Toezichthouders waarschuwen voor oneerlijke concurrentie en mogelijke sancties. Bij meer dan de helft van de onderzochte vervoerders werd geen geldige vergunning vastgesteld.
Pakket- en koeriersbedrijven controleren onvoldoende of de vervoerders die zij inschakelen over de juiste vergunningen beschikken. Dat blijkt uit gezamenlijk onderzoek van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en de Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO). Van de 274 onderzochte vervoerders kon bij maar liefst 152 bedrijven geen geldige vergunning worden vastgesteld.
De toezichthouders waarschuwen voor oneerlijke concurrentie, druk op transporttarieven en risico’s voor de veiligheid en arbeidsomstandigheden. Ook opdrachtgevers kunnen verantwoordelijk worden gehouden voor overtredingen. De pakket- en koerierssector heeft de regels rond vergunningplicht niet altijd voldoende onder controle.
Hoewel veel bedrijven weten dat vervoerders voor beroepsgoederenvervoer over de weg over een geldige vergunning moeten beschikken, ontbreekt het regelmatig aan structureel toezicht. Vooral wanneer transportopdrachten worden doorgeschoven naar onderaannemers, raken opdrachtgevers het zicht kwijt op wie hun pakketten daadwerkelijk vervoert.
geldige vergunning
Dat constateren de ILT en de NIWO na een gezamenlijk onderzoek naar de naleving van de vergunningplicht en de verantwoordelijkheid van bedrijven binnen de transportketen. De toezichthouders spraken met zes opdrachtgevers en expediteurs. Via deze bedrijven kwamen bijna 300 vervoerders in beeld. Uiteindelijk werden de gegevens van 274 vervoerders onderzocht.
Daaruit kwam een opvallend resultaat naar voren. Slechts 122 vervoerders, oftewel 45 procent, beschikten aantoonbaar over een geldige vergunning. Bij de overige 152 vervoerders, goed voor 55 procent, werd geen geldige vergunning gevonden. Dat betekent overigens niet dat al deze bedrijven automatisch de wet overtreden. Of een vervoerder daadwerkelijk vergunningplichtig is, hangt onder meer af van het gebruikte voertuig, de technische registratie op het kentekenbewijs en de manier waarop het transport wordt uitgevoerd.
Toch ontdekten de inspecteurs ook bedrijven die beroepsgoederenvervoer uitvoerden zonder de daarvoor vereiste vergunning. Veel opdrachtgevers besteden bij het aangaan van een samenwerking wel aandacht aan de vergunningplicht. Zo wordt regelmatig contractueel vastgelegd dat een vervoerder over een geldige vergunning moet beschikken. Daarmee lijkt de zaak op papier geregeld, maar in de dagelijkse praktijk schiet de controle tekort.
Volgens de ILT en de NIWO controleren opdrachtgevers onvoldoende of de vergunning gedurende de samenwerking geldig blijft. Ook wordt niet altijd nagegaan welke voertuigen daadwerkelijk worden ingezet en of het vervoer wordt uitgevoerd door de oorspronkelijke contractpartner of door een onderaannemer.
Een geldige vervoersvergunning is bovendien meer dan een administratieve formaliteit. Vervoerders tonen daarmee aan dat zij voldoen aan bepaalde eisen op het gebied van betrouwbaarheid en vakbekwaamheid. Wanneer die controle ontbreekt, bestaat het risico dat bedrijven opdrachten uitvoeren zonder aan de wettelijke voorwaarden te voldoen.
De uitkomsten onderstrepen dat de verantwoordelijkheid voor eerlijk en veilig goederenvervoer door de gehele transportketen loopt. Niet alleen de vervoerder achter het stuur, maar ook het bedrijf dat de opdracht verstrekt, heeft daarin een rol.
Vooral de inzet van onderaannemers vormt volgens het onderzoek een belangrijk aandachtspunt. Opdrachtgevers weten niet altijd welke bedrijven uiteindelijk verantwoordelijk zijn voor het vervoer. Dat probleem wordt groter wanneer transporteurs gebruikmaken van eigen depots, meerdere onderaannemers inschakelen of wanneer expediteurs geen volledig overzicht hebben van de voertuigen die op de weg rijden.
Ook de registratie blijkt niet overal op orde. Vergunningnummers en vervaldata worden niet altijd volledig vastgelegd, terwijl controles op kentekens en chauffeurs vaak beperkt blijven. Daardoor kunnen opdrachtgevers onvoldoende vaststellen of het vervoer daadwerkelijk volgens de regels wordt uitgevoerd.
extra ingewikkeld
De toezichthouders wijzen erop dat de controle extra ingewikkeld wordt wanneer routes en depots buiten het directe zicht van de opdrachtgever vallen. Juist in dergelijke situaties is het belangrijk dat bedrijven duidelijke afspraken maken over de uitvoering van transportopdrachten en de controle daarop.
Het onderzoek bleef niet beperkt tot het vaststellen van administratieve tekortkomingen. Bij sommige vervoerders werd daadwerkelijk geconstateerd dat zij vergunningplichtig beroepsgoederenvervoer uitvoerden zonder over de benodigde vergunning te beschikken. Deze bedrijven ontvingen een inspectierapport waarin de bevindingen zijn vastgelegd. Daarin wordt ook toegelicht onder welke omstandigheden een vervoerder verplicht is een vergunning te hebben.
De betrokken opdrachtgevers zijn eveneens geïnformeerd over de geconstateerde situatie. De ILT en de NIWO maken duidelijk dat overtredingen gevolgen kunnen hebben. Bij herhaling of een vastgestelde overtreding kunnen maatregelen volgen, waaronder een last onder dwangsom of een proces-verbaal. Daarmee wordt duidelijk dat het niet uitsluitend gaat om administratieve verplichtingen, maar ook om mogelijke handhaving wanneer bedrijven zich niet aan de regels houden.
aansprakelijkheid
Een belangrijk onderdeel van het onderzoek is de zogenoemde ketenaansprakelijkheid. Die houdt in dat de verantwoordelijkheid voor naleving van de transportregels niet uitsluitend bij de vervoerder ligt. Ook afzenders en expediteurs hebben verplichtingen. Deze verantwoordelijkheid is vastgelegd in de Wet wegvervoer goederen. Bedrijven die transportopdrachten verstrekken, moeten erop toezien dat zij samenwerken met vervoerders die zich aan de wettelijke regels houden.
Wanneer dat niet gebeurt, kunnen ook de afzenders en expediteurs verantwoordelijk worden gehouden voor overtredingen of misstanden binnen de transportketen. Dat geldt eveneens wanneer een vervoerder een opdracht vervolgens uitbesteedt aan een ander transportbedrijf. Juist deze constructies kunnen voor problemen zorgen. De oorspronkelijke opdrachtgever heeft niet altijd zicht op de verdere uitbesteding en weet daardoor mogelijk niet welk bedrijf het transport uiteindelijk uitvoert. Volgens de toezichthouders zijn dergelijke uitbestedingsconstructies in sommige gevallen onvoldoende geregeld.
De vergunningplicht moet onder meer bijdragen aan eerlijke concurrentieverhoudingen binnen de transportsector. Wanneer bedrijven zonder de vereiste vergunning vervoer uitvoeren, kan dat leiden tot concurrentievervalsing. Ondernemingen die wel aan alle verplichtingen voldoen, kunnen daardoor worden geconfronteerd met concurrenten die niet aan dezelfde voorwaarden voldoen. Daarnaast waarschuwen de ILT en de NIWO voor druk op transporttarieven en mogelijke gevolgen voor de veiligheid en arbeidsomstandigheden.
Het onderzoek laat volgens beide organisaties zien dat het opnemen van een vergunningplicht in een contract niet voldoende is. Opdrachtgevers en expediteurs moeten ook tijdens de samenwerking blijven controleren of de gemaakte afspraken daadwerkelijk worden nageleefd. Daarbij gaat het niet alleen om de geldigheid van vergunningen, maar ook om de voertuigen, chauffeurs en onderaannemers die worden ingezet.