Terwijl deelvervoer steeds populairder wordt, groeit de bezorgdheid over vervoersongelijkheid en de bereikbaarheid van kwetsbare reizigers. Deelmobiliteit moet het openbaar vervoer versterken, maar dreigt voor bepaalde groepen juist nieuwe vervoersproblemen te veroorzaken.
De groeiende integratie van openbaar vervoer en deelmobiliteit moet reizen makkelijker maken, maar brengt ook aanzienlijke risico’s met zich mee. Vooral mensen met een lichamelijke of visuele beperking, een laag inkomen of beperkte digitale vaardigheden dreigen de dupe te worden wanneer deelauto’s en deelfietsen steeds vaker als alternatief voor busverbindingen worden beschouwd.
De vrees bestaat dat het schrappen van bushaltes gemakkelijker wordt wanneer deelvervoer voor een deel van de reizigers een oplossing biedt. Daarmee kan de bereikbaarheid voor kwetsbare groepen juist verder achteruitgaan. De discussie over de toekomst van het openbaar vervoer draait steeds vaker om stijgende kosten, teruglopende dekking en de vraag hoe deelmobiliteit een grotere rol kan spelen.
niet voor iedereen
Deelauto’s, deelfietsen en andere gedeelde vervoermiddelen worden daarbij regelmatig gepresenteerd als een aanvulling op het bestaande netwerk. Toch moeten we waarschuwen dat deze ontwikkeling niet voor iedereen dezelfde voordelen oplevert. Voor mensen die gemakkelijk kunnen fietsen, autorijden of digitale toepassingen gebruiken, kan deelmobiliteit een aantrekkelijke oplossing zijn. Dat geldt echter niet automatisch voor reizigers die afhankelijk zijn van toegankelijke bus- en treinverbindingen.
Wie geen rijbewijs heeft, vanwege een beperking niet kan fietsen of moeite heeft met het gebruik van apps, kan niet zonder meer overstappen op deelvervoer. Ook de kosten kunnen een belemmering vormen. Daardoor dreigt een situatie waarin het vervoersaanbod voor de ene groep verbetert, terwijl anderen juist minder mogelijkheden krijgen om hun bestemming te bereiken.
Een belangrijk punt van zorg is dat deelmobiliteit steeds vaker wordt genoemd als mogelijke oplossing voor de oplopende kosten en afnemende dekking van het openbaar vervoer. Volgens ondergetekende schuilt daarin een fundamenteel risico. Wanneer deelvervoer voor een groot deel van de reizigers goed functioneert, kan het voor vervoerders en beleidsmakers aantrekkelijker worden om bestaande bushaltes te schrappen.
niet langer zelfstandig
Voor mobiele reizigers hoeft dat nauwelijks gevolgen te hebben. Zij kunnen immers gebruikmaken van een deelfiets of deelauto om een grotere afstand naar een halte of station af te leggen. Voor mensen die deze vervoermiddelen niet kunnen gebruiken, betekent het verdwijnen van een halte mogelijk dat een reis niet langer zelfstandig kan worden gemaakt. Mijn bezorgdheid richt zich daarom niet zozeer op de introductie van deelmobiliteit zelf, maar vooral op de gevolgen wanneer deze vervoersvorm wordt gebruikt als argument om het reguliere openbaar vervoer af te bouwen.
Daarbij speelt nog een ander risico. Wanneer steeds meer reizigers overstappen op deelvervoer, kan het aantal passagiers in bussen afnemen. Minder reizigers kunnen vervolgens de financiële positie van bestaande verbindingen onder druk zetten. Als daardoor opnieuw lijnen of haltes verdwijnen, wordt het openbaar vervoer voor mensen die ervan afhankelijk zijn steeds minder toegankelijk.
Als Vlaming weet ik als geen ander dat ik ook de ontwikkelingen in België moet aanhalen. Daar wordt deelmobiliteit volgens mij soms ingezet als alternatief binnen het beleid rond basisbereikbaarheid. Dat roept vragen op over de minimale vervoersvoorzieningen waarop inwoners moeten kunnen rekenen. Tegelijkertijd wordt erkend dat traditioneel openbaar vervoer niet overal even efficiënt functioneert. Vooral in dunbevolkte gebieden kunnen bussen met een lage frequentie regelmatig vrijwel leeg rondrijden. Het bestaande aanbod sluit daar niet altijd aan op de daadwerkelijke vervoersbehoefte.
op afroep rijden
Flexibel openbaar vervoer, bijvoorbeeld met voertuigen die op afroep rijden, wordt daarom genoemd als een mogelijke oplossing. Daarmee zouden ook inwoners van minder dichtbevolkte gebieden toegang kunnen houden tot een minimale vervoersvoorziening. De kritiek richt zich vooral op situaties waarin deelmobiliteit de verschraling van het reguliere netwerk moet opvangen. Voor reizigers die geen deelvervoer kunnen gebruiken, ontstaat dan het risico dat zij hun bestemming niet meer goed kunnen bereiken.
Niet iedereen deelt de vrees dat een betere integratie van deelmobiliteit automatisch leidt tot een verslechtering van het openbaar vervoer. Ik wil er ook op wijzen dat in Vlaanderen verschillende vervoersvormen al jarenlang met elkaar worden gecombineerd. Privéfietsen, taxi’s en particuliere auto’s maken via stationsvoorzieningen en P+R-terreinen al deel uit van het bredere mobiliteitssysteem. Volgens mij is daar deelmobiliteit vooral een volgende uitbreiding van de bestaande mogelijkheden, zonder dat dit noodzakelijkerwijs ten koste hoeft te gaan van bus- of treinverbindingen.
Daarbij worden ook eerste signalen genoemd dat deelmobiliteit juist extra reizigers naar het openbaar vervoer brengt. Mensen die met een deelfiets of deelauto naar een station reizen, kunnen vervolgens gebruikmaken van de trein of bus. Ook wordt door beleidsmakers aangevoerd dat het aantal deelmobiliteitsritten dat daadwerkelijk concurreert met bestaande ov-verbindingen relatief beperkt is. Veel gedeelde vervoermiddelen zouden juist worden gebruikt voor verplaatsingen die moeilijk met traditioneel openbaar vervoer zijn te bedienen.Vanuit dat perspectief versterken beide systemen elkaar, in plaats van elkaar te vervangen.
Wanneer een bus verdwijnt omdat een deel van de reizigers ook met een deelfiets verder kan, blijft één vraag overeind: hoe komen de mensen die niet kunnen fietsen dan nog op hun bestemming?
Toch blijft de vraag wat er gebeurt wanneer vervoerders en overheden besluiten hun netwerk aan te passen aan het groeiende gebruik van deelmobiliteit. Opvallend is dat bij treinstations nauwelijks wordt gesproken over sluiting omdat een gebied ook met deelvervoer bereikbaar zou zijn. Bij bushaltes wordt die redenering wel gebruikt.
Een vergelijkbare situatie zou ontstaan wanneer een bus niet langer bij een treinstation stopt omdat reizigers daar gebruik kunnen maken van een OV-fiets. Voor mensen met een beperking is zo’n fiets immers niet altijd een bruikbaar alternatief. De discussie draait daarmee om het onderscheid tussen het toevoegen van vervoersmogelijkheden en het vervangen van bestaande voorzieningen.
rendabiliteit van verbindingen
Wanneer deelmobiliteit ervoor zorgt dat meer mensen met de bus reizen, kan dat een positieve ontwikkeling zijn. Hogere reizigersaantallen kunnen bijdragen aan de rendabiliteit van verbindingen en mogelijk ruimte bieden voor een uitgebreider aanbod. Maar wanneer extra reizigers zich vooral concentreren op bepaalde haltes en dit vervolgens aanleiding wordt om andere haltes te schrappen, kan de bereikbaarheid voor kwetsbare groepen alsnog verslechteren.
Naast de relatie met het openbaar vervoer wordt ook een andere benadering van deelmobiliteit voorgesteld. Daarbij zou het delen van voertuigen vooral moeten worden beschouwd als alternatief voor particulier autobezit, in plaats van als vervanging van bus- en treinverbindingen. Wanneer meerdere mensen dezelfde auto gebruiken, zijn mogelijk minder particuliere voertuigen nodig om aan de vervoersbehoefte te voldoen. Dat kan ook gevolgen hebben voor de inrichting van de openbare ruimte.
Parkeerplaatsen die daardoor overbodig worden, kunnen een andere bestemming krijgen. Denk aan extra groen, speelruimte of voorzieningen voor het openbaar vervoer, waaronder nieuwe bushaltes. Vanuit deze gedachte hoeven verschillende vervoersvormen elkaar niet te verdringen. Ze kunnen juist naast elkaar bestaan en reizigers meer mogelijkheden bieden om een passende vervoerskeuze te maken. Daarbij is het van belang rekening te houden met uiteenlopende behoeften. Waar de ene reiziger gemakkelijk een deelfiets gebruikt, is een ander aangewezen op een toegankelijke busverbinding.
openbaar vervoer de basis
De verschillende standpunten laten zien dat de discussie niet uitsluitend gaat over de voordelen of nadelen van deelmobiliteit. Centraal staat vooral de vraag welke plaats het reguliere openbaar vervoer in het toekomstige mobiliteitssysteem moet behouden. Voorstanders van verdere integratie wijzen op de mogelijkheden om reizen efficiënter te organiseren, nieuwe verbindingen te creëren en meer mensen naar het openbaar vervoer te trekken.
Critici benadrukken daarentegen dat deelmobiliteit niet voor iedereen toegankelijk is en daarom geen vanzelfsprekend alternatief vormt voor bestaande buslijnen en haltes. De belangrijkste waarschuwing is dat verbeteringen voor mobiele reizigers niet mogen leiden tot een verslechtering van de bereikbaarheid voor mensen die afhankelijk zijn van het openbaar vervoer. Deelmobiliteit kan een waardevolle aanvulling zijn, zolang het reguliere netwerk voldoende toegankelijk en beschikbaar blijft. Het uitgangspunt dat verschillende vervoersvormen elkaar aanvullen in plaats van vervangen, vormt daarmee een belangrijk onderdeel van de discussie over de toekomst van de bereikbaarheid.