De Europese Unie heeft een volgende, stille maar wezenlijke stap gezet in de digitalisering van mobiliteit.
Toegangsknooppunt-identificaties zijn geen onderwerp waar bestuurders graag mee scoren. Er valt geen lintje te knippen. Toch vormen ze de digitale fundering van alles wat Europa zegt te willen: MaaS, realtime reisadvies, interoperabele ticketsystemen en slimme logistiek. Met de publicatie van het NAPCORE-rapport eind vorig jaar over zogeheten access node identifiers wordt voor het eerst op Europees niveau vastgelegd hoe lidstaten omgaan met de digitale identificatie van vervoersknooppunten. Het gaat om haltes, stations, perrons, luchthavens en overstappunten die dagelijks door miljoenen reizigers worden gebruikt en die in digitale systemen een vaste plek moeten hebben om grensoverschrijdend reizen soepel te laten verlopen.
Centraal in het rapport, dat de titel Mapping of the Access Nodes Identifiers in the Member States draagt, staat een probleem dat al jaren bekend is bij ontwikkelaars van reisplanners, mobiliteitsapps en vervoersautoriteiten. Zonder eenduidige en stabiele identificatie van fysieke toegangsknooppunten blijkt het vrijwel onmogelijk om reisinformatie betrouwbaar over landsgrenzen heen te combineren. Wat voor reizigers een simpele halte lijkt, kan in digitale systemen meerdere betekenissen hebben, afhankelijk van land, regio of vervoerder.
digitale toegangspoort
Access nodes vormen de digitale toegangspoort tot mobiliteit. Het zijn de plekken waar reizigers instappen, overstappen of hun reis beëindigen. In een ideale wereld beschikt elk van die locaties over een unieke, blijvende identifier die in meerdere systemen herbruikbaar is en ook buiten de landsgrenzen wordt herkend. De praktijk blijkt weerbarstiger. Veel landen hebben eigen structuren ontwikkeld, soms zelfs per regio of vervoersbedrijf. Het gevolg is een lappendeken aan codes, nummers en namen die moeilijk met elkaar te verbinden zijn.
Binnen het NAPCORE-project, voluit National Access Point Coordination Organisation for Europe, zijn vertegenwoordigers uit 21 EU-lidstaten bevraagd. Daarnaast deden Noorwegen, Zwitserland en het Verenigd Koninkrijk mee en leverden sectororganisaties uit het spoor, de luchtvaart en het openbaar vervoer aanvullende input. Het doel was nadrukkelijk niet om oplossingen af te dwingen, maar om inzicht te krijgen in de huidige situatie. De centrale vraag luidde hoe lidstaten hun toegangsknooppunten vandaag identificeren en publiceren via nationale dataportalen.
technische knelpunten
Uit het rapport komt een gefragmenteerd beeld naar voren. Sommige landen beschikken over centraal beheerde, goed gedocumenteerde identifiersets die al jarenlang stabiel zijn. Andere landen laten de verantwoordelijkheid over aan regionale overheden of individuele vervoerders. In meerdere gevallen bestaan zelfs meerdere identifiers voor exact hetzelfde fysieke knooppunt. Hoewel vrijwel alle betrokken partijen het belang van standaardisatie erkennen, ontbreekt een gemeenschappelijk Europees referentiekader.
Met het recente NAPCORE-rapport Mapping of the Access Nodes Identifiers in the Member States is dat probleem eindelijk scherp in beeld gebracht. Het rapport laat zien hoe Europese landen omgaan met zogeheten access nodes: haltes, stations, perrons en overstappunten. Wat blijkt? Elk land – en vaak elke regio – doet het anders. Voor de reiziger is dat onzichtbaar. Voor software, planners en datasystemen is het desastreus.
Het rapport legt ook een aantal hardnekkige technische knelpunten bloot. Zo is er vaak geen vaste relatie tussen het niveau van een halte en dat van afzonderlijke perrons, wat het koppelen van datasets bemoeilijkt. Niet alle identifiers sluiten goed aan op Europese datamodellen zoals NeTEx. In sommige landen veranderen identifiers zodra een halte wordt heringericht, waardoor historische data onbruikbaar wordt. Daarnaast ontbreekt geregeld publieke documentatie, waardoor externe partijen moeten gissen naar de logica achter codes.
Europa wil één digitale mobiliteitsmarkt. Grensoverschrijdend reizen moet net zo vanzelfsprekend worden als bellen binnen de EU. Apps moeten moeiteloos trein, bus, tram, fiets en deelauto combineren. En toch loopt de Europese mobiliteitsdigitalisering vast op iets verbazingwekkend basaals: de halte. Niet de trein, niet het spoor, niet de dataformaten – maar de simpele vraag: wat is dit punt op de kaart, en hoe noemen we het?
NAPCORE heeft inmiddels aangekondigd dat de volgende fase verder gaat dan inventariseren. De focus verschuift naar technische en organisatorische harmonisatie. Daarbij wordt gedacht aan een logisch gelaagde structuur waarin land, regio, access node en sub-node duidelijk van elkaar zijn te onderscheiden. Ook wordt gewerkt aan een strikte scheiding tussen identiteit en presentatie, zodat namen, talen en context kunnen wijzigen zonder dat de onderliggende identifier verandert. Belangrijk uitgangspunt is dat bestaande nationale systemen niet in één keer hoeven te verdwijnen, maar dat ze via een federatief model gekoppeld kunnen worden aan een Europese referentie.
governance
Een van de meest gevoelige vragen blijft de governance. Wie wordt verantwoordelijk voor het toekennen van identifiers, het voorkomen van conflicten en het beheren van betrouwbare referentiegegevens. Het rapport schetst verschillende scenario’s, variërend van een lichte coördinatierol voor de Europese Unie tot een centrale Europese referentieservice. De uiteindelijke keuze zal grote invloed hebben op de snelheid waarmee harmonisatie kan plaatsvinden.
Voor reizigers lijken deze discussies ver weg, maar de gevolgen zijn concreet. Betere internationale reisplanners zonder verdwijnende haltes, snellere innovatie van mobiliteitsdiensten en betrouwbaardere beleidsinformatie voor overheden zijn directe voordelen. Voor softwareleveranciers en data-integrators kan een geharmoniseerde identifierlaag een einde maken aan jarenlange maatwerkoplossingen.
Het NAPCORE-rapport laat zien dat toegangsknooppunten misschien geen onderwerp zijn dat tot de verbeelding spreekt, maar wel een fundamentele bouwsteen vormen voor de digitale toekomst van Europese mobiliteit. De stap van inventarisatie naar implementatie is complex en politiek gevoelig, maar moeilijk te vermijden. Wie mobiliteit in Europa echt interoperabel wil maken, zal eerst overeenstemming moeten bereiken over iets ogenschijnlijk eenvoudigs: wat is een halte, en hoe wordt die overal in Europa op dezelfde manier herkend.
standaarden
Zolang elk land zijn eigen identifier-logica mag blijven volgen zonder Europese referentie, blijft interoperabiliteit afhankelijk van handmatige mappings, maatwerk en interpretatie. Dat is geen schaalbaar model. Europa heeft dit eerder meegemaakt. Met roaming. Met betaalstandaarden. Met spoorbeveiliging. Telkens bleek dat vrijwillige afstemming niet volstaat als de belangen uiteenlopen.
De vervolgfase die NAPCORE nu aankondigt — met technische principes, gelaagde identifiers en federatieve modellen — is daarom cruciaal. Maar die mag geen vrijblijvende exercitie worden. De verwachte vervolgpublicatie met technische aanbevelingen: mei 2026.
Beluister onze podcast over dit onderwerp.


