.000 vluchten niet langer geldt.

nachtvluchten

De Raad van State heeft wel een voorlopige voorziening getroffen voor het aantal nachtvluchten. Voor de nachtelijke uren blijft dus voorlopig een maximum bestaan, zodat het vliegverkeer in die periode niet onbeperkt kan toenemen.

Ondertussen werkt het ministerie aan een nieuw Luchthavenverkeerbesluit. Daarmee zal opnieuw moeten worden vastgesteld hoe de balans tussen luchtvaart, economie, natuur en leefomgeving rond Schiphol eruit moet zien. De uitspraak van de Raad van State maakt duidelijk dat een toekomstige regeling juridisch beter onderbouwd zal moeten worden.

Hoger beroep DHL afgewezen: pakketbezorgers moeten zich aan verkeersregels houden

Het hoger beroep van DHL eCommerce (Services) B.V. tegen de minister van Infrastructuur en Waterstaat is ongegrond verklaard.

DHL had bij de minister een verzoek ingediend voor een landelijke vrijstelling van bepaalde verkeersregels, zodat hun pakketbezorgers flexibeler konden parkeren en rijden. Dit verzoek werd in 2020 afgewezen, en nu heeft de hoogste bestuursrechter, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, geoordeeld dat de minister terecht heeft gehandeld.

DHL is een grote speler in de Nederlandse pakketbezorgmarkt en levert dagelijks duizenden pakketten af bij consumenten en servicepunten. Het bedrijf vroeg de minister om vrijstelling van een aantal bepalingen uit het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Concreet wilde DHL dat hun bezorgers mochten parkeren en rijden op locaties waar dat normaal gesproken verboden is, zoals stoepen en fietspaden.

De logistieke gigant stelde dat het zoeken naar een legale parkeerplek in drukke binnensteden en woonwijken tijdrovend is en de efficiëntie van de bezorgdiensten belemmert. Een vrijstelling zou volgens DHL bijdragen aan een snellere en soepelere pakketbezorging.

De minister van Infrastructuur en Waterstaat wees het verzoek af. Volgens de minister is de dienstverlening van DHL niet aan te merken als een openbare of daarmee gelijk te stellen dienst, zoals bedoeld in artikel 147 van de Wegenverkeerswet 1994. Dat artikel biedt de mogelijkheid om uitzonderingen te maken op verkeersregels, maar alleen voor specifieke diensten met een openbaar belang.

ongelijke behandeling

DHL ging tegen de beslissing in beroep en stelde dat de minister met twee maten meet. Het bedrijf wees erop dat PostNL wel een vrijstelling heeft gekregen en betoogde dat dit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Volgens DHL zou hun pakketbezorgdienst niet wezenlijk verschillen van die van PostNL, waardoor het ongerechtvaardigd is om DHL de gevraagde vrijstelling te onthouden.

De rechtbank Midden-Nederland oordeelde in 2023 echter dat er wél een wezenlijk verschil is. PostNL is namelijk door de minister aangewezen als het postvervoerbedrijf dat verantwoordelijk is voor de Universele Postdienst (UPD). Dit betekent dat PostNL wettelijk verplicht is om tegen gereguleerde tarieven post te bezorgen, ook in dunbevolkte en minder rendabele gebieden. Deze verplichting wordt door de overheid gezien als een openbare dienst, en daarom heeft PostNL voor UPD-werkzaamheden een vrijstelling gekregen.

PostNL pakketbezorger sorteert pakjes op fietspad

DHL heeft nog niet gereageerd op de uitspraak. Het is onduidelijk of het bedrijf verdere stappen overweegt of zich zal aanpassen aan de geldende verkeersregels.

DHL levert geen UPD-diensten en is volledig commercieel actief in de pakketbezorging. De rechtbank vond daarom dat de minister terecht een onderscheid had gemaakt tussen PostNL en DHL. DHL legde zich niet neer bij de uitspraak en ging in hoger beroep bij de Raad van State. Op 12 maart 2025 vond de zitting plaats, waarbij DHL werd vertegenwoordigd door advocaat mr. M.J. van Joolingen. De minister werd bijgestaan door jurist mr. D. Rietberg.

Tijdens de zitting probeerde DHL opnieuw aan te tonen dat de vrijstelling van PostNL in de praktijk ook gebruikt wordt voor niet-UPD-werkzaamheden. Volgens DHL is PostNL in feite bevoordeeld, omdat hun pakketbezorging grotendeels vergelijkbaar is met die van DHL.

De Raad van State volgde deze redenering niet en benadrukte dat de vrijstelling voor PostNL strikt beperkt is tot UPD-werkzaamheden. Als PostNL die vrijstelling onterecht ook voor andere bezorgdiensten zou gebruiken, zou dat niet betekenen dat DHL daar automatisch ook recht op heeft. De minister had daarom een legitieme reden om DHL de gevraagde vrijstelling te weigeren.

Met dit oordeel werd de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland bevestigd en bleef het besluit van de minister overeind. DHL zal dus geen speciale parkeerrechten krijgen voor haar bezorgers.

consequenties

Nu de hoogste bestuursrechter zich over de zaak heeft uitgesproken, lijkt er voor DHL geen juridische route meer open om alsnog een vrijstelling af te dwingen. Dit betekent dat hun bezorgers zich aan dezelfde verkeersregels moeten blijven houden als andere weggebruikers.

Voor consumenten betekent dit dat DHL-bezorgers mogelijk langer onderweg zijn, vooral in drukke steden waar parkeerplekken schaars zijn. Dit zou de bezorgtijden kunnen beïnvloeden en mogelijk extra kosten met zich meebrengen als DHL alternatieve oplossingen moet zoeken, zoals extra parkeerplaatsen of kleinere bezorgvoertuigen.