Tag archieven: lastmile

Zelfrijdende auto’s: de toekomst van autonoom ‘last mile’ vervoer

Autonoom vervoer wordt steeds meer gezien als de toekomst voor het oplossen van het ‘last mile’-probleem in stedelijke gebieden.

Zelfrijdende auto’s kunnen dichter bij eindbestemmingen komen dan traditionele bussen, waardoor ze niet alleen de mobiliteit verbeteren maar ook minder ruimte in beslag nemen. De verwachtingen zijn dat autonome rijsystemen een belangrijke rol zullen spelen in de ruimtelijke herinrichting van steden. Deze systemen worden voornamelijk gezien als een uitbreiding van het openbaar vervoer en de logistieke sector, waarbij ze nuttig kunnen zijn tot in de kleinste uithoeken van de stad, zo dicht mogelijk bij vertrek- en aankomstlocaties. Dit sluit naadloos aan bij de ambities voor autoluwe binnensteden.

De ontwikkeling van autonome voertuigen is een proces dat in vijf stappen kan worden onderverdeeld. Deze stappen tonen hoe de weg naar volledig autonoom rijden eruitziet. Assistentiesystemen zijn cruciaal voor deze evolutie. Vandaag de dag beschikken auto’s al over diverse slimme assistentiesystemen die bestuurders helpen in verschillende situaties. Radar- en ultrasone sensoren detecteren verkeerssituaties, terwijl een multifunctionele camera aan de voorzijde de rijstroken en andere weggebruikers monitort. Waar rijhulpsystemen vroeger een zeldzaamheid waren, zijn ze tegenwoordig standaard in de meeste nieuwe auto’s.

level 1 tot 5

Bij level 1, het eerste niveau van autonoom rijden, ondersteunen systemen zoals Adaptive Cruise Control (ACC) de bestuurder door de ingestelde snelheid en de afstand tot de voorligger te handhaven. ACC reageert zelfs op snelheidsbeperkingen dankzij verkeersbordherkenning. Systemen zoals Front Assist waarschuwen de bestuurder voor mogelijke aanrijdingen en bereiden de auto voor op een noodstop als uitwijken niet meer mogelijk is. Op dit niveau blijft de bestuurder echter altijd verantwoordelijk voor het voertuig.

Gedeeltelijk autonoom rijden, dat mogelijk is vanaf level 2, betekent dat systemen meerdere taken tegelijkertijd kunnen uitvoeren, zoals accelereren, sturen en remmen. Hierdoor kunnen bestuurders comfortabeler rijden, bijvoorbeeld in fileverkeer. Met Remote Park Assist kunnen bestuurders hun auto zelfs in de kleinste parkeerplekken manoeuvreren via een smartphone. Hoewel het voertuig subtaken kan uitvoeren, blijft de bestuurder verantwoordelijk.

De overgang van level 2 naar level 3 is technisch gezien de grootste stap. Op dit niveau kan de auto zelfstandig inhaal- en ontwijkmanoeuvres uitvoeren, versnellen en remmen. De bestuurder mag tijdens het rijden andere activiteiten uitvoeren, maar moet altijd kunnen ingrijpen als dat nodig is.

Level 4 brengt verregaand autonoom rijden met zich mee. Dit omvat bijvoorbeeld robo-taxi’s die volledig autonoom rijden in afgebakende gebieden, zoals steden. Hier is geen bestuurder meer nodig, en passagiers kunnen hun tijd besteden aan andere taken.

Het ultieme doel is level 5, waarbij voertuigen volledig zelfstandig kunnen rijden zonder stuurwiel. Het interieur van deze auto’s is opnieuw ontworpen om ruimte te bieden voor ontspanning of werk, met alle nodige digitale functies aan boord. Dankzij omgevingsdetectie, constante netwerkverbinding en slimme car-to-car communicatie kunnen deze auto’s volledig zelfstandig van vertrekpunt tot eindbestemming rijden zonder menselijke tussenkomst.

Illustratie: © Pitane Blue

De herinrichting van stedelijke gebieden omvat onder meer de integratie van laad- en losplaatsen voor autonome voertuigen, het creëren van speciale rijstroken en het aanpassen van verkeersregels en infrastructuur om deze voertuigen veilig en efficiënt te laten opereren. Dit vergt een grondige planning en samenwerking tussen stedenbouwkundigen, verkeersplanners en technologische bedrijven.

Een belangrijke trend die parallel loopt met de opkomst van autonome voertuigen is de ambitie van veel steden om autoluwe binnensteden te creëren. Door het verminderen van het aantal traditionele auto’s in stedelijke centra, wordt de ruimte vrijgemaakt voor groenvoorzieningen, voetgangers en fietsers. Dit draagt bij aan een leefbaardere en milieuvriendelijkere stad. Autonome voertuigen kunnen hier een belangrijke rol in spelen door bijvoorbeeld als elektrische deelauto’s te functioneren, die efficiënt en op aanvraag beschikbaar zijn zonder dat ze kostbare ruimte innemen als ze niet in gebruik zijn.

Daarnaast kunnen autonome voertuigen bijdragen aan het verbeteren van de logistiek binnen de stad. Door gebruik te maken van slimme technologieën en real-time data, kunnen deze voertuigen routes optimaliseren, files vermijden en de levering van goederen efficiënter maken. Dit is vooral belangrijk in dichtbevolkte stedelijke gebieden, waar ruimte schaars is en de vraag naar snelle en betrouwbare leveringen blijft groeien.

wettelijk kader

Naast de fysieke infrastructuur moeten ook wettelijke en regelgevende kaders worden aangepast om de integratie van autonome voertuigen mogelijk te maken. In Nederland zijn bijvoorbeeld zeven wetten geïdentificeerd die moeten worden aangepast, waaronder de Wegenverkeerswet. Deze aanpassingen zijn nodig om de veiligheid en betrouwbaarheid van autonome voertuigen te waarborgen en om ervoor te zorgen dat ze naadloos kunnen worden geïntegreerd in het bestaande verkeerssysteem.

De Europese Unie speelt een belangrijke rol bij het vormgeven van deze regelgeving. Door duidelijke richtlijnen en regels vast te stellen, zorgt de EU ervoor dat alle lidstaten op een uniforme manier kunnen werken aan de integratie van autonome voertuigen. Dit bevordert niet alleen de veiligheid, maar ook de interoperabiliteit tussen verschillende landen, wat essentieel is voor de grensoverschrijdende mobiliteit.

De overgang naar een toekomst met autonome voertuigen biedt enorme mogelijkheden, maar brengt ook uitdagingen met zich mee. Het vergt een gezamenlijke inspanning van overheden, bedrijven en burgers om deze transitie succesvol te maken. Door vooruit te plannen en de nodige aanpassingen in infrastructuur en wetgeving door te voeren, kunnen steden zich voorbereiden op een toekomst waarin autonoom vervoer een integraal onderdeel is van het dagelijks leven.

Zero-emissie: zorgen onder ondernemers groeien volgens nieuw onderzoek

Gemeenten mogen vanaf 1 januari 2025 een stadsgebied aanwijzen waar geen vervuilende bestelbussen en vrachtwagens meer mogen rijden.

Bijna de helft van de ondernemers, 43% om precies te zijn, maakt zich zorgen over de aankomende zero-emissiezones. Dit blijkt uit een recent onderzoek van ANWB Zakelijk onder 497 ondernemers, variërend van kleine en middelgrote bedrijven (MKB) tot zelfstandigen zonder personeel (ZZP). Vanaf 2025 wordt het in veel steden verboden om met dieselbestelwagens te rijden, waardoor ondernemers gedwongen worden sneller over te stappen op elektrische bedrijfswagens. “Dit vergt niet alleen veel uitzoekwerk en geregel, maar ook een investering”, zegt Patrick van Weert, productmanager bij ANWB Zakelijk.

aanzienlijke zorgen

De introductie van zero-emissiezones vormt een grote uitdaging voor ondernemers, vooral omdat zij hun wagenpark gedeeltelijk of volledig moeten vervangen. Dit brengt aanzienlijke zorgen met zich mee, vooral voor degenen die een groot aantal bedrijfswagens bezitten. Van Weert legt uit: “Als zzp’er hoef je misschien maar één busje te vervangen, wat al vervelend kan zijn. Maar er zijn ook ondernemers die tientallen bedrijfswagens bij een distributiecentrum hebben staan. Voor hen ligt er een nóg grotere klus in het verschiet.”

Het personeel dat dagelijks gebruikmaakt van de bedrijfswagens, kan eveneens sceptisch zijn over de overstap naar elektrisch. Van Weert benadrukt dat chauffeurs vaak gehecht zijn aan hun voertuigen. “Chauffeurs hechten veel waarde aan hun ‘heilige koe’. Daarnaast kunnen elektrische busjes nog geen zware ladingen vervoeren en met dat gewicht dezelfde lange afstanden afleggen als dieselbusjes, alhoewel dat steeds beter wordt,” erkent hij. “Maar toch moeten zowel ondernemer als chauffeur de overstap maken, want uitstootloze busjes zijn de toekomst.”

Veel ondernemers staan niet te springen om een elektrische bedrijfswagen te kopen. Uit het onderzoek blijkt dat de meeste ondernemers (34%) ervoor kiezen om een elektrische bedrijfswagen te leasen. Van de ondernemers verwacht 27% de overstap naar elektrisch rijden te bekostigen met eigen vermogen, terwijl 22% gedeeltelijk rekent op subsidies. 

Van Weert licht toe: “Leasen voelt voor veel ondernemers als de veiligste optie, omdat ze hun initiële investering behouden. Maar leasen drukt wel weer op de maandelijkse lasten, dus dit moet je goed overwegen als ondernemer.”

ANWB Zakelijk heeft de zorgen van ondernemers al langer opgemerkt. Afgelopen maand organiseerde ANWB Zakelijk, samen met Ayvens, de “Bedrijfswagen e-Xperience”, een evenement waar veel brancheorganisaties bij betrokken waren. Tijdens dit evenement konden ondernemers advies inwinnen en proefritten maken in meer dan 30 elektrische bedrijfswagens. Roy Driessen, segment director bij Ayvens en medeorganisator van het evenement, benadrukt de noodzaak van consistent overheidsbeleid over elektrisch rijden. “Verander nu niet de route naar elektrisch rijden, veel ondernemers zijn hun transitie al gestart. En zorg voor een centraal beleid over de zero-emissiezones. Dit kan per gemeente verschillen. Zo voorkom je dat de ondernemers nog meer in de war raken. Houd duidelijk beleid aan, zodat ook de twijfelaars over de streep getrokken worden.”

tool

Daarnaast lanceert ANWB Zakelijk de tool De Opwegwijzer voor de Zaak, gericht op ondernemers die hun wagenpark willen of moeten elektrificeren. Met deze tool krijgen ondernemers een gepersonaliseerd advies over of en hoe lang ze met hun huidige bedrijfswagen in een milieuzone mogen rijden.

Gemeenten mogen vanaf 1 januari 2025 stadsgebieden aanwijzen waar geen vervuilende bestelbussen en vrachtwagens meer mogen rijden. De voertuigen die wél in deze zogenaamde “zero-emissiezone” mogen rijden, moeten uitstootvrij zijn. Voor enkele voertuigcategorieën geldt tot 2030 een overgangsregeling of vrijstelling. Daarnaast moeten ondernemers per 2025 belastingheffing (bpm) betalen bij de aanschaf van een dieselbusje. Dit heeft geleid tot een verhoogde vraag naar dieselbusjes. De hoogte van de belastingheffing hangt af van de CO2-uitstoot van het voertuig. Hierdoor wordt het gebruik van diesel ontmoedigd en de overstap naar elektrisch gestimuleerd. ANWB Zakelijk verwacht dat de levensduurkosten (TCO, Total Cost of Ownership) van diesel- en elektrische bussen dankzij de technologische vooruitgang dichter bij elkaar komen te liggen.

De bestelbussen en vrachtwagens die wél in deze zogenaamde “zero-emissiezone” mogen rijden, moeten uitstootvrij zijn.

De afgelopen week besteedde de Financiële Telegraaf ook al aandacht aan een groeiend probleem onder ondernemers: het uitstel en verkleinen van zero-emissiezones. Dit onderwerp brengt niet alleen onrust onder deze groep, maar zorgt uiteindelijk ook voor grotere problemen op lange termijn.

De huidige maatregelen zijn erop gericht om een geleidelijke overgang te bewerkstelligen van fossiel aangedreven naar zero-emissie bestelwagens. Dit betekent dat de meest vervuilende voertuigen als eerste uit het straatbeeld moeten verdwijnen. Door deze geleidelijke aanpak kan ook de benodigde laadinfrastructuur stapsgewijs worden opgezet en wordt de tweedehandsmarkt voor zero-emissie voertuigen geleidelijk opgebouwd. Deze strategie zorgt ervoor dat, wanneer de overgangsregeling voor fossiel aangedreven bestelwagens afloopt, de overstap naar zero-emissie voertuigen soepel kan verlopen zonder al te veel problemen.

significante nadelen

Het uitstel van zero-emissiezones klinkt aantrekkelijk, maar het brengt significante nadelen met zich mee. Ondanks dat de harde einddatum blijft bestaan waarop alle bestelwagens zero-emissie moeten zijn, zal de transitie niet geleidelijk maar in een veel kortere periode moeten plaatsvinden. Dit betekent dat de overgang naar zero-emissie voertuigen zal vertragen. De vertraging heeft directe gevolgen voor de aanleg van laadinfrastructuur. Commerciële partijen zullen minder snel investeren in laadpalen als zij weten dat deze investeringen de komende vijf jaar niet renderen. Bovendien is het de vraag of deze infrastructuur op een later moment, binnen een kort tijdsbestek, aangelegd kan worden.

Daarnaast zal de vertraging leiden tot een beperktere beschikbaarheid van tweedehands zero-emissie bestelwagens. Hierdoor wordt het voor ondernemers die afhankelijk zijn van de tweedehandsmarkt moeilijker om over te stappen op een zero-emissie voertuig. Deze groep kan nu nog gebruik maken van de hardheidsclausule, waardoor ze voorlopig kunnen blijven rijden op diesel. Maar wat gebeurt er als deze clausule verdwijnt? Deze ondernemers zullen dan voor een grote uitdaging komen te staan.

80-20 regel

Een ander aspect is de zogeheten 80-20 regel. Er zijn talloze redenen waarom een ondernemer nog niet kan overstappen op een zero-emissie bestelwagen. Problemen zoals actieradius, trekgewicht en laadmogelijkheden spelen een rol, maar deze problemen hebben voornamelijk betrekking op een minderheid van de ondernemers. De meerderheid kan wel degelijk de overstap maken. Voor de 20% die nog niet kunnen overstappen, zijn er voldoende mogelijkheden om uitstel aan te vragen onder de hardheidsclausule. De vraag rijst dan ook: zijn er met het huidige beleid echt problemen of creëren we ze nu juist door het uitstel?

Het uitstel van zero-emissiezones heeft dus een kettingreactie aan negatieve gevolgen. De vertraging in de transitie naar zero-emissie voertuigen zorgt voor een rem op de ontwikkeling van laadinfrastructuur en beperkt de beschikbaarheid van tweedehands voertuigen. Ondernemers die afhankelijk zijn van deze infrastructuur en voertuigen zullen hierdoor benadeeld worden. Dit maakt de uiteindelijke overgang naar een zero-emissie toekomst niet alleen moeilijker, maar ook duurder en problematischer. Het huidige beleid, dat juist gericht is op een geleidelijke en gecontroleerde overgang, biedt een veel betere basis voor een succesvolle implementatie van zero-emissie zones.

Vervoer: taxi’s worden duurder terwijl de sector onder druk staat

Het debat over de toekomst van de taxi- en zorgvervoersector in Nederland is complex en veelzijdig, met een duidelijke roep om innovatie en aanpassing aan veranderende omstandigheden.

Elke week stappen meer dan een miljoen mensen in Nederland in taxi’s en zorgvoertuigen, ondersteund door zo’n 27.000 werknemers en 8.000 zelfstandigen. Deze sector speelt een cruciale rol in de dagelijkse mobiliteit van veel mensen, variërend van werk- en schoolritten tot vervoer naar medische afspraken of sociale activiteiten. Met zorgvervoer dat ongeveer 75% van de totale markt uitmaakt, en de rest bestaande uit reguliere en zakelijke taxi’s, is de invloed van deze diensten op de samenleving significant.

uitdagingen

In het licht van de recente prijsstijgingen – 7% in 2023 en een verwachte 11 tot 12% in 2024 – en de druk van deelvervoerplatformen zoals Uber en Bolt, staan taxibedrijven voor grote uitdagingen. De vraag naar taxiservices binnen de opstapmarkt is divers: de grootste groep gebruikers zijn mensen die op zakelijk bezoek gaan, gevolgd door onderwijsgerelateerd vervoer en deelnemers aan congressen. De minste ritten worden gemaakt voor woon-werkverkeer of winkelbezoek.

Een opmerkelijk punt is de complexiteit van klantvragen binnen het doelgroepenvervoer die samenvalt met druk op zorg- en gemeentebudgetten. Dit veroorzaakt regelmatig een kenniskloof tussen vervoeraanbieders en opdrachtgevers, en brengt de noodzaak van innovatie en digitalisering naar voren. Volgens de branchevereniging KNV is er een toenemende behoefte aan slimmere mobiliteitsoplossingen die naadloos verschillende soorten vervoer combineren, iets wat bekend staat als integraal vervoer.

Foto: © Pitane Blue – Taxistandplaats station Eindhoven Centraal.

In hun Toekomstvisie 2030 ‘Een onmisbare schakel‘, identificeert KNV Zorgvervoer en Taxi belangrijke trends die de richting van de sector zullen bepalen. Flexibiliteit en kwaliteit, klantgerichtheid, en prettige werkomstandigheden zijn hierin centrale thema’s. De branchevereniging ziet een noodzaak voor gesprekken op regionaal en nationaal niveau over een toekomstbestendige taxisector die bijdraagt aan betaalbare bereikbaarheid.

Deze gesprekken zijn des te relevanter in het licht van sociaal-maatschappelijke factoren zoals vergrijzing, die de vraag naar zorgvervoer verhoogt en tegelijkertijd druk zet op het personeelsbestand. Het aantrekken van nieuw talent en het verbeteren van de arbeidsvoorwaarden, vooral in de context van platformeconomie en discussies over schijnzelfstandigheid, zijn cruciale stappen voorwaarts.

Ondanks de uitdagingen, biedt de openheid om data te delen en samen te werken binnen de sector mogelijkheden voor innovatie. Dit kan leiden tot meer geïntegreerde diensten die niet alleen de efficiëntie verhogen maar ook meer gericht zijn op de behoeften van de gebruiker. De vraag blijft echter hoe deze visies praktisch geïmplementeerd zullen worden en welke rol de overheid en private sector zullen spelen in het vormgeven van een toekomstbestendig mobiliteitslandschap.

Het debat over de toekomst van de taxi- en zorgvervoersector in Nederland is complex en veelzijdig, met een duidelijke roep om innovatie en aanpassing aan veranderende omstandigheden. Wat zeker is, is dat deze sector een onmisbare schakel blijft in de mobiliteit en toegankelijkheid van vele Nederlanders.