Minister demir wil het leerlingenvervoer grondig hervormen, maar concrete garanties over kortere ritten ontbreken.

Een kleuter die al om zes uur ’s morgens op de schoolbus moet stappen en pas twaalf uur later weer thuiskomt. Leerlingen die voor amper dertien kilometer twee uur onderweg zijn. Het leerlingenvervoer in het buitengewoon onderwijs blijft voor duizenden Vlaamse kinderen een zware dagelijkse belasting. Tijdens een debat in het Vlaams Parlement werd duidelijk dat de problemen voorlopig niet verdwenen zijn. Vlaams minister van Onderwijs Zuhal Demir (N-VA) belooft een grondige hervorming tegen het schooljaar 2028-2029 en wil ondertussen sneller ingrijpen waar dat mogelijk is. Ook het onzekere statuut van de busbegeleiders moet worden aangepakt.

Volgens cijfers die PVDA-parlementslid Ilona Vandenberghe tijdens de Commissie voor Onderwijs aanhaalde, zijn ongeveer 2.500 leerlingen uit het buitengewoon onderwijs minstens anderhalf uur onderweg voor één enkele busrit. Sommige kinderen zitten zelfs langer dan twee uur op de bus. Het gaat daarbij om leerlingen met een fysieke of mentale beperking, een ontwikkelingsstoornis of andere specifieke zorgnoden.

terugkerend probleem

De lange reistijden vormen al jaren een terugkerend probleem. Ondanks bijkomende financiële middelen blijft de organisatie van het vervoer bijzonder ingewikkeld. Ook de veiligheid en geschiktheid van sommige voertuigen worden in twijfel getrokken. Vandenberghe wees op bussen die onvoldoende aangepast zijn voor rolstoelgebruikers en voertuigen waarin tijdens hittegolven geen behoorlijke koeling aanwezig is. Volgens haar neemt bovendien het aantal leerlingen dat langer dan negentig minuten onderweg is nog altijd toe.

De Lijn schrijft die langere ritten volgens het parlementslid onder meer toe aan het stijgende aantal kinderen dat gebruikmaakt van het gratis collectieve leerlingenvervoer. Dat aantal zou in twee jaar tijd met ongeveer 10 procent zijn toegenomen, terwijl de beschikbare budgetten in die periode gelijk bleven.

Vooruit-parlementslid Gianna Werbrouck bracht tijdens het debat een bijzonder schrijnend voorbeeld ter sprake. Eind augustus ontving ze een bericht van een schooldirectie over een kleuter uit het type 2-onderwijs die ’s morgens om 6.06 uur op de bus moest stappen en pas om 18.15 uur weer thuis aankwam. De situatie van dat kind wordt inmiddels opgevolgd, maar volgens Werbrouck toont het voorbeeld aan hoe zwaar het dagelijkse vervoer kan wegen op kinderen en hun gezinnen.

busrit van twee uur

Ook Vandenberghe beschreef de gevolgen van dergelijke ritten. Sommige leerlingen moeten volgens haar al om vijf uur opstaan om tijdig op school te geraken. Zelfs voor een afstand van amper twaalf of dertien kilometer kan een busrit twee uur duren. Na school wacht dezelfde lange verplaatsing opnieuw. Daardoor blijft er nauwelijks tijd over voor huiswerk, ontspanning of voldoende nachtrust.

Volgens het PVDA-parlementslid kunnen de lange busritten bovendien leiden tot overprikkeling, vermoeidheid en concentratieproblemen tijdens de lessen. Sommige kinderen zouden onderweg zelfs crisismomenten doormaken. De oppositie dringt daarom aan op maatregelen die niet pas over twee jaar effect hebben. Vandenberghe vroeg minister Demir uitdrukkelijk om te bevestigen dat geen enkele leerling structureel langer dan negentig minuten per enkele rit onderweg zou mogen zijn. Die concrete garantie kwam er tijdens het debat niet.

Opvallend is dat het leerlingenvervoer volgens verschillende parlementsleden niet uitsluitend met een gebrek aan financiële middelen kampt. Cd&v-parlementslid An Christiaens wees erop dat het operationele budget inmiddels is opgetrokken tot 153 miljoen euro. Vlak voor de zomer werd 11 miljoen euro extra vrijgemaakt en vanaf 2027 komt daar nog eens 3 miljoen euro bovenop. Die bijkomende middelen waren noodzakelijk nadat eerder werd aangekondigd dat mogelijk tweehonderd busritten zouden worden geschrapt wegens oplopende kosten. Uiteindelijk werd die beslissing teruggedraaid.

geen besparingen

Minister Demir benadrukte dat de Vlaamse Regering niet van plan is te besparen op het leerlingenvervoer. Wanneer ook de middelen vanuit Onderwijs worden meegerekend, gaat het volgens haar om een totaalbedrag van ongeveer 200 miljoen euro. De minister vindt dat dit budget voldoende mogelijkheden moet bieden om het vervoer anders en efficiënter te organiseren. Daarmee werd tijdens het debat duidelijk dat de discussie niet alleen over de omvang van het budget gaat, maar vooral over de manier waarop de middelen worden ingezet.

De geplande hervorming moet vanaf het schooljaar 2028-2029 een fundamentele verandering teweegbrengen. Vandaag vormt het collectieve busvervoer voor veel leerlingen de belangrijkste manier om naar school te gaan. De Vlaamse Regering wil voortaan meer rekening houden met de individuele mobiliteitsmogelijkheden van kinderen. Daarbij wordt gekeken naar de ondersteuning die een leerling nodig heeft om veilig en haalbaar op school te geraken. Voor sommige kinderen zal aangepast vervoer van deur tot deur noodzakelijk blijven. Voor anderen kunnen alternatieven worden onderzocht, zoals zelfstandig reizen, openbaar vervoer of een centrale opstapplaats. Vooral dat laatste voorstel roept bezorgdheid op.

praktische haalbaarheid

Vandenberghe verwees tijdens het debat naar uitspraken van An De Coster, directeur van school De Vinderij in Lokeren. Zij vreest dat centrale opstapplaatsen moeilijkheden zullen veroorzaken voor leerlingen met autisme, mentale beperkingen of gedragsproblemen. Ook Sandra Simons, directeur van De Wissel in Genk, stelde volgens Vandenberghe vragen bij de praktische haalbaarheid. Niet ieder kind kan zelfstandig naar een opstapplaats gaan en niet iedere ouder beschikt over de mogelijkheid om het kind daarbij te begeleiden.

Demir benadrukte dat er geen uniforme oplossing voor heel Vlaanderen komt. Scholen moeten volgens haar een belangrijke rol krijgen bij de beoordeling van wat voor iedere leerling haalbaar is. Vooral bij oudere leerlingen wil de minister ook aandacht besteden aan zelfredzaamheid. Waar mogelijk kunnen jongeren leren om zelfstandig te stappen, te fietsen of het openbaar vervoer te gebruiken.

Christiaens waarschuwde wel dat de mogelijkheden van het gezin daarbij niet uit het oog mogen worden verloren. Zeker voor kleuters en jonge kinderen moet de ondersteuning volgens haar niet alleen op het kind, maar ook op de gezinssituatie worden afgestemd.

Zuhal Demir (N-VA)

De minister heeft een nieuwe aanpak aangekondigd, maar voor de leerlingen en hun gezinnen zullen vooral de daadwerkelijke verkorting van de busritten, de veiligheid van het vervoer en de praktische haalbaarheid van de nieuwe oplossingen bepalend zijn.

Hoewel de grote hervorming pas in 2028-2029 wordt ingevoerd, wil Demir onderzoeken of bepaalde verbeteringen sneller kunnen worden gerealiseerd. Daarbij kijkt ze vooral naar regionale samenwerking tussen scholen, lokale besturen, centra voor leerlingenbegeleiding en andere betrokken organisaties.

De bestaande proefprojecten moeten daarbij als voorbeeld dienen. Door de organisatie van het vervoer dichter bij de scholen en gezinnen te brengen, hoopt de minister sneller oplossingen te vinden voor onnodig lange routes. Ten laatste eind november wil Demir scholen betrekken bij de verdere uitwerking van die samenwerkingsverbanden. Ook worden per provincie overlegmomenten georganiseerd.

Als scholen binnen een bepaalde regio bereid zijn samen te werken, zouden volgens de minister mogelijk al volgend jaar eerste verbeteringen kunnen worden doorgevoerd. Een andere belangrijke stap wordt het verzamelen van betrouwbare gegevens. Volgens N-VA-parlementslid Karolien Grosemans ontbreekt momenteel nog altijd voldoende nauwkeurige informatie over de werkelijke reistijden en de individuele vervoersbehoeften van leerlingen.

Demir kondigde daarom een nulmeting aan. Daarbij wil ze ook digitale toepassingen en artificiële intelligentie inzetten om beter zicht te krijgen op het leerlingenvervoer.

busbegeleiders

Naast de problemen voor de leerlingen kwam tijdens het debat ook het statuut van de busbegeleiders uitgebreid aan bod. Volgens Werbrouck werken veel begeleiders met onzekere contracten die soms slechts lopen van de ene schoolvakantie tot de volgende. Wanneer een busrit wordt ingekort, kan dat bovendien gevolgen hebben voor het aantal betaalde arbeidsuren.

De begeleiders hebben vaak gesplitste werkroosters. Ze begeleiden ’s morgens kinderen naar school en halen hen later opnieuw op, maar hebben daartussen niet noodzakelijk betaald werk. Ook de gevolgen van de gewijzigde federale werkloosheidsregeling zorgen voor onzekerheid.

Werbrouck verwees naar de mogelijkheid dat werknemers met een tienmaandencontract onder bepaalde voorwaarden tijdens de zomervakantie een werkloosheidsuitkering kunnen ontvangen. Voor kortere vakantieperiodes ligt dat anders, terwijl niet alle busbegeleiders nog dergelijke tienmaandencontracten krijgen.

Vandenberghe haalde daarnaast een bevraging van ACV Voeding en Diensten aan. Daaruit zou blijken dat meer dan de helft van de bevraagde werknemers een inkomensverlies verwacht. Andere personeelsleden weten volgens haar niet welke gevolgen de gewijzigde regels voor hen zullen hebben.

Ook praktische problemen kwamen ter sprake. Sommige busbegeleiders beschikken niet over een gsm waarmee ze tijdens een rit rechtstreeks contact kunnen opnemen met ouders of scholen. Werbrouck stelde voor om het takenpakket van busbegeleiders te verbreden. Ze zouden bijvoorbeeld aanvullende ondersteunende opdrachten binnen de school kunnen opnemen, waardoor meer betaalde uren en stabielere contracten mogelijk worden.

arbeidsvoorwaarden 

Minister Demir erkende dat de arbeidsvoorwaarden van busbegeleiders verbetering nodig hebben. Eind augustus werd daarom een bevraging naar de scholen gestuurd om een duidelijker beeld te krijgen van hun contracten en arbeidsomstandigheden. De resultaten worden momenteel verwerkt. Omdat busbegeleiders door de schoolbesturen zelf worden aangesteld, beschikt de Vlaamse overheid volgens de minister niet over een volledig gecentraliseerd overzicht van hun arbeidsvoorwaarden.

De regering onderzoekt verschillende mogelijkheden om de werkzekerheid en inkomenszekerheid te verbeteren. Daarbij wordt ook bekeken of busbegeleiders vrijwillig bijkomende taken kunnen opnemen en hoe hun functie verder kan worden geprofessionaliseerd. Ook de heropstart van de MVD+-werkgroep, waarin onder meer de arbeidsvoorwaarden van ondersteunend personeel aan bod kunnen komen, wordt onderzocht.

Demir beloofde zo snel mogelijk werk te maken van een degelijk statuut, maar wees erop dat daarvoor heel wat regelgevend werk noodzakelijk is. Een concrete datum waarop de nieuwe regeling klaar moet zijn, gaf ze niet. Dat gebrek aan timing leidde tot bijkomende vragen van verschillende parlementsleden. Zij vrezen dat busbegeleiders anders ook tijdens de volgende zomervakantie opnieuw met financiële onzekerheid worden geconfronteerd.

De hervorming brengt niet alleen veranderingen voor leerlingen en busbegeleiders met zich mee. Ook scholen zullen een belangrijke rol krijgen bij het organiseren van aangepast vervoer. Volgens Christiaens beschikken scholen over de beste informatie over de mogelijkheden en beperkingen van hun leerlingen. Tegelijkertijd waarschuwde ze dat het organiseren van het leerlingenvervoer nu al bijzonder veel tijd vraagt.

Sommige scholen moeten volgens haar bij de start van het schooljaar tijdelijk bijna een voltijdse medewerker inzetten om alle vervoersroutes, wijzigingen en individuele situaties op elkaar af te stemmen. Als scholen in de toekomst een grotere verantwoordelijkheid krijgen, moet daarom ook worden bekeken hoe hun administratieve belasting kan worden beperkt.

proefprojecten

Grosemans benadrukte dat de ervaringen uit bestaande proefprojecten belangrijk zullen zijn om te bepalen welke oplossingen daadwerkelijk werken. Volgens haar is het noodzakelijk om de hervorming zorgvuldig voor te bereiden en scholen en ouders voldoende duidelijkheid te bieden.

Het parlementaire debat maakte duidelijk dat er brede steun bestaat voor een grondige herziening van het leerlingenvervoer, maar dat de verwachtingen over de uitvoering uiteenlopen. De meerderheid benadrukt het belang van een zorgvuldig voorbereide hervorming met meer maatwerk en regionale samenwerking. Vanuit de oppositie klinkt vooral de vraag om de huidige reistijden onmiddellijk aan te pakken en de rechten van kwetsbare leerlingen te blijven beschermen.

Demir wil de komende maanden verdere stappen zetten in de voorbereiding en hoopt via regionale initiatieven al vóór 2028 verbeteringen te realiseren. Voorlopig blijft echter onduidelijk hoeveel leerlingen daarvan op korte termijn zullen profiteren en wanneer de eerste concrete resultaten zichtbaar worden. Ook een bindende maximale reistijd van negentig minuten werd tijdens de commissievergadering niet vastgelegd.

Daarmee blijft de belangrijkste vraag uit het debat voorlopig open: hoe kan worden voorkomen dat kwetsbare kinderen nog twee schooljaren lang dagelijks uren onderweg zijn, terwijl de structurele hervorming wordt voorbereid? 

Bron: officieel verslag van de Commissie voor Onderwijs van het Vlaams Parlement. Lees het volledige parlementaire verslag. De aangehaalde cijfers en getuigenissen zijn afkomstig uit de verklaringen tijdens de commissievergadering.

Mobiele versie afsluiten