Tag archieven: Onderzoeksraad

Onderzoeksraad: treinramp voorschoten blijft een raadsel

Onderhoud aan intensief bereden spoornet moet en kan veiliger.

Ondanks uitgebreid onderzoek blijft de exacte oorzaak van het tragische treinongeluk in Voorschoten, waarbij vorig jaar een kraanmachinist het leven liet, onopgehelderd. Dit staat in het recent gepubliceerde rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid. In de late uurtjes van 3 april botste een goederentrein op een bouwkraan terwijl er aan het spoor werd gewerkt, een incident dat een passagierstrein deed ontsporen en in tweeën brak.

De onderzoeksraad heeft kunnen bevestigen dat de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat een beleid voert waarbij het doorgaan van treinen tijdens onderhoud wordt geprioriteerd. Dit beleid zou volgens het rapport verkeerde prikkels geven aan de spoorsector, waarbij de veiligheid van het werk en het leren van ongevallen niet altijd vooropstaan. “Belangen als veilig werken, het beperken van de gevaren van nachtwerk en het leren van ongelukken krijgen daardoor onvoldoende aandacht,” merken de onderzoekers op.

“Het Nederlandse spoor behoort tot de veiligste in de wereld. Maar toch gaat het te vaak mis of bijna mis op het spoor. Daar moeten we van leren. Wij bevelen de sector aan om veel meer werk te maken van het registreren en analyseren van incidenten. Zo kan de sector gezamenlijk leren, maar ook innoveren in veiligheid.”

Chris van Dam, voorzitter van de Onderzoeksraad

Op de bewuste nacht werden twee van de vier sporen vrijgehouden voor het onderhoud, terwijl de andere twee sporen tijdelijk buiten werking gesteld zouden worden. Echter, voordat deze sporen buiten gebruik waren gesteld, begon de kraanmachinist al met oversteken, wat direct tot de fatale botsing leidde. De impact was enorm; de goederentreinmachinist raakte gewond en de kraanmachinist overleed ter plaatse.

De chaos werd verergerd toen een passagierstrein in de brokstukken van de bouwkraan reed en ontspoorde. Uit de dronebeelden van het incident blijkt de enorme ravage die is aangericht. In de passagierstrein bevonden zich vijftig mensen, waarvan negentien naar het ziekenhuis moesten worden overgebracht.

Op 4 april 2023 stak een kraan tijdens geplande werkzaamheden een spoor over dat in dienst was. Daarbij werd de kraan aangereden door een goederentrein en een reizigerstrein. Bij dit ongeval overleed de machinist van de kraan en vielen totaal zo’n 30 gewonden, van wie enkele zeer zwaar gewond raakten. De ravage was enorm.

Volgens het rapport was het ongeluk te wijten aan een combinatie van factoren, waaronder de risicovolle omgeving van een railinzetplaats en de afhankelijkheid van de werklieden van foutgevoelige mondelinge communicatie. “Voor gespreksdiscipline is het van belang dat er afspraken zijn over de wijze van communiceren en dat de werkenden hierop getraind worden,” stelt de raad. De analyse van ProRail na het ongeval onthult bovendien dat de railinzetplaats in Voorschoten een van de meest risicovolle in Nederland is.

Het onderzoeksrapport belicht verder de uitdagingen van nachtwerk en de gevolgen daarvan voor de veiligheid. Ondanks dat er voor de kraanmachinist geen aanwijzingen waren van vermoeidheid, waren er bij andere sleutelfiguren wel indicaties van oververmoeidheid, iets wat niet overeenkomt met de Arbeidstijdenwet.

ProRail heeft gereageerd op het rapport en verklaart in gesprek te zijn met de sector en het ministerie om de veiligheid van spoorwerkers te verbeteren en om hen beter te ondersteunen met moderne technologieën. “We willen spoorwerkers meer grip geven op hun eigen veiligheid,” zegt een woordvoerder van ProRail.

Deze tragedie onderstreept het belang van voortdurende aandacht voor veiligheidsmaatregelen en communicatie binnen de spoorsector, een sector die door de Onderzoeksraad nog steeds als een van de veiligste ter wereld wordt beschouwd. Toch, zoals Onderzoeksraadvoorzitter Chris van Dam opmerkt: “Daar moeten we van leren. Wij bevelen de sector aan om veel meer werk te maken van het registreren en analyseren van incidenten.”

Veiligheid en duurzaamheid Schiphol op peil gebleven

De aandacht voor veiligheid op en rond Schiphol is in 2020 op peil gebleven. Veranderingen door corona brachten nieuwe risico’s mee: orde verstorend gedrag van passagiers, het desinfecteren van vliegtuigen en het vervoer van vracht in de passagierscabine vragen om extra aandacht. Hoewel het vliegverkeer beperkt is, moeten alle systemen en processen wel blijven draaien. Terwijl veel anders gaat dan normaal, blijft de sector daarbij oog houden voor veiligheid en duurzaamheid. Doordat het aantal vluchten in 2020 sterk afnam, is er in totaal minder sprake van geluidsbelasting en uitstoot.

Inspecteur-generaal Jan van den Bos: “Onder bijzondere omstandigheden hebben we ons werk voortgezet en blijven we aandacht vragen voor risico’s en mogelijke verbeteringen. Veiligheid en duurzaamheid op Schiphol blijven belangrijke thema’s voor de ILT.”

Veiligheidsmanagementsysteem

Na een aanbeveling van de Onderzoeksraad voor de Veiligheid in 2017 krijgt een nieuw integraal veiligheidsmanagementsysteem steeds meer vorm. Verschillende partijen op Schiphol werken hierbij samen om de risico’s op de raakvlakken tussen de organisaties te verkleinen. De ILT ziet dat het systeem bijdraagt aan de verbetering van de veiligheid. De inspectie ziet ook mogelijkheden om de aanpak te verbeteren en zal ook het komend jaar een oordeel vormen over uitvoering, voortgang en de effectiviteit van de maatregelen die de sector neemt.

Aantal woningen stijgt

De inspectie ziet dat het aantal woningen en accommodaties dichtbij Schiphol en vliegroutes nog steeds stijgt. In 2020 zijn er 600 woningen en enkele andere accommodaties waar veel mensen bijeenkomen bijgebouwd. Het aantal mensen dat wordt blootgesteld aan externe veiligheidsrisico’s, geluidbelasting en uitstoot neemt daardoor toe.

Corona

Door corona ligt het aantal vliegtuigbewegingen in gebruiksjaar 2020 veel lager. Er zijn dan ook geen overschrijdingen van de externe veiligheidsrisico- en geluidsnormen of de zogenoemde ‘vierde-baan-regel’: waarbij per dag beperkt gebruik wordt gemaakt van een vierde startbaan. Maar de vermindering van het aantal vluchten heeft ook een ander baangebruik en andere vliegpatronen tot gevolg. Rust in het luchtruim geeft mogelijkheden voor kortere aanvliegroutes en visuele naderingen. Dat zorgt voor geluidhinder op afwijkende locaties. De ILT ontvangt hier meldingen over en bespreekt dit met de luchtverkeersleiding.

Er is een duidelijke samenhang te zien tussen de coronamaatregelen aan boord en de toename van misdragingen door passagiers. In gebruiksjaar 2020 worden 746 voorvallen met orde verstorende passagiers gemeld. Ruim 40% hiervan betreft voorvallen die te maken hebben met het niet dragen van een mondmasker. Verder moeten vliegtuigen intensiever worden gereinigd. De gebruikte desinfectiemiddelen (biociden) beschikten niet over een toelating in Nederland. Omdat de middelen niet op korte termijn getoetst kunnen worden, geeft de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat een tijdelijke vrijstelling af waarmee 3 middelen door luchtvaartmaatschappijen gebruikt kunnen worden. Dit meldt de Inspectie Leefomgeving en Transport op hun website

Lees ook: Puntensysteem voor transport- en busbedrijven

Betere onderzoeken naar verkeersongevallen noodzakelijk

Blijkbaar worden verkeersongevallen op de Nederlandse snelwegen niet volledig en onvoldoende onderzocht. Dit heeft dus gevolgen voor de verkeersveiligheid. Door de scope van de onderzoeken te verbreden kunnen oorzaken van ongevallen beter worden onderzocht en kan de verkeersveiligheid worden verbeterd. Dit concludeert de Onderzoeksraad voor Veiligheid in het rapport naar aanleiding van een spookrijongeval op de A73 in 2017. De Raad onderzocht dit ongeval mede op verzoek van de minister van Infrastructuur en Waterstaat, omdat er in 2010 een soortgelijk ongeval op dezelfde weg had plaatsgevonden en de uitgevoerde onderzoeken nog vragen opriepen.

In de nacht van 19 november 2017 reed een spookrijder op de A73. Gedurende bijna 10 kilometer reed hij in het donker tegen de richting in op de snelweg. Diverse medeweggebruikers belden de alarmcentrale om de spookrijder te melden. Meteen nadat de spookrijder door de Roertunnel was gereden botste de spookrijder frontaal op een andere weggebruiker. Beide bestuurders overleden ter plekke.

Onderzoek door Rijkswaterstaat en politie

Rijkwaterstaat startte na dit ongeval een onderzoek. Daarbij lag de focus op de tunnel en de verwerking van de meldingen van medeweggebruikers en betrok men niet de mogelijke oorzaak van het gedrag van de spookrijder. De politie startte daarnaast een strafrechtelijk onderzoek, maar omdat de enige verdachte, de spookrijder, bij het ongeval was overleden werd het strafrechtelijk onderzoek al snel beëindigd. Zoals gebruikelijk werd het verzamelde bewijsmateriaal, zoals de afgenomen urine- en bloedmonsters daarbij vernietigd. Na het beëindigen van deze onderzoeken bleven er vragen bestaan. Hoe kon de bestuurder bijna 10 kilometer spookrijden zonder te stoppen of keren? Wat was er met de bestuurder aan de hand? Hoe kan het spookrijden op deze weg in de toekomst worden voorkomen?

Bredere scope noodzakelijk

De Onderzoeksraad voor Veiligheid onderzocht het ongeval op basis van de informatie die nog beschikbaar was. De conclusie is dat één van de oorzaken ligt op de plek waar de bestuurder start met spookrijden en tegen de richting in de snelweg oprijdt. Op deze afrit was de wegsituatie onoverzichtelijk. Hierdoor kunnen automobilisten zich vergissen. Doordat het onderzoek van Rijkswaterstaat zich richtte op de tunnel en de meldingen bleef de onoverzichtelijke verkeerssituatie aanvankelijk buiten het zicht van het ongevalsonderzoek. Daarnaast constateert de Raad dat het niet meer mogelijk was om informatie over de rijgeschiktheid van de spookrijder te achterhalen. Door het vernietigen van de bloed- en urinemonsters kon niet meer worden vastgesteld of hij onder invloed was door alcohol-, medicijn- of drugsgebruik.

Aanbevelingen

Volledig onderzoek naar verkeersongevallen is essentieel om de verkeersveiligheid te verbeteren. De Onderzoeksraad voor Veiligheid geeft in zijn rapport de minister van Infrastructuur en Waterstaat de aanbeveling om meer te doen om spookrijden te voorkomen en om het onderzoek naar verkeersongevallen te verbeteren. Meer samenwerking met andere organisaties en een brede blik naar mogelijke oorzaken geven meer inzicht hoe toekomstige ongevallen kunnen worden voorkomen. Ook geeft de Raad de aanbeveling aan de ministers van Infrastructuur en Waterstaat en Justitie en Veiligheid ervoor te zorgen dat politieonderzoeken naar ongevallen worden afgerond zodat de onderzoeksinformatie gebruikt kan worden om de verkeersveiligheid te verbeteren.

Lees ook: Taxi-Expo uitgesteld, congres wordt een online evenement

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin
Share on whatsapp


Onderzoeksraad komt met rapport over kruisende vliegtuigen

Het gelijktijdig laten landen en starten van vliegtuigen op banen die elkaar in het verlengde kruisen zorgt op Schiphol voor ongewenste veiligheidsrisico’s. De procedures van de luchtverkeersleiding maken het mogelijk dat een vliegtuig opstijgt voordat een vliegtuig op een andere baan, met een kruisende koers, geland is. Hierdoor kunnen meer vliegtuigen per uur gebruik maken van de banen. Maar doordat de beide routes elkaar in de lucht kruisen ontstaat het risico dat de vliegtuigen te dicht bij elkaar komen. Dat meldde de Onderzoeksraad onlangs in de publicatie “Verminderde separatie bij doorstart”.

De Onderzoeksraad onderzocht een incident dat plaatsvond in 2018 waarbij twee passagiersvliegtuigen betrokken waren. Een landend vliegtuig maakte een doorstart op de Zwanenburgbaan terwijl een opstijgend vliegtuig op de Kaagbaan al was gestart en niet meer gestopt kon worden. Startende en landende vliegtuigen hebben op deze banen een kruisende koers. De vliegtuigen vlogen daardoor naar elkaar toe. Door ingrijpen van de luchtverkeersleiding en de vliegtuigbemanningen werd een mogelijke botsing tussen de beide vliegtuigen voorkomen.

Gevaarlijke situatie
De conclusies van het onlangs gepubliceerde rapport sluiten aan bij de publicatie “Veiligheid vliegverkeer Schiphol” (2017). Daarin stelt de Onderzoeksraad dat het ontwerp van de luchthaven en het systeem voor de afhandeling van het vliegverkeer zo complex zijn dat de grenzen in zicht komen van de hoeveelheid vliegverkeer die op Schiphol veilig afgehandeld kan worden. ‘Dit moet structureel anders’, stelt Jeroen Dijsselbloem, voorzitter van de Onderzoeksraad voor Veiligheid, ‘Het veiligheidsrisico lijkt in dit geval klein, maar de impact van een botsing van twee vliegtuigen is zo groot dat je juist dit risico niet zou moeten willen aangaan’.

De regel is dat een vliegtuig pas mag opstijgen nadat een vliegtuig met een kruisende koers op een andere baan daadwerkelijk geland is. De huidige procedure van de Luchtverkeersleiding Nederland staat echter toe dat onder bepaalde omstandigheden hiervan mag worden afgeweken. Dit maakt het mogelijk een vliegtuig al te laten starten voordat het andere vliegtuig geland is. Dit gaat in bijna alle gevallen goed. Maar wanneer een landend vliegtuig op het laatste moment een doorstart maakt en dit niet of te laat door de luchtverkeersleiding wordt opgemerkt, ontstaat een gevaarlijke situatie.

Aanbeveling
In 2007 en 2015 deden zich soortgelijke situaties voor. Naar aanleiding daarvan heeft Luchtverkeersleiding Nederland, in opdracht van de Inspectie Leefomgeving en Transport, de standaardprocedure aangepast. De mogelijkheid om hiervan af te wijken bleef echter bestaan. De Onderzoeksraad doet daarom de aanbeveling aan de Luchtverkeersleiding en de minister van Infrastructuur en Waterstaat om de uitzondering op de regel niet langer toe te staan. En daarmee vast te houden aan de regel om vliegtuigen pas te laten starten wanneer het landende vliegtuig op de andere baan, met een mogelijk kruisende koers, geland is.

Lees ook: Scheepvaart ook verantwoordelijk voor het klimaat

 

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin
Share on whatsapp

Winst rijhulpsystemen onvoldoende benut

Wanneer auto’s voorzien van rijhulpsystemen, ook wel Advanced Driver Assistance Systems genaamd, op de openbare weg komen, zijn deze vaak nog niet uitontwikkeld. Ook weten bestuurders vaak niet wat deze systemen wel of niet kunnen, waardoor risicovolle situaties kunnen ontstaan. Fabrikanten houden ook te weinig rekening met de gebruikers van deze systemen. De eisen die de overheid aan auto’s stelt, sluiten niet goed aan bij de huidige generatie rijhulpsystemen. En er wordt te weinig van ongevallen geleerd om de verkeersveiligheid van rijhulpsystemen te verbeteren. 

Dit blijkt uit het rapport ‘Wie stuurt? – Verkeersveiligheid en automatisering in het wegverkeer’ dat vandaag is gepubliceerd door de Onderzoeksraad voor Veiligheid. Om ervoor te zorgen dat rijhulpsystemen bijdragen aan het verbeteren van de verkeersveiligheid is bijsturing noodzakelijk.

Ongeveer de helft van de nieuwe auto’s is voorzien van rijhulpsystemen zoals een noodremsysteem en adaptive cruise control. Rijhulpsystemen verrichten deze taken op basis van eigen waarnemingen en eigen beslissingen. Auto’s zijn hierdoor rijdende computers geworden.

Rol bestuurder

Nieuwe auto’s kunnen al veel handelingen overnemen: sturen, remmen en gas geven, maar er bestaan nog geen volledig zelfrijdende auto’s die toegelaten zijn op de openbare weg. Door automatisering worden relatief makkelijke taken overgenomen door de auto en verandert de rol van de bestuurder. Deze wordt geacht het proces in de gaten te houden en in te grijpen wanneer nodig. 

Dit vergt concentratie terwijl automatisering juist minder alert maakt. Hierdoor wordt autorijden makkelijker en moeilijker tegelijkertijd en is niet altijd duidelijk wie stuurt: de mens of de auto? Fabrikanten introduceren nieuwe rijhulpsystemen om auto’s aantrekkelijker te maken voor de consument. De bestuurder ervaart te kunnen vertrouwen op deze systemen, maar wordt op zichzelf teruggeworpen als er iets mis gaat. 

Verder is er onvoldoende aandacht voor de werking en de beperkingen van rijhulpsystemen bij het uitleveren van een nieuwe auto aan de klant. Ook bij software-updates krijgen automobilisten onvoldoende voorlichting. Het gevolg hiervan is een gebrek aan kennis bij de bestuurders over deze systemen.

Te weinig aandacht voor het heden

De auto-industrie, overheden en experts richten zich op de belofte van de zelfrijdende auto maar het is echt nog verre toekomst voordat die veilig de openbare weg op kan. Zo is er wel nieuwe wetgeving in ontwikkeling voor de toekomstige zelfrijdende auto, bijvoorbeeld op het gebied van interactie tussen de mens en de auto, maar heel beperkt voor de huidige generatie rijhulpsystemen.

Black box

Rijhulpsystemen vormen op verschillende niveaus nog een ‘black box’. Bij toelating van nieuwe auto’s op de openbare weg, heeft de overheid onvoldoende toezicht op de werking van nieuwe systemen in verschillende omstandigheden. Hierdoor is niet helder of het systeem daadwerkelijk doet wat het moet doen. Ook is voor een deel van de rijhulpsystemen niet duidelijk welk effect deze systemen hebben op de verkeersveiligheid. Het ontbreekt aan een goede monitoring en evaluatie van deze systemen. De politie kan de gegevens na een ongeval vaak niet uitlezen en het is niet altijd bekend in welke auto’s deze systemen zitten. Door te leren van ongevallen, incidenten en gebruikerservaringen kunnen innovaties de verkeersveiligheid aantoonbaar verbeteren.

Aanbevelingen

De overheid heeft de ambitie om het aantal verkeersslachtoffers terug te brengen naar nul in 2050 en verwacht daarbij een belangrijke bijdrage van automatisering. Volgens de Raad kunnen rijhulpsystemen ingezet worden om veiligheidswinst te behalen, maar is er meer nodig dan wat er nu gedaan wordt, te beginnen met bijsturing op ontwerp en introductie van rijhulpsystemen. De verantwoordelijkheid om de veiligheid te verbeteren ligt bij de fabrikanten. 

Daarom beveelt de Raad de auto-industrie aan een omslag te maken naar maatschappelijk verantwoord innoveren, waarbij innovaties de verkeersveiligheid aantoonbaar verbeteren. Om duidelijk te krijgen wat een auto met rijhulpsystemen wel en niet kan, moeten automobilisten beter geïnformeerd worden over de mogelijkheden en beperkingen ervan. Tot slot beveelt de Raad aan om op Europees niveau de voertuigregelgeving aan te passen zodat deze beter aansluit bij de huidige generatie rijhulpsystemen.

Lees ook: Onderzoeksraad komt met verbijsterende conclusies






Onderzoeksraad komt met verbijsterende conclusies

De Onderzoeksraad komt met de pijnlijke conclusie dat zowel de categorie bijzondere bromfietsen als de procedure om deze toe te laten, belangrijke hiaten vertoonden. De categorie bijzondere bromfietsen kwam tot stand omdat de Tweede Kamer er bij de minister op aandrong om de Segway snel op de weg te krijgen en innovatie mogelijk te maken.

Hoewel de minister terughoudend bleef om nieuwe voertuigen toe te staan op de openbare weg, was zij wel bereid te onderzoeken of de Segway toegelaten kon worden als gehandicaptenvoertuig.

De categorie had een open karakter waardoor er nauwelijks kaders werden gesteld voor wat er wel en niet toegelaten kon worden tot de procedure. Het ministerie stelde lichte eisen aan de toelating van deze voertuigen om hiermee innovatie niet in de weg te staan of zelfs te bevorderen.

Het besluit tot aanwijzing als bijzondere bromfiets werd binnen het ministerie genomen, op ambtelijk niveau. Voor dit besluit baseerde het ministerie zich op een verplicht technisch en een optioneel verkeersveiligheidsonderzoek. De onderzoeken waren op aangeven van het ministerie beperkt gehouden, waarbij de beoordelingscriteria waren gebaseerd op die van de Segway. Deze adviezen hierover boden daarmee slechts beperkt inzicht in mogelijke tekortkomingen van het ontwerp, de productie of bij het gebruik in het verkeer. Bovendien waren de adviezen niet-bindend, waardoor de minister hiervan kon afwijken.

Minister onderschrijft conclusies Onderzoeksraad
Deze pijnlijke conclusies van de Onderzoeksraad onderschrijft Minister van Nieuwenhuizen Wijbenga. De veiligheid stond bij de totstandkoming van de categorie bijzondere bromfietsen onvoldoende centraal. De aandacht ging vooral uit naar innovatie en naar hoe dergelijke voertuigen zo snel mogelijk de weg op konden.

In de beoordeling van de RDW zat een aantal onvolkomenheden, waardoor de Stint op enkele aspecten is goedgekeurd waar hij afgekeurd had moeten worden, namelijk de afmetingen van het voertuig en de remvertraging.

Na het ongeval met de Stint kwam de (voorlopige) Beleidsregel aanwijzing bijzondere bromfietsen (2019) tot stand als aanscherping van de Beleidsregel (2015). Omdat de Tweede Kamer er bij de minister op aandrong om een nieuwe versie van de Stint snel weer de weg op te krijgen, werd daarbij gekozen voor een tijdelijke beleidsregel. Het in de Beleidsregel (2019) opgenomen nieuwe tijdelijke toelatingskader bijzondere bromfietsen lijkt wat eisen betreft op het Europese toelatingskader voor reguliere bromfietsen.

Het besluitvormingsproces met de aanwijzing van de minister op basis van niet-bindende adviezen is niet veranderd. Onduidelijk is of dit toetsingskader toepasbaar is op andere typen bijzondere bromfietsen dan de Stint. Het ministerie stelde lichte eisen aan de toelating van deze voertuigen om hiermee innovatie niet in de weg te staan of zelfs te bevorderen. De Stint werd toegelaten als bijzondere bromfiets.

De fabrikant van de Stint kende de procedure voor de categorie bijzondere bromfietsen niet en was op het moment van de aanvraag niet bekend met de geldende eisen en procedure voor deze categorie.

De Stint werd in 2010 speciaal ontworpen met het oog op gebruik door kinderopvangorganisaties. Het voertuig moest bijvoorbeeld tien kinderen kunnen vervoeren, het moest makkelijk te besturen zijn en tot aan de deur van de school kunnen rijden.

De fabrikant ontwikkelde de Stint niet met het oog op toelating in een specifieke voertuigcategorie. Pas toen hij met het voertuig de openbare weg op wilde, ging hij op zoek naar de wijze waarop dat kon. De fabrikant probeerde de Stint op verschillende manieren toegelaten te krijgen tot de openbare weg. Tijdens een van deze pogingen werd hij gewezen op de categorie bijzondere bromfietsen. Daarop stuurde de fabrikant het ministerie van VenW een brief met het verzoek om de Stint toe te laten als bijzondere bromfiets.

Omdat de geldende eisen voor bijzondere bromfietsen en de procedure nog niet waren gepubliceerd en hem ook niet vooraf zijn toegestuurd, was hij hiermee op dat moment nog niet bekend. Deze werden hem pas duidelijk tijdens het verloop van de procedure.

Lees ook: Stint volgens RDW niet klaar voor openbare weg

Onderzoeksrapport Stint





Veiligheid op afstand bediende bruggen schiet tekort

Ruim drie jaar nadat de Onderzoeksraad publiceerde over het dodelijk ongeval op de Den Uylbrug in Zaandam, wordt er nog steeds onvoldoende gedaan om ongelukken met op afstand bediende bruggen te voorkomen. Zo zijn de veiligheidsmaatregelen op de Den Uylbrug niet direct toegepast op andere bruggen van de gemeente Zaanstad. Ook de aangekondigde landelijke initiatieven die het op afstand bedienen van bruggen veiliger moeten maken, zijn tot op heden niet gerealiseerd. 

Naar aanleiding van het vandaag gepubliceerde rapport ‘Veiligheid van op afstand bediende bruggen – Lessen uit het ongeval Prins Bernhardbrug Zaandam’ heeft de minister aangekondigd toch te verkennen welke mogelijkheden er zijn om de veiligheid van beweegbare bruggen in Nederland te verbeteren. Een aanpak vanuit de Rijksoverheid is nodig: de Onderzoeksraad toont aan dat de problematiek niet uniek is voor de gemeente Zaanstad, maar een landelijk probleem betreft.

Op 28 november 2018 raakte een ouder echtpaar zwaargewond op de Prins Bernhardbrug in Zaandam. Zij stonden op het beweegbare deel van de brug toen deze voor de scheepvaart werd geopend. De brugbedienaar, die zich op afstand bevond, had hen niet opgemerkt op de camerabeelden. 

Dit ongeval vertoont sterke gelijkenissen met het ongeval op de Den Uylbrug waarover de Onderzoeksraad in 2016 een rapport uitbracht. Een fietsster stopte voor de stopstreep op de brug omdat deze werd geopend. Zij realiseerde zich echter niet dat zij op het beweegbare deel stond. De brugbedienaar, die zich op afstand bevond, had haar niet opgemerkt en opende de brug. De vrouw kwam hierdoor ten val en overleed.

Tweeënzeventig gesignaleerde tekortkomingen.

In het rapport over de Den Uylbrug deed de Raad aanbevelingen aan de gemeente Zaanstad en aan de minister van Infrastructuur & Waterstaat. De reacties op de aanbevelingen gaven het beeld dat deze voortvarend werden opgepakt. 

De gemeente Zaanstad startte met verbetermaatregelen voor de Den Uylbrug, zoals het zichtbaar maken van het beweegbare deel van de brug en het plaatsen van een attentieknop. Deze maatregelen werden niet structureel toegepast op andere bruggen in de gemeente. Wel werden de veiligheidsrisico’s bij de bruggen in de gemeente in kaart gebracht. Hierbij werden 72 tekortkomingen gesignaleerd.

Na het signaleren van deze tekortkomingen, werden er wederom geen algemene maatregelen getroffen om alle bruggen van de gemeente aan te passen. In plaats daarvan werd ervoor gekozen om eerst bij elke specifieke brug de risico’s in kaart te brengen. De Prins Bernhardbrug zou in januari 2019 worden beoordeeld.

Urgentie verbeteringen verslapt.

Bij de gemeente Zaanstad is de urgentie om verbeteringen door te voeren om meerdere redenen verslapt. Ook het in kaart brengen van de veiligheidsrisico’s verloor de prioriteit. Als de geïdentificeerde tekortkomingen direct waren opgepakt, was de kans op het maken van fouten in de brugbediening aanzienlijk verkleind. 

Bovendien had dit ruimte geboden voor de brugbedienaar om een gemaakte fout te kunnen herstellen. Pas na het ongeval op de Prins Bernhardbrug werden er in de gemeenteraad en het college van B&W kritische vragen gesteld over de voortgang van het verbetertraject en het uitblijven van maatregelen zoals het zichtbaar maken van het beweegbare deel van de brug.

Ontbreken landelijke standaard.

Ongevallen met op afstand bediende bruggen zijn niet uniek voor de gemeente Zaanstad. Op verschillende plekken in Nederland zijn soortgelijke ongevallen voorgekomen. De Onderzoeksraad riep de minister in 2016 daarom op om te komen tot een landelijke standaard voor bruggen die op afstand worden bediend. Uniformiteit in onder andere de cameraopstelling en bedieningssystemen verkleinen de veiligheidsrisico’s bij het bedienen van bruggen op afstand.

De aanbeveling heeft enkel geleid tot meer kennisdeling binnen het platform Water ontmoet Water; een platform met een vrijblijvend karakter. Een uniform, landelijk kader voor de inrichting, gebruikseisen en bediening van bruggen op afstand ontbreekt nog altijd. Dit terwijl de basis hiervoor reeds gelegd is in de Landelijke Brug- en Sluisstandaard die geldt voor bruggen van Rijkswaterstaat, de Richtlijn Vaarwegen en in de kennis vanuit het platform Water ontmoet Water.   

Verkenning verbetering vanuit Rijksoverheid

Met de uitkomsten van het onderzoek over de Prins Bernhardbrug en het eerdere onderzoek over de Den Uylbrug wordt de minister opnieuw een kans geboden om het op afstand bedienen van bruggen een extra veiligheidsimpuls te geven.

De minister heeft in een reactie op het rapport aangegeven bereid te zijn om een verkenning te starten naar de mogelijkheid om vanuit de Rijksoverheid de veiligheid van beweegbare bruggen in Nederland te verbeteren. 

De Onderzoeksraad interpreteert dit als een aankondiging om te komen tot een landelijke standaard voor de inrichting van op afstand bediende bruggen, inclusief de ondersteunende systemen. De Raad zal het initiatief van de minister en de daaruit voortkomende ontwikkelingen nauwgezet volgen.

Lees ook: 10e bedrijf sluit zich aan bij deelauto park Zeeland